09 Dec 2010

Ouderen onder jullie kennen waarschijnlijk het boek ‘Kees de jongen’ van Theo Thijssen wel. En jongeren hebben misschien de film gezien die op het boek is gebaseerd. Of de musical met de fantasiewereld van Kees Bakels, de hoofdpersoon in het verhaal.
In een van de hoofdstukken maken we kennis met Kees als postzegelverzamelaar. Geen gewone verzamelaar want net als met andere gebeurtenissen in zijn jongensleven bouwt hij er een droomwereld omheen waarin hij van alles beleeft. Op een gegeven moment had hij een album voor z’n verjaardag gekregen en droomde dan regelmatig weg boven de gedrukte voorbeelden op sommige bladzijden. De onbereikbaarste van alle zeldzame zegels leek hem wel de driehoekige die op de bladzijde voor Kaap de Goede Hoop werd afgebeeld. “Een schuine van de Kaap”, zo noemde hij hem en hij had ogenblikken dat hij zich het bezit van zo’n zonderlinge postzegel even indacht.

Veel jongetjes van tien twaalf jaar lijken een beetje op Kees. Dat wil zeggen dat ze ook een lijstje met wensen hebben. Zo wilde ik als tienjarige altijd graag een keertje op het dak van de wolkenkrabber staan om te kunnen uitkijken over de hele stad. Een verlangen dat nooit tot uitvoering werd gebracht. De portier of opzichter was onverbiddelijk voor kleine jongetjes die stiekem met de lift naar boven probeerden te gaan.
In Kees de jongen zal je deze wens overigens niet tegenkomen. Dat kon ook niet, de geschiedenis in het boek speelde zich namelijk in de jaren rond 1900 af en de wolkenkrabber werd pas in 1930-31 gebouwd.


Hoge gebouwen werden verder pas een jaar of tien na afloop van de oorlog in Amsterdam gebouwd en ik moest dus geduld hebben tot dat tijdstip. De wens om ook nog eens een keertje boven op de wolkenkrabber te staan bleef echter bestaan, zij het in het rijtje “Dat moet ik toch nog eens een keertje doen”. Daar zou ie zijn blijven staan als niet Jos Wiersema van de website “het geheugen van plan Zuid” een soortgelijke wens koesterde. Jos liet het daar niet bij en maakte een paar weken geleden een afspraak met de huismeester van de wolkenkrabber voor een bezoek. Of ik het leuk zou vinden om mee te gaan was zijn vraag door de telefoon.
“Leuk?” was mijn eerste reactie. “Dat is fantastisch,” en zo wandelden wij verleden week na een kort bezoek aan buurtcafé Diva’s naar het eerste hoge gebouw van Amsterdam.
Kwam het eigenlijk al voor in het oorspronkelijke plan van Berlage? Ik vraag het me af. Men had het in die tijd niet zo op hoge gebouwen omdat ze het fraaie perspectief van de stad met de boven alles uittorende Wester zouden bederven. Maar kennelijk waren de voorstanders in de meerderheid en in 1930 werd er met de bouw van het door architect Staal ontworpen gebouw begonnen.
Wie zou er eigenlijk op het idee gekomen zijn om het de naam de Wolkenkrabber te geven? Op het herdenkingsbord in de hal staat als naam Twaalfverdiepingenhuis vermeld.
Zo hoog was het met zijn twaalf verdiepingen trouwens niet en elke vergelijking met de echte skyscrapers in Amerika was overdreven. Maar zo nauw keek men in Amsterdam niet in die tijd. Amsterdam stak New York naar de kroon en ondanks de huur van 1200 gulden voor zes kamers plus een badkamer en een keuken vermeerderd met 400 gulden servicekosten waren er voldoende liefhebbers voor een flat op één van de etages. Dokters, professoren en directeuren van bedrijven. Om misverstanden te voorkomen, het gaat bij genoemde bedragen om de jaarhuur.
Bijna tachtig jaar later begint de dame een beetje krakkemikkig te worden. Een deel van de appartementen is verkocht maar het lijstje van achterstallig onderhoudswerk is lang. Jos en ik werden door huismeester Ruud Schaefer ontvangen in zijn kleine kantoortje in de kelder van het gebouw. Overal liepen buizen en leidingen. Ketels voor de verwarming en warmwater, een olie gestookte installatie, maakten een zacht zoemend geluid. Ze werden pas na de oorlog aangelegd, tot die tijd werden kolen als brandstof gebruikt en drie stokers in ploegendienst hadden er hun handen vol aan om de boel warm te houden.
Maar ook de olie gaat verdwijnen. In een renovatieplan staat aangegeven dat ieder appartement van een eigen hoog rendement gasgeiser zal worden voorzien. De installatie in de kelder zal daarna worden stilgelegd. Een situatie die overigens ook voorkwam in de laatste oorlogsjaren toen er geen kolen meer waren en ieder appartement zelf voor warmte moest zorgen met een kacheltje, waarvan de schoorsteen op het balkon uitkwam.
Het was niet het enige verhaal dat we van Ruud S. te horen kregen maar dat mocht je verwachten van iemand die al 42 jaar in de wolkenkrabber werkte. Allerlei namen van bekende Amsterdammers passeerde de revue. En verhalen natuurlijk. Mooie, minder leuke uit de periode tijdens de oorlog, gekleurde over de mensen die er hadden gewoond. Over de man die van de hoogste etage naar beneden sprong, over Gerard Walden en Berry Kievits, over Bernhard die met z’n dochters op bezoek kwam als Gerben Sonderman, testpiloot van Fokker, verzetsman en vriend van de prins, jarig was. En over een van de eigenaren die gebruik maakte van de diensten van een paar dames. Als tegenprestatie hoefden die geen huur te betalen voor hun appartement. Een verhaal dat daarmee nog niet af was omdat hij aan het einde van zijn leven onverwachts in het huwelijk trad met zijn huishoudster. Tegen de zin van zijn familie die er schande van sprak maar hij had de periode dat hij daar gevoelig voor was, al lang achter zich gelaten.
Het verhaal vermeldde verder dat zij het er als enig erfgename na zijn overlijden goed van nam en ondermeer rijles nam bij een rijschoolhouder. Ze slaagde er echter niet in om een rijbewijs te halen en omdat zij wel van een autoritje hield trok haar leraar bij haar in om als chauffeur op te treden. Veelvuldig werden er daarna bezoeken aan Zwitserland, Oostenrijk en Spanje gebracht. Een gemakkelijke dame schijnt ze niet geweest te zijn en om haar voortdurende op- en aanmerkingen onderweg te voorkomen had hij bij die reisjes al snel de gewoonte aangenomen om bij Zevenaar te stoppen voor een kop koffie. Onopgemerkt deed hij daarbij een slaaptabletje in haar koffie waarna hij in alle rust de rit kon vervolgen.
Op een gegeven moment moest onze rijschoolhouder, dat was hij overigens allang niet meer, zijn rijbewijs inleveren omdat hij te vaak ‘in kennelijke staat’ zijn auto bestuurde. Als gevolg daarvan moest er een chauffeur gezocht worden voor die vakantieritjes naar Zwitserland en andere landen. Het ritueel van de koffie bij de grens met het slaaptablet voor mevrouw werd echter gehandhaafd. Dat moest natuurlijk een keer fout lopen en dat gebeurde dan ook. Tijdens het koffiedrinken verwisselde hij per ongeluk de kopjes met als gevolg dat niet mevrouw maar hij zelf in slaap viel. De chauffeur die toen dienst deed heeft dat geweten. Om de vijf minuten gaf ze hem opdracht om te stoppen omdat haar partner ziek was. “Stop, stop, we moeten onmiddellijk naar een dokter. Mijn man is niet goed geworden, hij is ziek.”
Later zijn ze, op zijn verzoek naar we mogen aannemen, getrouwd. Er werd beweerd dat zij toen al door de toverstaf van dokter Alzheimer was aangeraakt en de geschiedenis van haar
eerdere huwelijk zich daarmee herhaalde.
Verhalen, verhalen en nog meer verhalen. Maar het dak riep en met de lift gingen we op weg naar boven om eindelijk onze jeugdwens in vervulling te zien gaan.
Hoe het was? Geweldig ondanks de grauwe wolkenlucht. Vergeet m’n opmerking dat het gebouw met z’n 12 etages in het niet valt bij de reuzen die tegenwoordig all over the World gebouwd worden. Het uitzicht over Amsterdam was voor liefhebbers van de stad, want dat zijn Jos en ik, meer dan bijzonder en we konden er geen genoeg van krijgen.
Wat moet ik nog meer vertellen na deze ervaring? Dat de wolkenkrabber werd gebouwd voor het geringe bedrag van ruim een half miljoen? Harde guldens voor zover dat niet duidelijk mocht zijn en in die tijd als belegging nou niet het meest verstandige object.
De Kees Bakels van Theo Thijssen kocht ruim honderd jaar geleden de grote Pers – een postzegel – voor zeven en een halve cent in de veronderstelling dat deze minstens een gulden waard was. Of dat wel een verstandige belegging was kon ik niet nagaan. Theo Thijssen schrijft er niets over in de rest van zijn boek.
Van de wolkenkrabber weten we in ieder geval dat deze zestig jaar later door de toenmalige eigenaar voor 23 miljoen gulden verkocht werd aan Lou Bartels. (Inderdaad, penningmeester van Ajax in die tijd). Pas daarna zorgden de heren van de vastgoedhandel ervoor dat de waarde snel steeg en nog geen tien jaar later kocht Jan Dirk Paarlberg het voor 141 miljoen gulden. Wat de huidige waarde is weet ik niet. Vijf keer zoveel? Tien keer? Maar wat doet het er ook toe.
Onze jongensdroom was in ieder geval werkelijkheid geworden en laten we eerlijk zijn, zoiets is niet in geld uit te drukken.

23 november 2010
erJeetje


[begin]

Reageer!

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *