20 Jun 2018

Bijlage bij hoofdstuk 9 en 10

0 Reacties

DE SLEUTEL VAN DE ACHTERDEUR
Schoutenweg 2a

I VOORWOORD

Dit verhaal is de uitvoerige versie van het artikel dat in mei 2018 is verschenen in het Deventer Jaarboek. In het artikel Schoutenweg 2a, de sleutel van de achterdeur worden zowel de onderduikperiodes van Lou Jansen en zijn gezin op dit adres beschreven als de inval van de SD daar enige tijd na hun vertrek.

Lou Jansen maakte samen met Paul de Groot en Jan Dieters deel uit van de leiding van de illegale CPN. Op 20 juli 1940 verboden de Duitse autoriteiten de CPN en haar nevenorganisaties. Daarop doken de leiders van de illegale CPN onder: Jansen in Appelscha, Dieters in Deventer en De Groot in Eindhoven.

In juni 1941 huurde Bertus Webeling, een Amsterdamse communist, in opdracht van de partij een huis aan de Schoutenweg te Deventer. Deze woning moest als schuiladres dienen voor Lou Jansen en zijn gezin.
In najaar van 1941 werd het pand aan de Schoutenweg 2a betrokken. Bertus, zijn vrouw en hun dochtertje zouden er tot de inval van de SD op 7 februari 1943 wonen. De Jansens trokken bij hen in. Met een onderbreking in de lente van 1942 woonden zij er tot vlak voor de kerstdagen van 1942.

Het onderzoek voor bovengenoemd artikel leverde een schat aan informatie op, meer dan erin verwerkt kon worden. Vandaar dit uitvoeriger verhaal, dat tevens zal dienen als basis voor een nog te schrijven toneelstuk.

Tot slot een woord van dank aan Ruud Jansen, die het voor een groot deel meemaakte, er een boek over schreef en steeds weer bereid was mijn vragen te beantwoorden.

Johan van der Veen
Deventer
juli 2018

II INLEIDING

Op 4 maart 1943 schrijft een rechercheur van de gemeentepolitie Deventer een rapport over de verdwijning van twee kisten met lijfgoederen uit de woning van A.C. Webeling aan de Schoutenweg. Een kleine maand eerder, toen hij het pand na de inval van de SD verliet, waren die kisten er nog. Ze stonden in de gang bij de voordeur.
Hij sluit zijn rapport af met de mededeling dat hij de achterdeuraan de buitenkant op slot heeft gedraaid en de sleutel hierbij overlegt. De sleutel kwam terecht in het politiearchief. In 2016 kwam hij weer tevoorschijn en is de stille getuige van de twee periodes dat Lou Jansen, één van de leiders van de illegale CPN, met zijn gezin ondergedoken zat in Deventer.

Deventer had goede spoorwegverbindingen. De stad had een linkse traditie met krachtige arbeidersorganisaties die zich al vanaf de zomer van 1933 op niet mis te verstane wijze uitspraken tegen het fascisme en Hitler.1 Bovendien was er in de zomer van 1940 al een illegale CPN-groep ontstaan.2

III NEDERLAND 1939 – 1941

Economie en politiek
De crisis van 1929 trof Nederland hard. Het dieptepunt werd bereikt in de jaren 1932 – 1936. In de periode 1929 – 1935 daalde de invoer met 64,6% en de uitvoer met 64,5%. Het percentage werklozen steeg van 6,2% in 1929 naar 35,2% in 1936. In 1936 telde Nederland 480 000 werklozen.3

De verschillende kabinetten kozen voor een beleid van “aanpassing” en voor het handhaven van de gouden standaard. De overheidsuitgaven werden drastisch verlaagd en de waarde van de (te) dure gulden werd tot in 1936 gehandhaafd. Door dit laatste kon Nederland moeilijk met het buitenland concurreren. De sterke man was Colijn, die centrumrechtse of centrum kabinetten leidde.

In 1939 trad het Kabinet-De Geer II aan. Het was een centrumlinks noodkabinet met twee ministers van de SDAP. Dit kabinet kreeg te maken met de oorlogsdreiging en besloot daarom tot de mobilisatie van de strijdkrachten.4

De CPN
Op 10 mei 1940 viel Duitsland Nederland binnen. Voor veel leden van de CPN brak hiermee een korte, maar turbulente periode aan. Een deel van het partijkader was gemobiliseerd en een ander deel hield zich schuil voor de Nederlandse politie. Een aantal vooraanstaande leden van de CPN was de dag voor de Duitse inval gewaarschuwd dat zij opgepakt zouden worden. Toch werd een aantal communisten gearresteerd. Voor hen was de opsluiting met NSB’ers een vernederende ervaring. Weer andere communisten troffen meteen na de Duitse inval veiligheidsmaatregelen. In verschillende plaatsen werden de ledenlijsten aan onbekende communisten of sympathisanten in bewaring gegeven, marxistische publicaties werden verstopt of verbrand, type- en stencilmachines naar veilige adressen gebracht.5

Op 15 mei kwam het partijbestuur van de CPN voor het eerst bijeen om zich te beraden op de nieuwe toestand. Alle aanwezigen waren het erover eens dat er een tweesporenbeleid gevolgd moest worden: enerzijds legale mogelijkheden benutten en tegelijk voorbereidingen treffen voor de illegaliteit. Ook werd er besloten om het uit vijf leden bestaande vooroorlogse partijsecretariaat terug te brengen tot een driemanschap: Paul de Groot, Jan Dieters en Lou Jansen. De andere twee leden moesten zich terugtrekken en werden met nog een aantal partijbestuurders “in reserve” geplaatst. Zij moesten zich van elke partijactiviteit onthouden en zo mogelijk een legaal leven leiden.6

In de eerste maanden na de Duitse inval bleven legale activiteiten mogelijk. De partijleiding onderhandelde wekenlange met de Duitsers over het legaal uitgeven van Het Volksdagblad en Politiek en Cultuur. Dit laatste periodiek verscheen in de tweede helft van juni weer legaal. Rond die tijd kwamen de eveneens door een verbod getroffen bladen van verwante organisaties met een legaal nummer uit: De Sowjet-Unie van de VVSU (Vereniging Vrienden van de Sovjet-Unie), Vrouwen van de Vrouwenbeweging tegen de oorlog en Stormvogel van de NJF (Nederlandse Jeugd Federatie). Toen de door het Nederlands militair gezag uitgevaardigde publicatieverboden werden opgeheven, maakte de partijleiding van de gelegenheid gebruik om Het Volksdagblad legaal uit te brengen. Op 26 juni verscheen de krant weer.7

Het driemanschap dat leiding aan de partij gaf, was in die tijd nog niet ondergedoken. In juni 1940 konden Lou Jansen en zijn vrouw zich nog vrij met hun vrienden Elske en Jo de Smit in Zandvoort bewegen. Kennelijk bood het Pact tussen de Sovjet-Unie en Duitsland een vorm van bescherming.8

De dag na het verschijnen van het Volksdagblad besloten secretaris-generaal van justitie Tenkink en de procureurs-generaal alle communistische bladen te verbieden.9

Begin juli 1940 kwam in het partijgebouw Parlando het “beperkte” partijbestuur bijeen: alleen de illegaal in te schakelen partijbestuurders. Vooruitlopend op het verbod van de partij werd besloten de legale partij te ontbinden. Voor de coördinatie van de opbouw van de illegale partij in de verschillende districten werden instructeurs aangewezen. Na de vergadering werden zij door de leden van het driemanschap benaderd. Eén van hen was Joop Geerligs.

Op 20 juli werd de CPN door de Duitsers verboden. De volgende dag werd er een vergadering gehouden met de instructeurs erbij. Het was de laatste zitting van de partijleiding in uitgebreide vorm. Tussen de leden van het driemanschap werd een taakverdeling afgesproken: Paul de Groot kreeg de algemene leiding en de redactie van uit te geven teksten; Jan Dieters en Lou Jansen gingen het instructiewerk coördineren: Jansen voor Amsterdam en Dieters voor de overige districten. Geerligs werd instructeur voor de IJsselstreek. Hij viel dus onder Dieters, die hem onder meer in contact bracht met Toon Kleinbussink in Deventer. Na deze vergadering dook het driemanschap onder.10

De onderduik van Jansen in Appelscha, van Dieters in Deventer en van De Groot in Eindhoven wijst erop dat men in het begin een geografische spreiding nastreefde.11

De illegale Waarheid begon op 23 november 1940 te verschijnen. De krant verscheen tweewekelijks en landelijk. Dit was mogelijk, omdat de communisten toen al een landelijke illegale organisatie hadden opgebouwd. Tot februari 1943 functioneerde het landelijk krantenapparaat ononderbroken.12

Het driemanschap en hun gezinnen veranderden regelmatig van onderduikadres. Ze ontmoetten elkaar in Amersfoort of in Deventer bij de zus van Dirkje Mandemaker, die sinds 1938 een verhouding met Jan Dieters had. In het voorkamertje van Douwelerstraat 29, werd begin februari 1941 besloten tot de massa-acties die uitmondden in de Februaristaking. In Amsterdam schreef Lou Jansen enkele dagen voor de staking de bekende stakingsoproep.13
Begin 1941 kreeg Bertus Webeling, een Amsterdamse communist, het verzoek van de partijleiding om ergens buiten de stad, op de Veluwe een schuiladres in te richten voor Lou Jansen en zijn gezin.

III DE FAMILIES

Webeling
Albertus Christiaan (Bertus) Webeling werd op 4 juni 1913 in Amsterdam geboren. Hij was de zoon van Willem Webeling en Christina Alberta Beenke. Hij was het tweede kind in het gezin. Hij had een oudere zus Elisabeth en 4 jongere broertjes en zusjes. Vader was letterzetter van beroep.14

Bertus trouwde op 8 september 1937 met Guurijna Maria (Reina) Hoeijenbos, die op 21 juni 1912 in Utrecht was geboren. Hun dochter Christina (Tineke) werd op 8 december 1938 geboren. Bertus was zelfstandig timmerman van beroep.15

Bertus volgde de lagere school met het 7e en 8e leerjaar.16 Daarna ging hij aan de slag bij een houthandel in de Pieter Pauwstraat (Amsterdam, wijk De Weteringschans). Daar heeft hij gewerkt totdat hij in militaire dienst moest. Via zijn katholieke werkgever ging hij ’s avonds naar het Instituut voor Uitgebreid Nijverheidsonderwijs, een onderdeel van de St. Jozef Gezellenvereniging. Daar volgde hij vier jaar lang een cursus voor de akte vaktekenen.

De vader van Bertus was niet politiek georganiseerd, maar wel proletarisch ingesteld. Bertus is niet lid geweest van de Communistische Jeugdbond. Wel bezocht hij de Marxistische Arbeidersschool aan de Prinsengracht.

In 1933 na zijn diensttijd was Bertus werkloos. Hij volgde een cursus Esperanto in Amsterdam-West. Op die cursus is hij in 1937 geworven als lid van de CPN. Zijn vader volgde hem ongeveer een jaar later.17 In die periode ging Bertus voor de partij timmeren. Hij werd lid van de technische brigade die voor congressen onder meer de podia in elkaar zette. Hij werkt er samen met Jan en Gerrit Jansen, broers van Lou.

Bertus was als CPN-lid actief binnen de bedrijfsgroepen. Ook stencilde hij scholingsmateriaal en hij maakte er de omslagen voor.

In de periode 1933-1936 woonde Bertus met zijn ouders in de Mercatorstraat (Amsterdam, wijk Van Galenbuurt). Ze woonden op 155, drie hoog. Het gezin van Lou Jansen woonde op de etage onder hen. In 1936 verhuisde het gezin Webeling naar de Bennebroekstraat (Amsterdam, Hoofddorppleinbuurt). In september 1936 vestigde Bertus zich in de Van Spilbergenstraat 66, twee hoog (Amsterdam, wijk Hoofdweg e.o).18 In dit huis woonde hij, later samen met zijn vrouw en dochtertje, tot hun vertrek naar Deventer.

Tijdens de mobilisatie lag Bertus in de Eemlinie. Na de capitulatie vertrokken de soldaten vanuit de linies naar Amersfoort. Bertus werd vervolgens op transport gesteld naar een opvangkamp in de buurt van schutsluis ’t Hemeltje aan de Vecht. Hij werd uit dienst ontslagen, toen hij kon aantonen dat hij werk had. Bertus ging als timmerman aan de slag op marinevliegkamp Schellingwoude. Daar timmerde hij manschapsverblijven op rijnaken.
Kort voor de Februaristaking ging hij aan het werk bij een grote houthandel in Zaandam. Tijdens die staking werd ook op de houthandel het werk neergelegd. Bertus ging naar het vliegkamp Schellingwoude om te kijken wat daar aan de hand was. Daar werd eveneens gestaakt. Hij werd samen met anderen door de leiding weggestuurd. De volgende dag was de staking voorbij en Bertus kon weer op het marinevliegkamp aan de slag, omdat de stakers daar waren ontslagen. Bertus werkte amper. Hij fietste zes tot zeven weken over het grote terrein rond en zamelde geld in voor de ontslagen stakers. Dat geld bracht hij naar Henk Gortzak, die voor de verdeling zorgde.

Jansen
Louis (Lou) Jansen werd op 28 maart 1900 in Amsterdam geboren. Hij was de zoon van Berend Jan Jansen en Jacoba Johanna Naves. Zijn vader had een timmermansbedrijf. Lou was een nakomertje. Toen hij werd geboren telde het gezin Jansen 6 kinderen. Twee kinderen waren toen al op jonge leeftijd overleden.19

Anders dan zijn broers, die net als hun vader timmerman werden, was hij voorbestemd om door te leren. Na de MULO werkte hij eerst een aantal jaren bij verschillende werkgevers op kantoor. Daarna was hij voor diverse bedrijven vertegenwoordiger en handelsreiziger. Begin 1930 werd hij als gevolg van de grote economische crisis werkloos.20

Lou Jansen huwde op 27 juni 1925 met Fimke Bakker. Zij was de dochter van een kleine schipper uit Friesland. Het vrachtscheepje van haar vader had geen motor en daarom werd ze al op heel jonge leeftijd voor het dagelijkse werk ingeschakeld. Bij windstilte hielp ze haar vader en haar broer in een trektuig op het jaagpad langs de vele kanalen in Friesland, Groningen en Drenthe. Ze ging niet of nauwelijks naar school. Fimke had twee kinderen, toen ze met Lou trouwde: een zoon Fimme, die in oktober 1925 overleed, en een meisje, Johanna (Jopie) genaamd.21 Lou Jansen en Fimke, die zich inmiddels Fennie was gaan noemen, kregen samen drie kinderen: Frederik (Fred), Sonja en Louis (Loekie). Rudolf (Ruud) werd op 5 augustus 1933 uit een kortstondige verhouding van zijn moeder met een andere man geboren.22

In 1929 werd Lou lid van de communistische partij. Binnen enkele jaren zat hij in het landelijke partijbestuur.23 In 1935 werd hij gemeenteraadslid van Amsterdam en lid van Provinciale Staten van Noord-Holland. In 1939 werd hij als raadslid herkozen.24 In 1938 werd hij lid van het partijsecretariaat, het dagelijks bestuur van de partij.25

Na de huwelijksvoltrekking woonde het gezin Jansen op verschillende adressen in Amsterdam. In oktober 1933 verhuisden ze naar de Mercatorstraat 155, twee hoog, waar ze bleven wonen totdat ze moesten onderduiken.26

IV DEVENTER27

Een huis in Deventer
In 1941 na de Februaristaking stuurde het partijbestuur koerier Sem Lobo naar Bertus Webeling, die toen met zijn gezin in de Van Spilbergenstraat in Amsterdam woonde. Lobo deelde mee dat er een gezin werd gezocht dat buiten de stad, op de Veluwe wilde gaan wonen om daar onderdak te verschaffen aan het gezin van Lou Jansen. Kort daarop kwam er een andere koerier, Gerrit van den Bosch, op bezoek en met hem ging Bertus naar Apeldoorn op zoek naar een woning. Toen dat niet lukte, zijn ze de dag daarop verder gaan zoeken. In Deventer kwamen ze bij een makelaar terecht die een huis te huur had. Diezelfde dag werd er nog een contract opgemaakt, dat ergens in juni 1941 inging. Op deze manier werd Bertus huurder van Schoutenweg 2a.

Bertus werd voor dit werk uitgekozen, omdat hij Lou Jansen en zijn gezin kende en omdat hij relatief onbekend was. Als CPN-lid was hij niet actief in een afdeling, maar in het zogenaamde bedrijvenwerk.

De eigenaresse
In 1932 was Henriëtte Boltjes eigenaresse van Schoutenweg 2a geworden.28 Zij was de oudste dochter van Gerrit Boltjes die een winkel in rietwerk op de Brink dreef. Toen haar moeder in 1902 overleed, bleef vader met 4 dochters achter. Henriëtte was toen 14, haar zusjes 12, 11 en 5 jaar oud. Henriëtte woonde omstreeks 1914 nog steeds bij haar vader en jongste zusje.29 In 1927 werd dit zusje, dat intussen onderwijzeres was geworden, doorgehaald op de gezinskaart van Gerrit en bijgeschreven op de gezinskaart van haar man. Op dat moment staat Henriëtte nog steeds “zonder beroep” bij haar vader op de gezinskaart.30 Uit het voorafgaande zou geconcludeerd kunnen worden dat Henriëtte na het overlijden van haar moeder voor haar vader en de kinderen was gaan zorgen. Dat zij in 1932 eigenaresse van Schoutenweg 2a werd, was mogelijk een belegging voor haar oude dag. Want op de woningkaart die vanaf september 1936 werd bijgehouden komt ze niet als bewoonster voor.31 In december 1939 werd de zaak van Gerrit Boltjes opgeheven.32 Gerrit Boltjes overleed op 31 januari 1948.33 In de overlijdensadvertentie staat als adres van de overledene Rozenstraat 59.34 Dochter Henriëtte staat er zonder man of kinderen onder. In het adresboek van Deventer 1949-1950 is Henriëtte op dit adres woonachtig.35

Epse
Het gezin Jansen verbleef in de periode augustus – november 1940 in Appelscha. Daarna zaten ze enige tijd in Eerbeek ondergedoken. Aan de vooravond van de Februaristaking woonden Lou en zijn gezin op de Badhuisweg te Apeldoorn. Lou vertoefde de dagen voor de staking bij de familie De Smit op de Westlandgracht (Amsterdam, wijk Hoofddorppleinbuurt) waar hij de stakingsoproep schreef. In de vroege ochtend van 25 februari 1941 vertrok hij met de tram, die toen nog reed, en de trein naar Apeldoorn. Die avond nog bracht een koerier hem in Apeldoorn verslag uit van de eerste stakingsdag.36 De Jansens bleven een aantal maanden in Apeldoorn, tot hun vertrek naar Epse.

Intussen had Bertus Webeling het huis in Deventer gehuurd. Bertus was voorzichtig. Hij wist niet wie er tijdens en in de nasleep van de Februaristaking waren opgepakt, en wat er mogelijk over hem bij de Duitsers bekend was. Daarom werd het huis in Deventer niet meteen betrokken. In overleg met de Jansens werd er eerst een zomerhuisje in Epse gehuurd: Zomerlust. In Deventer en in Amsterdam, waar Bertus en zijn gezin nog steeds officieel stonden ingeschreven, was het “vakantieadres” in Epse natuurlijk niet bekend. En mensen die tijdelijk een zomerhuisje huurden, werden uiteraard niet in het bevolkingsregister opgenomen.

Bertus had de verhuurder verteld, dat hij er met zijn vrouw en drie kinderen zou gaan wonen. De verhuurder was dan ook onaangenaam verrast, toen bleek dat zijn vakantiehuisje door 2 gezinnen met in totaal 6 kinderen werd bevolkt.

Ruud herinnert zich twee dingen uit die periode: hoe hij ‘s morgens de bezorger van de Telegraaf opwachtte om de strip van Tom Poes en heer Bommel te bemachtigen; en hoe er bij een boer in de omgeving aardbeien werden gekocht.

Bertus ging af en toe naar Amsterdam en vroeg dan bij buren of er wel eens naar hem werd geïnformeerd. Toen dat niet het geval was, werd de verhuizing naar Deventer geregeld, waarschijnlijk in de herfst van 1941. Bertus bleef echter voorzichtig. Het huis op de Van Spilbergenstraat werd nog langer dan een half jaar aangehouden en voorzichtigheidshalve bleven de gordijntjes hangen. Op de gezinskaart van Bertus Webeling staat dat het gezin op 27 mei 1942 werd uitgeschreven. De woningkaart in Deventer laat zien dat ze op dezelfde datum in Deventer op het adres Schoutenweg 2a werden geregistreerd.37 Het beroep van Bertus was op dat moment kunstschilder.38

Twee gezinnen
Ruud, één van de vijf kinderen van het gezin Jansen, beschrijft in zijn boek Voordat ik het vergeet zijn verblijf op het onderduikadres Schoutenweg 2a, tegenwoordig 93. Hij schrijft dat hij als kind tweemaal met zijn ouders in hetzelfde huis in Deventer heeft gewoond. Beide keren woonden ze er met Bertus Webeling, zijn vrouw Reina en hun dochtertje Tineke. Het was een vrijstaand huis, aan de rand van de stad, met een kleine voor- en achtertuin. Wie nu langs Schoutenweg 93 loopt, herkent het huis onmiddellijk.

In de lente van 1942 werd het verblijf in Deventer onderbroken. Ruud herinnert zich een periode van een maand in een grote villa te Barchem, samen met het gezin Webeling. Bertus en Reina herinneren zich een zomerhuisje, De Meerkoetjes genaamd.

Achteraf verwondert Ruud zich erover dat het huis op de Schoutenweg als onderduikadres was gekozen. Een familie met vijf kinderen die daar ineens neerstreek. Een vader die vaak op pad was en kinderen die niet naar school gingen of een baan hadden. Zoiets zou toch moeten opvallen. Met aan alle kanten buren – en er moeten ongetwijfeld foute Nederlanders in de buurt gewoond hebben – moet de kans op ontdekking toch heel wat groter geweest zijn dan op het platteland. Aan de andere kant ging je in Deventer makkelijker op in de massa.

Veel mensen op een kleine ruimte en de voortdurende vrees om opgepakt te worden, leidde tot spanningen. Lou Jansen had last van maagklachten en slikte daar poeders tegen. Reina en Fennie Jansen maakten regelmatig ruzie, over zaken die varieerden van de opvoeding van de kinderen tot het gebruik van de keuken. Dat resulteerde in huilpartijen, hoofdpijnaanvallen van Reina, verzoeningspogingen en een gespannen rust tot aan de volgende ruzie.

Bertus was een creatieve man. Hij fotografeerde en schilderde. Op de zolder was een donkere kamer ingericht. Ruud vermoedt dat de fotografische bezigheden alles te maken hadden met het vervalsen van persoonsbewijzen en andere documenten. Omdat alle kamers van het huis bezet waren, was de zolder een ideale plaats voor allerlei activiteiten. Ruud en zijn jongere broertje hadden er een afgeschermd speelhol gemaakt en verder werd de ruimte door Bertus en de oudste broer van Ruud gebruikt als een soort fitnessruimte. Elke dag waren die twee er wel een half uurtje bezig met boks-oefeningen op een grote zandzak. En om hun arm- en schouderspieren sterker te maken, hadden ze een stel trekveren aangeschaft. De avonden werden doorgebracht met lezen, sjoelen, monopoly en bridge. Voor dit laatste spel waren Ruud en zijn jongste broer nog te klein.

De strenge winter
Ruud schrijft dat hij in Deventer een strenge winter heeft meegemaakt, waarin hij op de vijvers van het stadspark leerde schaatsen. Dat was de winter van 1941/42. Moeder kocht in een opwelling in de stad een paar houten schaatsjes.

Het was een winter waar geen einde aan scheen te komen. Er werd ook gesleed, op een houten model van het merk Davos. Kort na aankoop raakte Bertus of de oudste broer van Ruud er een boom mee. Daardoor brak één van de glijders. Bertus lijmde deze met beenderlijm en versterkte het geheel met een schroef.
Na het verblijf elders, in de lente van 1942, werden de zomer en het najaar weer in Deventer doorgebracht. Wederom bij het gezin Webeling.

Razzia van de Schalkhaarders
De zomer is Ruud bijgebleven, omdat ze vaak op de fiets naar het zwembad gingen, het Borgelerbad. Ruud en zijn jongste broer zaten dan achterop bij moeder. In dit zwembad oefende het Politie Opleidings Bataljon Schalkhaar, dat berucht was vanwege zijn hand- en spandiensten voor de Duitse bezetter. Op een middag gingen de rekruten na het zwemmen en zonnen over tot een bliksemrazzia. Moeder was ontzettend bang, omdat ze een vals persoonsbewijs had. Ze vluchtten een badhokje in, kleedden zich om en wisten uiteindelijk in een groep geschrokken zwemmers door een zijdeur te vluchten.

Ruud herinnert zich dat hij ook een keer op een druilerige middag met zijn moeder en zusters mee moest naar het zwembad in de IJssel aan de overkant bij de Schipbrug. Hij vond het maar niks, want er was geen ondiep bad voor mensen die het zwemmen nog niet onder de knie hadden.

Blindedarmontsteking
In Deventer vonden ook gebeurtenissen plaats die het leven er niet eenvoudiger op maakten. Er ontstond een heel groot probleem, toen zus Sonja blindedarmontsteking kreeg en met spoed moest worden opgenomen. De operatie verliep zonder complicaties, maar het inschrijven in de administratie van het ziekenhuis riep een groot aantal vragen op. Waar waren de ziekteverzekering en de stamkaart? Bij ieder bezoek werd ernaar gevraagd. En iedere keer werd de strenge hoofdzuster beloofd dat ze er bij het volgende bezoek aan zouden denken.

Ongeluk op de Ceintuurbaan
Op een middag was de sfeer om te snijden. Moeder Jansen, die boodschappen was gaan doen, kwam maar niet thuis. Vader Jansen ijsbeerde ongeduldig door de kamer en overlegde met Bertus over wat hun te doen stond: blijven wachten of het huis verlaten. Want als ze opgepakt was, dan zouden de Duitsers natuurlijk binnen de kortste tijd voor de deur staan. Tegen etenstijd kwam ze eindelijk aanzetten. Opluchting en stemverheffingen.

Onderweg, op de Ceintuurbaan, had ze een ongeluk gezien. Er werd een klein meisje aangereden door een auto van de Wehrmacht, die gevestigd was in de ULO aan die straat. Zij zag het meisje roerloos op straat liggen en stormde op haar af. Vervolgens stapte ze met het meisje en haar moeder in de auto van de Wehrmacht en reden ze naar het ziekenhuis. De politie arriveerde na 50 minuten op de plaats van het ongeval. Volgens De Koerier van vrijdag 20 november 1942 is het meisje de vijfjarige dochter van de familie R., woonachtig op de Putmanstraat.39 Het onoplettend overstekende meisje werd die middag om tien voor twee aangereden door Gefreiter Geveke. Ze werd met een hersenschudding in het Sint Geertruiden Ziekenhuis opgenomen. Moeder Jansen bleef totdat duidelijk was hoe de toestand van het kind ervoor stond. Om geen argwaan te wekken, werd afgesproken dat ze voorlopig contact met de moeder en het kind zou onderhouden.

In het politiearchief van Deventer bevinden zich vier getuigenverklaringen. Een van de getuigen verklaart dat hij dokter Schoorl in de Duymaer van Twiststraat heeft gewaarschuwd. Van dokter Schoorl is een verklaring aanwezig dat het kind na een autoaanrijding met een hersenschudding in het Sint Geertruiden Gasthuis of Ziekenhuis werd opgenomen.40

Politie aan de deur
Op een avond in de winter stond de politie ineens aan de deur. Deze gebeurtenis speelde zich af tijdens een toespraak voor de radio. Waarschijnlijk werd die toespraak via Radio Oranje uitgezonden. Het was verboden naar deze zender te luisteren. De toespraak was kennelijk zo belangrijk dat Lou Jansen een paar andere mensen uit het verzet op bezoek had om deze stenografisch vast te leggen. Waarschijnlijk om de toespraak daarna af te drukken en te verspreiden.

De mannen mochten niet gestoord worden. Daarom werden Ruud en zijn broertje onder het toeziend oog van zus Sonja in de keuken neergezet. Buiten was het vanwege de verduisteringsvoorschriften aardedonker.

Rond half negen gebeurde het. Ruud, zijn broertje en zijn zus zaten in de keuken te lezen. Op de achtergrond zacht geroezemoes in de woonkamer. Opeens ging de bel. De kinderen keken elkaar geschrokken aan. Wie zou er nog zo laat aan de deur komen? Na een paar seconden ging de keukendeur open en kreeg Sonja van haar vader de opdracht om de voordeur open te doen.

Toen ze dat deed, kreeg ze de schrik van haar leven. Voor de deur stonden twee agenten die meldden dat er door een kier in het verduisteringsgordijn licht naar buiten scheen. Of er voor gezorgd kon worden dat de kier werd dichtgemaakt. En met een goedenavond verdwenen ze weer in de duisternis. De radio die in de haast was verstopt, werd opnieuw tevoorschijn gehaald en aangezet. En terwijl Ruud en zijn broertje weer met Sonja naar de keuken moesten, werd er verder geluisterd.

Het vriendje
Tijdens het tweede verblijf in Deventer was Ruud bevriend geraakt met een jongen van zijn leeftijd. Hij woonde in het huis tegenover hem en was een zoon van de directeur van de Katholieke ULO in de Smedenstraat.41 Als zijn vriendje vrij was, speelden ze op straat en stookten ze fikkies op een braakliggend landje in de buurt.

Bij zijn vriendje thuis hadden ze een echt aquarium. Omdat Ruud dat erg mooi vond, kreeg hij op een gegeven moment een grote glazen pot met waterplanten en een echt visje mee. Lang hield het visje het niet vol in de te kleine pot, maar Ruud genoot er wel van.

Lou en Fennie Jansen waren niet bepaald gelukkig met dit soort vriendschappen, omdat de veiligheid van de beide gezinnen erdoor in gevaar kon komen. De jongen van de overkant zou wel eens kunnen vragen naar welke school Ruud ging, wat zijn vader deed en waar het gezin vandaan kwam. Vandaar dat Ruud instructies kreeg hoe hij op zulke vragen moest antwoorden.

Ten aanzien van het schoolbezoek was die instructie eenvoudig. Omdat Ruud niet naar school kon, moest hij zijn vriendje vertellen, dat hij naar een school aan de andere kant van de stad ging. En om geen argwaan te wekken, werden er plannen gemaakt om ’s ochtends vroeg het huis te verlaten om zogenaamd naar school te gaan. De problemen losten zich echter vanzelf op, omdat het gezin uit Deventer moest vertrekken.

Vertrek uit Deventer
Kort voor het vertrek uit Deventer waren Fred en Bertus druk bezig om kartonnen figuren te maken waarvan de schaduwen door middel van een lichtbundel op een scherm konden worden geprojecteerd. Tot een voorstelling is het nooit gekomen.

In de nacht van 14 op 15 oktober 1942 ontsnapte Paul de Groot ternauwernood aan arrestatie in villa Woudrust te Gorssel. Zijn vrouw en dochter werden gearresteerd.42 Volgens Bertus kenden zeker twee mensen het adres in Deventer. Een van hen was Jan Janzen, die als spil van het landelijk Waarheid-apparaat fungeerde. Het werd te gevaarlijk. Vóór de kerstdagen vertrok het gezin: de twee meisjes naar Velp en de anderen naar Eerbeek. Daar werden Lou, zijn vrouw en de drie jongens op 6 april 1943 gearresteerd.

Wachtdienst
Bertus en zijn gezin bleven in Deventer. Zij stonden officieel als inwoners ingeschreven. Als burger van de stad moest Bertus wachtdiensten verrichten bij objecten die van militair belang waren. Tot die maatregel waren de Duitser overgegaan nadat er in het najaar van 1942 in Deventer en omgeving aanslagen waren gepleegd. Bertus schatte in dat een plotseling en onaangekondigd vertrek wel eens veel argwaan zou kunnen wekken. Bovendien was het ook nog mogelijk dat Lou Jansen en zijn gezin op basis van loos alarm waren vertrokken. Hij had er moeite mee om een goed schuiladres zo maar te verlaten.

Inval van de SD
Op zondag 7 februari ging Bertus op weg naar het te bewaken object. Hij bleek reserve te zijn. En omdat er niemand afwezig was, mocht hij weer terug naar huis. Voor achten was hij weer terug op de Schoutenweg. Hij zette zijn fiets in het gangetje naast het huis en ging naar boven. Toen hij een paar minuten in de slaapkamer was, hoorde hij het geronk van een motor. Aangezien motoren een zeldzaamheid waren, was Bertus meteen op zijn hoede. Hij keek door het gordijn en zag een motor met zijspan met drie soldaten. De man in de zijspan sprong eruit, liep naar de overkant en keek naar het huis. Bertus wist meteen dat het mis was. En hij wist ook dat ze hem niet in handen mochten krijgen, omdat hij teveel wist.

Bertus had voor noodgevallen een schuilplaats onder de vloer gemaakt. Het luik zat in de kamer en was zo geconstrueerd dat hij het ook kon sluiten als hij alleen was. Voor de brievenbus had hij een donkere lap gehangen, niet om het licht tegen te houden, maar om te voorkomen dat men door de brievenbus kon kijken. Terwijl de SD’ers op de deur stonden te bonken, liep hij de trap af, ging de kamer in en verdween door het luik. Zijn vrouw kwam achter hem aan, zette er mogelijk een stoel op en deed open. De drie mannen van de SD kwamen binnen en daarna nog 10 militairen. In de loop van de ochtend werd een rechercheur van de Deventer politie naar het huis gezonden om samen met iemand van de SD Reina en Tineke te bewaken.43

De SD was op 6 februari kort voor middernacht het adres in Deventer te weten gekomen. Op 3 januari was Jan Janzen opgepakt. Janzen wist de uiterst brute ondervragingen twee etmalen vol te houden. Dit was de regel binnen de illegaliteit om anderen de gelegenheid te geven te verdwijnen. Toen volgde de onthulling van de schuilnaam van Lou Jansen en van zijn adres in Deventer.44

Onder de vloer
Het was een koude dag. Bertus kroop zover mogelijk weg van het luik, de erker in. Hij hoopte, dat hij dan onzichtbaar zou zijn, als de Duitsers het luik zouden vinden. Daar ging hij liggen. Drieëndertig uur lang hield hij zich er schuil en hoorde hij wat er boven hem werd gezegd en gerommeld. Na de oorlog heeft Reina, die regelmatig werd ondervraagd, hem nog veel bijzonderheden verteld.

Na een paar uur gingen de soldaten boven zich vervelen. Ze begonnen te sjoelen. Dat kwam Bertus goed uit. Want het was beneden benauwd en koud. Hij kon nu af en toe wat kuchen. In de loop van de dag vertrokken de soldaten en bleven er waarschijnlijk twee functionarissen achter: iemand van de SD en de al genoemde rechercheur. Zij bleven de rest van de dag, de avond en de nacht.

Bezoek
In de loop van de dag kwam een zwager van Bertus langs. Reina, die even naar boven was gegaan, zag hem vanuit het raam en wist hem een seintje te geven dat hij door moest lopen. Weer later stonden een zuster en een zwager voor de deur. Zij belden niets vermoedend aan, kregen een “blaffer” onder hun neus geduwd en moesten de hele avond en de hele nacht blijven. De bewakers van Reina spraken het vermoeden uit dat ze gekomen waren om Bertus te waarschuwen. Zij beweerden daarentegen stellig dat ze naar Deventer waren gekomen om met Bertus te overleggen over de situatie in de familie. Want er waren bij verschillende familieleden invallen geweest. Bij de inval in de Woestduinstraat (Amsterdam, wijk Hoofddorppleinbuurt), bij de moeder van Bertus, waren zijn beide broers aangehouden en meegenomen. De bewakers accepteerden dit verhaal. Bertus’ zus en zwager mochten de volgende morgen gaan. Voor Reina, en later ook voor Bertus, was het een raadsel waarom ze waren gekomen en vooral hoe ze hen hadden gevonden. Ze hadden hun adres namelijk nooit aan familieleden meegedeeld.

Belangrijke informatie
Terwijl Bertus onder de vloer zat, hoorde hij dat er boven hem werd gepraat over het bewaken van het station en over een schuiladres in Barchem. Op dat adres hadden de Jansens, mogelijk met Bertus en zijn gezinsleden, al eerder een maand ondergedoken gezeten. Het was niet onwaarschijnlijk dat het gezin Jansen daar of misschien in Eerbeek verbleef.

Reina verhoord
Op maandag 8 februari, om 13.00 uur, bracht de rechercheur die op 4 maart 1943 het rapport over de verdwenen kisten zou schrijven, Reina Webeling met de vierjarige Tineke naar het bureau. Op verzoek van de SD verhoorde hij haar in de loop van de middag. Hij werd niet veel wijzer, omdat Reina het volgende verklaarde:

“Vanaf Juli 1942 heeft een zekere Lodewijk JANSMA met zijn vrouw en vijf kinderen bij ons ingewoond. Op Woensdag 3 Februari 1943 omstreeks 15.00 uur is JANSMA vertrokken. Hij heeft mij niet medegedeeld, waar hij naar toe ging. Zijn vrouw is op Zaterdag 6 Februari omstreeks 10.00 uur met haar kinderen vertrokken. Ook zij heeft mij niet medegedeeld, waar zij naar toe ging. Op zaterdag 6 Februari 1943 omstreeks 12.30 uur is mijn man voor zaken op reis gegaan. Waar hij naar toe ging weet ik niet. Dit heeft hij mij ook niet medegedeeld. Ik bemoei mij nimmer met zijn zaken.

Het komt wel vaker voor, dat hij eenige dagen op reis is, zonder thuis te komen. Ik kan U alzo niet inlichten omtrent de verblijfplaats van het gezin JANSMA en mijn man.”

Tineke en Reina werden op dinsdag 9 februari om 7.40 uur door twee agenten afgehaald van het bureau. Tineke werd ondergebracht bij familieleden in Amsterdam. Reina werd op transport gesteld naar de SD in Rotterdam.45

Naar Eerbeek
Intussen luisterde Bertus aandachtig of er boven hem nog iets bewoog. Toen het stil bleef, ging hij op zoek naar het luik. Hij opende het en kroop naar boven. Omdat het schuiladres in Barchem was genoemd, wilde hij Lou Jansen en zijn gezin waarschuwen.

Hij ging niet meteen op pad. Want toen hij in de spiegel keek, staarde hem een man met een zwarte “smoel” en een baard van twee dagen aan. Hij moest zich scheren en wat fatsoeneren. Terwijl hij daarmee bezig was, merkte hij dat er een militair rond het huis reed. Bertus stelde bij benadering vast hoelang het rondje door de buurt duurde. Toen de kust veilig was, trok hij zijn jas aan en pakte hij een hoed van de kapstok, waarschijnlijk een hoed van Lou Jansen. Bertus droeg namelijk geen hoeden. Hij zette de hoed op, bracht de fiets, die binnen was gezet, naar buiten, deed het hekje open en fietste de duisternis in.

Bertus fietste naar een groenteboer Achter de Muren, waar eens per week groente werd gehaald en waarvan bekend was dat hij anti-Duits was, maar verder nergens iets mee te maken had. Bij deze groenteboer werd hij hartelijk ontvangen. Hij dronk er koffie en kreeg een tarwebrood mee voor onderweg, dat hij bij wat kleren in de fietstas stopte.

Hij fietste naar het onderduikadres in Eerbeek. Daar trof hij Fennie Jansen en de jongens aan. De meisjes zaten op dat moment in Velp. Hij waarschuwde Fennie dat er in Barchem gevaar dreigde.

Amsterdam
Vervolgens vertrok Bertus naar Amsterdam. Hoe is niet helemaal duidelijk. Hij stapte in ieder geval niet in Deventer op de trein, omdat hij gehoord had dat het station werd bewaakt. Omdat hij vermoedde dat er ook op het station in Amsterdam naar hem werd uitgekeken, stapte hij in Abcoude uit om vervolgens op de fiets naar Amsterdam te gaan. Bertus had een contactadres in Amsterdam: de familie De Smit op de Westlandgracht. Hij was daar verschillende keren geweest om boodschappen over te brengen. Hier wordt het verhaal van Bertus wat de volgorde der gebeurtenissen betreft onduidelijk. Hij vertelt dat hij een afspraak had op de hoek van de Amstelveenseweg bij de kerk. Toen hij op de fiets aan kwam rijden, zag hij daar een Duitse militair staan. Bertus reed een rondje om het plein, zette z’n fiets aan de overkant neer en ging lopend te situatie verkennen. Al snel kwam hij tot de conclusie dat deze militair niet op hem stond te wachten. Hij liep terug naar zijn fiets, maar die was er niet meer. Gejat met z’n brood en z’n ondergoed.

In het donker begaf Bertus zich naar de Westlandgracht. Op het adres van de familie De Smid trof hij Lou Jansen aan.

Ondergedoken
Bertus werd door de partij op een onderduikadres in Huizen ondergebracht. Daar is hij veertiendagen gebleven. De familie was bang en nerveus. Bertus vond het daarom raadzaam te vertrekken en weer terug te gaan naar Amsterdam. Een jaar lang wisselde hij om de paar weken van onderduikadres. Die adressen koos hij zelf uit, omdat hij weinig vertrouwen in de adressen van de partij had. Uiteindelijk kon hij terecht bij zijn zuster op de Aalsmeerweg in Amsterdam (wijk Hoofddorppleinbuurt). Hij verbleef daar op zolder en sliep ‘s nachts met een touwtje om z’n grote teen, zodat hij bij onraad tijdig vanaf een verdieping lager gewekt kon worden.46

De koffers
Op 15 februari deelde de SD te Arnhem telefonisch mee dat de kisten die nog in het pand Schoutenweg 2a stonden, naar Arnhem moesten worden gestuurd. Het dagrapport vermeldt dat daartoe opdracht is gegeven.47

Op 17 februari stuurt de waarnemend commissaris van politie een opsporingsbericht voor Bertus Webeling naar het Algemeen Politieblad:

“De commissaris van politie te Deventer verzoekt aanhouding, opsporing en voorgeleiding van:
Albertus Christiaan WEBELING, geboren te Amsterdam 4 juni 1913, kunstschilder, wonende te Deventer, Schoutenweg 2a.”48

De rechercheur die Reina en Tineke op 8 februari naar het bureau had gebracht, rapporteerde op 4 maart 1943 naar aanleiding van de openstaande achterdeur van Schoutenweg 2a, dat hij die middag omstreeks 18.00 uur had geconstateerd dat de deur dicht was, maar niet op slot. Hij had deze deur op 8 februari, toen hij de woning met mevrouw Webeling verliet, aan de binnenzijde op slot gedraaid en aan de binnenkant op de knip gedaan. De sleutel liet hij aan de binnenzijde in het slot zitten. In de gang bij de voordeur stonden toen twee kisten of koffers, vermoedelijk met lijfgoederen. Nu waren ze er niet meer. Tijdens het posten in de woning was er iemand aan de deur geweest, die namens de Deventer Boodschappendienst de goederen kwam ophalen. Daarover zou telefonisch contact geweest zijn. De politieman vermoedde dat één van de voortvluchtigen nog in het bezit was van een sleutel van de voordeur en de kisten(koffers) had weggehaald. Hij besluit als volgt:

“Thans heb ik de voordeur bovendien aan de binnenzijde met een knip gesloten, waarna ik de achterdeur aan de buitenzijde op slot heb gedraaid. De sleutel van de achterdeur wordt door mij hierbij overlegd.”

Op het rapport staat met potlood een aantekening dat de kisten voor de SD waren opgehaald. Kennelijk waren de koffers al conform de opdracht van 15 februari naar Arnhem gebracht.49

De sleutels
Op 19 april 1943 deelde de waarnemend commissaris van politie aan de SD in Arnhem mee dat de SD te Rotterdam op 17 april telefonisch had meegedeeld dat de op het bureau aanwezige sleutels van Schoutenweg 2a konden worden afgegeven “aan de ouders van een zekere vrouw Webeling die daartoe aan het bureau komen”.50

V VERRAAD

Piet Vosveld
Op 1 april 1943 werd Piet Vosveld gearresteerd. Hij had tot dan koeriersdiensten voor de landelijke CPN-leiding verricht en zou met Jaap Brandenburg en Gerrit van den Bossch de nieuwe dagelijkse leiding van de CPN gaan vormen, omdat de oude leiding in het oosten geïsoleerd was geraakt. Via Vosveld zou de nieuwe leiding contact blijven onderhouden met Jan Dieters van de oude leiding. Vosveld bezweek onder de druk van de verhoren en gaf een afspraak met Dieters op 3 april in café Ruimzicht aan de Loolaan in Apeldoorn prijs. Zo werd Vosveld op die dag onder begeleiding van de SD als lokaas naar de afgesproken plaats in Apeldoorn gebracht.

Tijdens deze ontmoeting gaf Vosveld Dieters een blanco persoonsbewijs voor Paul de Groot. Vervolgens ging Dieters op de fiets naar een afgesproken plek om het persoonsbewijs te overhandigen. Daarbij werd hij door de SD gevolgd. Toen hij De Groot daar niet aantrof, keerde hij nietsvermoedend zijn fiets en reed regelrecht in de armen van agenten van de SD. De Groot, die iets vertraagd was, zag dit van een afstand gebeuren en maakte zich uit de voeten. Waarom hij Lou Jansen niet waarschuwde of niet liet waarschuwen, zal altijd een raadsel blijven.51

Ter dood veroordeeld
Op 6 april viel de SD het onderduikadres van Lou Jansen in Eerbeek binnen. Lou en zijn oudste zoon werden voor verhoor naar Amsterdam gebracht.52

Lou Jansen en Jan Dieters werden op 24 augustus 1943 ter dood veroordeeld. Verzoeken om gratie werden door Seyss-Inquart afgewezen. Op 9 oktober ’s morgens vroeg werden zij daarvan op de hoogte gesteld. Beide mannen kregen toestemming een afscheidsbrief te schrijven en een sigaret te roken. Om 7.30 uur werd het vonnis door een Duits vuurpeloton op de Waalsdorpervlakte voltrokken.53

De afscheidsbrief, die in het bezit van Ruud Jansen is, eindigt als volgt:

“Ik heb niet voor niets geleefd, mijn leven had zin en inhoud, dat maakt het sterven makkelijk.”

VI EN DAARNA

Reina kwam in concentratiekamp Vught terecht. Na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, begon zij met een grote groep vrouwen aan een tocht, die haar onder meer in Ravensbrück zou brengen. Ze overleefde de ontberingen.54 Het gezin vestigde zich na de oorlog in de Groenendaalstraat 10 huis (Amsterdam, wijk Hoofddorppleinbuurt). Bertus verdiende de kost eerst als fotograaf. Toen er weer hout beschikbaar was, nam hij zijn beroep van zelfstandig timmerman weer op. Na de oorlog was Reina actief in de Nederlandse Vrouwenbeweging.55 In De Waarheid van 21 februari 1950 feliciteert Tineke Webeling haar ouders met hun 121/2-jarig huwelijksfeest. In juli 1962 slaagde Tineke Webeling voor de akte MO-B tekenen.56 Bertus overleed in 1986. In De Waarheid van 28 januari 1986 betuigt de CPN-afdeling Hoofddorpplein e.o. haar medeleven met de familie. Tineke en haar dochter bezochten op 26 mei 2018 de presentatie van het Deventer Jaarboek 2018, waarin de korte versie van dit verhaal staat.

Na de inval van de SD op 6 april 1943 werden Ruud, zijn jongere broertje en zijn moeder ingesloten in het huis van bewaring te Arnhem. Daar bleven Ruud en Loekie de rest van de nacht. De volgende middag werden ze naar een kindertehuis in Eerbeek gebracht.

De twee zussen, die in Velp ondergedoken zaten, fietsten op 7 april voor een onverwacht gezelligheidsbezoek naar Eerbeek. Bij aankomst zagen ze dat het huis waar de familie ondergedoken zat, bewaakt werd door een politieagent. Ze reden door en kregen van de buren die een paar honderd meter verderop woonden, te horen dat iedereen door de Duitsers was opgepakt. Daarop reden ze spoorslags terug naar Velp.

Begin juli wandelde moeder Fennie door het grote hek de oprijlaan van het kindertehuis op. Zij kwam haar beide zoons ophalen. Met hun zussen verbleven ze enige maanden in Eerbeek, op het adres waar ze eerst ondergedoken hadden gezeten. In september 1943 gingen ze weer terug naar Amsterdam, naar Scheldestraat nummer 101. Fred werd vrijgelaten en voegde zich bij hen. Zo goed en zo kwaad als het ging werd de draad van het leven weer opgepakt. In Amsterdam kregen ze te horen dat het doodvonnis van Lou Jansen was voltrokken en maakten ze de Hongerwinter mee.57

Op 9 mei 1949 kreeg Lou Jansen postuum het verzetskruis toegekend. Fennie, zijn vrouw, nam het in ontvangst.58 Zij overleed in 1997. Ruud Jansen schreef zijn herinneringen in de periode 2004 – 2014 op. Ook hij was op 26 mei 2018 bij de presentatie van het Deventer Jaarboek aanwezig.

De sleutel van de achterdeur van Schoutenweg 2a, die op 4 maart 1943 werd meegenomen naar het bureau, belandde in het politiearchief. In 2016 kwam hij tevoorschijn.

 

Noten
1. Hiervan getuigen o.a. de politierapporten over antifascistische aanplakbiljetten en een verslag van de bijeenkomst (d.d. 30-10-1933) van de aan de CPH gelieerde Strijdbond tegen oorlog en fascisme, waar Kamerlid Roestam Effendi sprak. Zie: NL-DvHCO, HCO Stadsarchief Deventer, ID 0759, Politie Gemeente Deventer, inv.nr. 539-3, achter tabbl. 30, 36, 37, 39; inv. nr. 571-1, achter tabbl. 2.
2. J. Morriën, De leiding van de illegale CPN 1940 – 1943, Amsterdam 2001, blz. 14.
3. Algemene Geschiedenis der Nederlanden, deel 14, blz. 136.
4. Website Parlement en Politiek, Kabinetten per tijdvak.
5. H. Galesloot en S. Legêne, Partij in het verzet, de CPN in de tweede wereldoorlog, Amsterdam, 1986, blz. 23.
6. Partij in het verzet, blz. 24 – 25.
7. W.F.S. Pelt, Vrede door Revolutie. De CPN tijdens het Molotov-Ribbentrop Pact (1939 – 1941), ’s-Gravenhage, 1990, blz. 208 – 213.
8. Partij in het verzet, blz. 31.
9. Vrede door Revolutie, blz. 214.
10. Vrede door Revolutie, blz. 225 – 227; Partij in het verzet, blz. 42 – 43.
11. Jan Willem Stutje, De man die de weg wees. Leven en werk van Paul de Groot
1899 – 1986, Amsterdam, 2000, blz. 168 – 173.
12. Partij in het verzet, blz. 57.
13. De leiding van de illegale CPN, blz. 7 – 11, blz. 16 – 17; De man die de weg wees, blz. 168 – 173; Vrede door Revolutie, blz. 260 – 261, 298; Partij in het verzet, blz. 78.
14. NL-SAA, Stadsarchief Amsterdam, archiefnummer 30238, Archief van het Bevolkingsregister Amsterdam, archiefkaarten, inv.nr. 904. Zie ook Indexen: Willem Webeling.
15. NL-SAA, archiefnummer 30238, inv.nr. 904 en 1938. Zie ook Indexen: Albertus Christiaan Webeling.
16. Internationaal Instituut Sociale Geschiedenis, Amsterdam, COLL00172, Audiocollectie interviews Wim Pelt met (voormalige) CPN leden, interview met Bertus Webeling, 14-6-1985, nr. 127 – 130.
17. Internationaal Instituut Sociale Geschiedenis, Amsterdam, ARCH 00347, Archief CPN, inv.nr. 134.
18. NL-SAA, Stadsarchief Amsterdam, archiefnummer 5445, Archief van de Dienst Bevolkingsregister, woningkaarten, inv.nr. 337. Zie ook Indexen: Van Spilbergenstraat, 2 hoog.
19. NL-SAA, Stadsarchief Amsterdam, archiefnummer 5000, Archief van het Bevolkingsregister, inv.nr. 2455. Zie ook Indexen: Berend Jan Jansen, Brouwerstraat, Buiten 19; NL-SAA, archiefnummer 30238, inv.nr. 1521. Zie ook Indexen: Gerrit Hendrik Jansen.
20. Voordat ik het vergeet, blz. 36 – 40.
21. Voordat ik het vergeet, blz. 55 – 59.
22. Voordat ik het vergeet, blz. 45 – 46.
23. De man die de weg wees, blz. 106.
24. Haarlem’s Dagblad, 18-4-1935; Telegraaf, 27 juni 1935; De Tijd, 22-6-1939.
25. De man die de weg wees, blz. 140.
26. Voordat ik het vergeet, blz. 59.
27. Dit hoofdstuk is voor het grootste deel gebaseerd op:
• Internationaal Instituut Sociale Geschiedenis, Amsterdam, COLL00172, Audiocollectie interviews Wim Pelt met (voormalige) CPN leden, interview met Bertus Webeling, 14-6-1985, nr. 127 – 130;
• Voordat ik het vergeet, blz. 69 – 102; en de mailwisseling met Ruud Jansen.
28. Kadaster gemeente Deventer, Sectie B, perceelnummer 11452, Leggerartikel 12730, reeks 3 en 4.
29. NL-DvHCO, HCO Stadsarchief Deventer, ID 1414, Bevolkingsregister Deventer, inv.nr. 2686, blz. 12 en 13.
30. NL-DvHCO, ID 1414, inv.nr. 331, nr. 0405 en 0406; inv.nr. 352, nr. 0159 en 0160.
31. NL-DvHCO, HCO Stadsarchief Deventer, ID 1415, Woningkaarten Deventer, Diepenveen, Bathmen, inv.nr. 87a.
32. De Koerier-Deventer Dagblad, 9-11-1939 en 27-12-1939.
33. NL-DvHCO, HCO Stadsarchief Deventer, ID 0724, Burgerlijke Stand Deventer, inv.nr. 163, aktenr. 43.
34. Deventer Dagblad, 2 februari 1948.
35. Adresboek voor Deventer, 1949 – 1950, Rozenstraat.
36. Partij in het verzet, blz. 78 – 81.
37. Zie de noten 15 en 31.
38. Zie noot 15 en NL-DvHCO, ID 0759, inv.nr. 677- 4, achter tabbl. 21.
39. NL-DvHCO, ID 0759, inv.nr. 88, onder nr. 323.
40. NL-DvHCO, ID 0759, inv.nr. 725-1, achter tabl. 114.
41. NL-DvHCO, ID 1414, inv.nr. 407, nr. 0165, 0166, 167; Deventer Dagblad, 23-7-1931.
42. De man die de weg wees, blz. 195.
43. NL-DvHCO, ID 0759, inv.nr. 89, onder nr. 38.
44. De man die de weg wees, blz. 207.
45. NL-DvHCO, ID 0759, inv.nr. 89, onder nr. 39 en 40; inv.nr. 732-2, onder 1943.
46. Telefoongesprekken met Tineke Webeling op12-2-2018, 17-2-2018, 26-3-2018 en 14-5-2018.
47. NL-DvHCO, ID 0759, inv.nr. 89, onder nr. 46.
48. NL-DvHCO, ID 0759, inv.nr.677- 4, achter tabbl. 21.
49. Zie noot 48.
50. NL-DvHCO, ID 0759, inv.nr.728 -5, achter tabbl. 53/4/5;1943.
51. Partij in het verzet, blz. 135; De man die de weg wees, blz. 208 – 213.
52. Mailwisseling met Ruud Jansen.
53. Voordat ik het vergeet, blz. 125 – 129.
54. Zie noot 46 en De leiding van de illegale CPN, blz. 17.
55. De Waarheid van 23 en 24 februari 1948.
56. Algemeen Handelsblad, 31 juli 1962.
57. Voordat ik het vergeet, blz. 116 – 132; blz. 144 – 148; 153 – 161; mailwisseling met Ruud Jansen.
58. Voordat ik het vergeet, blz. 184 – 187.

 

 

 

 

 

 


[begin]