19 feb 1996

13.TERUG NAAR CHENGDU

0 Reacties

Vijf uur op na een nacht waarin ik maar matig had geslapen. Na de geïmprovi­seerde douche -de douchekop was nergens aan te bevestigen- had ik de avond tevoren nog vrij lang wakker gelegen omdat het ergens in of buiten het hotel tot na twaalf uur rumoerig was met gezang -karaoke?- en geschreeuw. Net als tij­dens ons verblijf eergisteren was er ’s ochtends geen water maar toen we even voor zessen in het aardedonker vertrokken was de stemming van de groep op­gewekt. Waarschijnlijk uit vreugde omdat we deze plaats voorgoed verlieten.
Vlak voor ons vertrek verbaasde onze Chinese gids ons nog even door z’n begroeting. Op het voorpleintje bij het hotel schreeuwde hij ons namelijk in z’n China-English zo’n keihard ‘Good morning’ toe dat een aantal lokale passan­ten van schrik bijna op hun plaats verstijfde. Met een gedempt ‘sssst’ probeerden we daarom om hem tot de orde te roepen. Maar daar begreep hij niets van net zo min als het daarna gedane verzoek om z’n conversatie op een wat zachter geluidsniveau voort te zetten.
Chinezen spreken voor onze begrippen vaak erg hard. Meerdere keren was ik getuige van een gesprek waarbij ik eigenlijk dacht dat er een fikse ruzie aan de hand was. De een schreeuwt in zo’n geval nog harder dan de ander maar dat blijkt dan hun normale gesprekstoon te zijn. Bovendien maken Chinezen nooit ruzie had ik in de boekjes gelezen. ‘Koet moornink’. ‘Sssttt’.
Tien voor zes verlieten we Sonpan. Het begon te regenen en het was nog steeds onaangenaam kil; de weg was echter beter berijdbaar dan op de heenweg. Omdat het nog zo vroeg was schoten we lekker op en om half elf hielden we in een wat grotere plaats een koffiepauze. Hadden we hier niet ge­luncht op de heenreis? Dat bleek te kloppen. Eigenlijk was het toch een won­derlijke ervaring om op zondagmorgen Nescafé te drinken uit een plastic beker in een kleine Chinese stad, waar ons bezoek de nodige afleiding verschafte aan een grote groep op straat rondhangende Chinezen.
Van Gerard hoorden we dat we zó vlot gereden hadden dat we twee uur voorlagen op het tijdschema. Bovendien was het droog geworden. Nou ja, het mocht ook wel eens een keer goed gaan maar deze hovaardij werd onmiddellijk afgestraft. De chauffeur had namelijk geconstateerd dat één van de achterban­den -de bus was achter uitgevoerd met dubbele wielen- lek was. Waarschijnlijk had ie geen reserveband bij zich of was deze ook al lek. Het ding moest in ieder geval geplakt worden.
Gelukkig was er een paar honderd meter verder in de straat waar we stonden, een soort garage, die nog open was ook.
Het gedwongen oponthoud verschafte de gelegenheid om op ons gemak een uurtje rond te wandelen en wat te fotograferen in het stadje, dat volgens de kenners MasXyan heette.
Had ik eigenlijk al een beschrijving van de balkons gegeven? Flats en andere etagewoningen zijn in China praktisch altijd van een balkon voorzien. Groot of klein, dat hangt van het formaat van de woning af. De Chinese bewo­ners maken daar een ander gebruik van dan wij Hollanders. Zodra een woning wordt opgeleverd en betrokken door de bewoner gaat deze aan het werk om iets aan dat balkon te veranderen. Hij maakt op z’n minst stellingen zodat het als opslagruimte geschikt is of hij houdt er beesten op. Heel gebruikelijk is het om het balkon dicht te maken. Een enkele keer netjes met glas maar meestal met oud hout en materiaal dat ze volgens mij langs de kant van de weg vinden. Aan de gevels ontstaan daardoor soms de meest vreemde bouwsels.
Met een paar anderen wandelden we door een wijk waar pas brand was geweest. Het was een buurt met overwegend oude huizen, sommige van hout. De brand moest hevig zijn geweest want op een terrein van zo’n vijftig bij vijf­tig was alles tot de grond afgebrand. Tussen de verkoolde resten snuffelden wat mensen. Waarschijnlijk waren het voormalige bewoners, die op zoek waren naar waardevolle zaken.
Waren de Chinezen ingenomen met ons bezoek? Niet allemaal. Wij za­gen namelijk dat het snoep dat door een aantal medereizigers aan een paar kin­deren werd gegeven naderhand door een fel oud vrouwtje werd weggegooid. Maar de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat zoiets tot de uitzonderingen be­hoorde. De mensen in China reageerden in het begin meestal wat gereserveerd maar bleken, als je wat aanhield, heel vriendelijk te zijn.
Om half twaalf konden we weer rijden. Ondanks de zondag werd er op het traject dat we op dat tijdstip bereden keihard door honderden mensen aan de weg gewerkt. Met hun kleine mandjes verplaatsten ze de enorme hoeveelheden grind en modder en ik begon nu iets te begrijpen van de wijze waarop die Chi­nese Muur ooit was gebouwd. En wat dat werken in het weekend betrof, tijdens onze laatste stop hadden we al gezien dat er ook in de bouw werd gewerkt. Dit leek toch niet erg op die vijfdaagse werkweek die we in Beijing voorgeschoteld kregen? Ik nam me voor om daar straks Key nog eens over aan de tand te voe­len.
Ondertussen verstreek de tijd en omdat we niet hadden ontbeten begon de honger te knagen. Maar we moesten wat dat betrof nog even geduld heb­ben. Het duurde tot half twee voor we een grote plaats bereikten en naar een ge­bouw gebracht werden dat nog het meest leek op een studentenmensa.
Het was er erg druk met uitsluitend jeugdige bezoekers en het eetzaaltje waar we een plaatsje toebedeeld kregen zag er vies uit. De tafel en de glazen zo mogelijk nog smeriger. Maar we waren al het nodige gewend en iedereen ging  ijverig met papieren zakdoeken in de weer om de etensresten te verwijderen tot Gerard terug kwam uit de keuken met een gezicht dat weinig moois voorspelde.
“Dit is te gek,” zei hij en het was duidelijk dat de maat vol was bij hem.. “We gaan hier weg.” Dat was niet aan dovemansoren gezegd en tot grote verbazing van de Chinese gidsen liepen we daarna als één man/vrouw de zaal uit.
Het moest wel gek zijn als we in de buurt niet iets beters konden vinden en dat was inderdaad het geval. Nog geen honderd meter verder zagen we een eethuis dat er prima verzorgd uitzag en de bediening maakte daar buigend een grote tafel voor ons in orde. Toen we er een tijdje zaten en aan de eerste gerech­ten waren begonnen kwam vriend Key opdagen met een sip gezicht. Het was duidelijk dat er een reactie van Gerard nodig was en deze was zo verstandig om Key mee naar buiten te loodsen. We konden zien dat de discussie tussen de twee hoog opliep. Een beetje rood aangelopen kwam hij na een minuut of vijf echter weer terug. Uit z’n verhaal begreep ik dat de twee Chinese gidsen waar­schijnlijk in opdracht van hun werkgever, het Chinese reisbureau dus, probeer­den om met minimale kosten uit de noodgedwongen wijzigingen in het pro­gramma te komen. Dat lukte nu zeker niet omdat de gelegenheid waar we net waren weggelopen, betaling had geëist.
“En ze zullen hier ook moeten betalen,” besloot hij z’n verhaal, “Dus je begrijpt dat ze me wel kunnen schieten.”
Ik had geen moeite met zijn verhaal. We hadden voor een verzorgde reis van redelijke klasse geboekt en niet voor een low budget reis, die maar de helft kostte. Dat betekende dat er in redelijke gelegenheden gegeten behoorde te worden en niet in smerige eetzalen zoals in het onderhavige geval. Het was mis­schien even vervelend dat het op deze manier gespeeld moest worden. Aan de andere kant liet het iets zien van de wijze waarop de reisleider de gang van za­ken kon beïnvloeden. En dat kon voor een aantal zaken zeer doorslaggevend zijn. Door de horecaopleiding van Gerard had de hele groep tot nog toe nau­welijks last van diarree gehad om maar eens wat te noemen.
Maar nu was het eindelijk avond en onder het genot van een bel Hennessy cognac zat ik in een gemakkelijke fauteuil. Met één oog keek ik naar CNN op de TV en met het andere oog schouwde ik vluchtig wat berichten in de Engelstalige China Daily. Het Jin Jiang hotel in Chengdu was voor één nacht ons verblijf en in die burcht van luxe was het goed toeven.
Even na half zeven waren we na twaalf en een half uur bussen ver­kreukeld en shabby in dit glimmende 4-sterren hotel gearriveerd. Maar oh, wat was dat lekker na het onderkomen van de nacht daarvoor. Straks zou er nog wat werk aan de winkel zijn. Koffers ompakken en zo maar Lietje was nog lek­ker aan het badderen in de badkamer en ik had me voorgenomen om daarna zelf tijdens een uitgebreide douche al het vuil van me af te spoelen. Moe? Wat moe? Ik voelde me als een prins en als ik me straks in de badjas van dit hotel op die paar werkjes zou storten was dat vast wel in een heel korte tijd geklaard. Reken maar van yes. Dat alles onder voorbehoud dat de badjas op westerse posturen was gesneden want de jas van de buren aan de overkant was als ik me goed herinner een maat of wat te klein.
Ach ja, dat China bleef toch een merkwaardig land. We hadden er ei­genlijk op gerekend dat we weer in hetzelfde hotel van een paar dagen terug zouden komen omdat we daar onze bagage en het te wassen goed hadden ach­tergelaten. Maar nee, Jin Jiang was voor ons gereserveerd. Dit keer dus echt en de bagage en verder toebehoren moesten dan maar van het andere hotel overge­bracht worden. Achteraf had ik wel vrede met deze ruil. Meer standing dit ho­tel. Niveau, weet je wel.
Vanavond lekker gegeten. Op verzoek was er dit keer naast rijst ook echte Chinese mie. Die werd opgediend in een diepe schaal met heet water. Al­leen het opscheppen ging een beetje lastig omdat de sliertjes in China een lengte hebben van bijna een meter. De serveerster die al een aantal keren met verba­zing naar onze stickhandling had gekeken schoot als een bezorgde kloek toe toen ze zag hoe ik poogde wat van dit gerecht in m’n kommetje te scheppen. Met een door ervaring gestuurde hand vulde ze deze voor me met mie zonder ook maar een druppeltje te morsen. Knap zoals ze dat deed; tussen twee eet­stokjes pakte ze het begin van een bundeltje mie en draaide dat vervolgens soe­pel tot een knoedeltje. Eten moest ik natuurlijk zelf doen en daar was maar een manier voor, the Chinese way. Juist, je stopte met je eetstokjes drie of vier eindjes in je mond en slurpte vervolgens de rest naar binnen. Mocht je mond vol raken terwijl je nog niet aan het einde van de slierten was dan lag de oplossing voor de hand. Je beet de slierten door.
Even moest ik de deur opendoen want er werd geklopt. Waarschijnlijk het schone wasgoed dat we voor ons vertrek naar Jiuzhaigou hadden achterge­laten.
Waar was ik ook al weer gebleven? Oh ja, de mie. Of ie me gesmaakt had? Zeker, lekkere mie, prima mie. En na een paar keer opscheppen uit de schaal kreeg ik ook daar al wat handigheid in. Maar nu eerst onder de douche want morgen werden we geacht om tien uur in de lobby te zijn. Gepakt en ge­zakt voor de rit naar Emeishan. Wie er aan de deur was? Eh, Gerard, met de schone was. Blijft bezig, die jongen. Ik kan hier alleen geen badjas vinden. Ik zei het toch al, merkwaardig land, dat China.


[begin]