07 Feb 2010

Het vorige hoofdstuk sloot ik af met onze aankomst bij huis Eerbeek, een veertiende eeuws landhuis dat dienst deed als opvang voor ongeveer veertig kinderen, die afkomstig waren uit het Scheveningse kinderhuis ”de Vluchtheuvel”. Deze kinderen, die in leeftijd varieerden van twee tot dertien jaar, arriveerden in het voorjaar van 1943 in Eerbeek. Er waren een paar redenen voor hun evacuatie. In de eerste plaats dat de veiligheid in Scheveningen onvoldoende gewaarborgd kon worden. Een tweede reden was de verslechterende voedselsituatie in het westen en in het bijzonder in de grote steden.
De Vluchtheuvel was een instelling op gereformeerde grondslag. Naar school gingen de kinderen op de christelijke Tjark Riksschool aan de Dericxkamp in Eerbeek.
Ik denk dat onze komst voor de leiding van het tehuis wel een probleem zal zijn geweest maar dat weigeren niet tot de mogelijkheden behoorde. Ander punt was natuurlijk of ze dat wilden, twee kinderen weigeren die nergens anders terecht konden. In ieder geval nam iemand van de leiding ons na een kort gesprek met de zwartjassen onder haar hoede. Zij zorgde ervoor dat we een slaapplaats kregen op een zolderkamertje, apart van de andere kinderen. Daarna maakte ze ons wegwijs in het huis en vertelde wat over de tijden waarop er gegeten werd en andere huisregels.
Met de oudere kinderen maakten we pas ’s middags kennis omdat die naar school waren. Als ik me niet vergis arriveerden m’n broertje en ik op een woensdag en waren zij ’s middags vrij. De kennismaking ging heel vlot. Zij wilden natuurlijk weten wie we waren en waar we vandaan kwamen en daarna werden we probleemloos in de groep opgenomen. De wijze waarop m’n broertje en ik gekomen waren werd kennelijk als normaal beschouwd.
Op deze manier liepen we voor de vaste dagelijkse gebruiken in het huis zoals naar bed gaan, opstaan en eten meteen vanaf onze intrede zonder problemen met de rest mee. Alleen het bidden voor en na het eten was de eerste keer volledig nieuw voor me maar na een korte uitleg door een van de leidsters deed ik mee met de anderen en deed op tijd m’n ogen open of dicht.

De eerste weken van ons verblijf in het kinderhuis
Zoals ik al zei waren we vrij vlot gewend aan het leven in het kinderhuis maar merkwaardig was dat de leiding ons overdag maar wat liet aanmodderen. Door de week gingen de kinderen van zes jaar en ouder naar school in het dorp. M’n broertje en ik speelden dan maar wat op het grote landgoed dat bij het huis hoorde. Hetzelfde was het geval als de hele club op zondag naar de kerk ging.
Er waren dus geen initiatieven van de leiding om de twee koekoeksjongen in te lijven. Ik vond dat wel een beetje vreemd maar aan de andere kant ook niet zo erg. We gingen stilletjes ons gangetje, zoals we al een paar jaar deden.
De andere jongens en meisjes accepteerden deze status maar vroegen wel een paar keer of ik niet naar school moest. Ik moest ze een antwoord schuldig blijven en ze vonden het niet belangrijk genoeg om over door te vragen. Ik had me na een paar dagen aangesloten bij wat leeftijdgenoten en trok daar mee op in de tijd dat ze niet naar school waren. Twee jongens van m’n leeftijd, Job en Krijn, werden al gauw dikke vrienden van me. Helemaal toen ik ze leerde hoe je een boog kon maken van soepel wilgenhout en een stuk touw.
Een favoriete bezigheid was daardoor gedurende lange tijd boogschieten met pijlen die we van een van vlierhout gemaakte punt voorzagen. De kunst was daarbij om je pijl zo hoog in de lucht te schieten dat je hem bijna niet meer met het blote oog kon volgen. Krijn was daarin de onbetwiste kampioen. Hij was ook het langst en waarschijnlijk de sterkste van de jongens.
In m’n herinnering bleven die pijlen wel minuten in de lucht maar achteraf lijkt me dat wat overdreven. Maar hoog gingen ze, dat is zeker.

Niet alleen Hannes liep op klompen
Zo gingen de dagen voorbij. Aan de ene kant had ik het druk met van alles, anderzijds verlangde ik toch naar de familie, maar daar hoorden we niets over. Geen enkel berichtje, ook niet van de leiding of de verzorgsters in het tehuis. We waren door de Duitse bezetters in het kinderhuis gedropt, werden daarom gevoed, gebaad en gekleed maar verder was de aandacht nihil.
Die kleding is een verhaal apart. Net zoals de andere kinderen moesten we bij gebrek aan schoenen klompen aan. Eén van onze eerste bezoeken buiten het tehuis was daarom aan de plaatselijke klompenmaker. Onder leiding van één van de leidsters kreeg ik daar een paar klompen aangemeten.
Prima schoeisel (of is het klompsel) maar net zoals bij een aantal andere kinderen gingen m’n voeten op de wreef en de hielen kapot. Dat leidde uiteindelijk tot vrij hardnekkige zweren en ik heb heel wat weken dagelijks met m’n voeten in heet sodawater moeten zitten om de wonden te zuiveren. Dat gebeurde in de keuken. Ik zie me daar nog zitten.
“Au, zuster, het water is zo heet!”
“Vooruit, niet zo kinderachtig zijn. Als het heet is dan helpt het juist goed. Je wilt toch dat je voeten overgaan?”
Ja, natuurlijk wilde ik dat maar alleen op een wat minder pijnlijke manier.
Maar uiteindelijk gingen de wonden toch dicht en kreeg ik zoveel eelt op m’n voeten dat ik de klompen verdroeg.
De rest van de kleding die we droegen, was van ons zelf omdat m’n moeder die voor het vertrek naar het huis van bewaring nog in een koffer had gestopt.
Waren de verzorgsters, die we als zuster aanspraken, aardig? Jawel, hoewel op een onpersoonlijke manier. De favoriet van alle jongens was zuster An, die ik denk een jaar of vijfentwintig was.
Verder was er een wat oudere zuster, waar de jongens van beweerden dat ze niet echt gelovig was. Ik herinner me haar van het ’s ochtends wassen en het voorlezen. Als ik me niet vergis noemden we haar mevrouw Braun.
Het wassen was daarbij het onaangenaamste deel dus laat ik daar maar mee beginnen.
Dagelijks ritueel was `s ochtends het aantreden bij een rij wastafels waarbij iedereen niet allen z’n gezicht maar ook z’n bovenlijf moest wassen. Heel verstandig eigenlijk maar het gebeurde met koud water. Mevrouw Braun zorgde altijd voor het inzepen, afspoelen en afdrogen van onze ruggen. “Brrr, het is zo koud, zuster”. Het gepiep en gekreun was elke ochtend niet van de lucht.
De badbeurt in een echt bad vond veel minder vaak plaats. Een keer per week moesten we aantreden in een grote kelderruimte van het huis waar wel vier of vijf badkuipen stonden. Zo’n reinigingsbeurt bestond uit inzepen, even in het bad, daarna afspoelen, hup eruit en afdrogen waarna de volgende aan de beurt was. Degene die het laatste klaar was met uitkleden had de pech dat hij het als laatste van het rijtje wachtenden met lauw en niet al te fris water moest doen.
Maar op haar soms wat stuurse wijze was zuster Braun misschien nog wel het meeste bij de kinderen betrokken. Ik herinner me bijvoorbeeld nog goed hoe mooi ze kon voorlezen voor we gingen eten. De maaltijden vonden namelijk voor iedereen op dezelfde tijd plaats. Het was de bedoeling dat je ruimschoots op tijd aanwezig was en dan in stilte wachtte op de komst van de directrice, een streng ogende dame die altijd gekleed ging in een lang gewaad met daarbij een grote gesteven kap op haar hoofd. Dat ding ging nooit af, ook niet tijdens het eten.
Het stilhouden van ruim veertig kinderen was natuurlijk niet eenvoudig. Iedereen had een vaste plaats waarbij een indeling volgens leeftijd werd aangehouden. Ik had het geluk dat ik aan de tafel zat waarover mevrouw Braun de scepter zwaaide. Onder voorwaarde dat we ons rustig hielden las ze voor uit boeken als Kruimeltje en de Artapappa’s. Ze deed dat zo goed dat we allemaal aan haar lippen hingen, met altijd weer de wens om nog één bladzijdetje. Maar dat ging meestal niet want als de moeder-overste binnenkwam was het tijd voor een andere onverbiddelijke bestseller in het huis, de bijbel.
Vanaf m’n binnenkomst in het kindertehuis maakte ik dus kennis met het christelijke geloof, dat wil zeggen met de gereformeerde variant, en deed ijverig mee met bidden en zingen. Het heeft me niet blijvend bekeerd maar ik heb er in ieder geval kennis gemaakt met de basisbeginselen van het christelijk geloof.
Ondertussen ging de oorlog natuurlijk door. Daar merkte je overdag niet veel van maar ’s nachts des te meer. Een van de routes voor de bommenwerpers uit Engeland liep over de Veluwe. Een paar keer per week vlogen de eskaders hoog in de lucht richting Duitland om dan ’s nachts weer terug te keren. In de buurt van Eerbeek werden ze dan vaak opgewacht door Duitse jagers en er stond ook een batterij luchtdoelgeschut.
Menigmaal zijn we ’s nachts uit ons bed gehaald vanwege de heftige veldslagen die zich in de lucht afspeelden. Oorverdovend geknal, de lucht vol ontploffingswolken, zoeklichten en wij angstig en bibberig beneden in de grote serre, die aan het huis vastzat; wachtend tot een eskader overgetrokken was.
Als het heel erg te keer ging kregen we een koekje.

Wat denk je wel dat het hier is?
Aan het vrije leventje kwam na twee of drie weken plotseling een einde. Ik moest ’s middags bij de directrice komen. Om even kennis te maken dacht ik of misschien was er wel nieuws over m’n vader en moeder.
Daar ging het dus duidelijk niet om. Ik was nog niet goed of wel binnen of ze begon tegen me uit te varen. Wat ik wel dacht dat het voor huis was, waar ik terecht was gekomen. Dat er een einde moest komen aan dat lanterfanten en rondhangen. Of ik soms dacht ik bijzondere voorrechten bezat. Dat moest afgelopen zijn en met ingang van de dag erna moest ik naar school en op zondag met de anderen naar de kerk. En om het geheel nog eens goed tot me door te laten dringen zou ik geen avondeten krijgen en tot zeven uur opgesloten worden in het torenkamertje.
Ik begreep er helemaal niets van maar werd even daarna beduusd door mevrouw Braun naar het torenkamertje gebracht om met m’n inkeer te beginnen. Ik kreeg de indruk dat die het niet helemaal met de gevolgde aanpak eens was maar zweeg omdat iets anders niet mogelijk was. Dat kon ook moeilijk denk ik achteraf.
Met die inkeer lukte het daarna niet zo best. Er was meer sprake van verbaasde verontwaardiging. Toen die wat geluwd was vermaakte ik me maar met naar buiten te kijken door een raam, dat gemakkelijk te openen was. Buiten liep broertje, die na mij een zelfde behandeling maar zonder eenzame opsluiting had ondergaan, verbaasd rond.
Ik heb de reden van deze bijzondere vorm van naastenliefde nooit goed kunnen vatten. Zal wel iets te maken hebben gehad met de beginselen van de directrice maar dan nog.

Weer naar school
Het rondhangen en lanterfanten zoals de directrice het noemde, was dus afgelopen. De volgende dag gingen we naar school, de christelijke school. Broertje in de eerste klas en ik in de derde nadat de leraar m’n kennis had getest. Ik moet er bij vertellen dat het maar een kleine school was en dat hield in dat in één lokaal twee klassen, in mijn geval de derde en de vierde, waren ondergebracht.
Na zo’n kleine drie jaar vrijheid was dat wel even wennen maar ik moet zeggen dat ik het toch wel leuk vond. En de opvang door de klassenleraar was zo goed dat ik me al heel snel thuisvoelde.
Omdat het een school met de bijbel was werd er heel wat gezongen, gebeden en voorgelezen uit de bijbel. Hoewel m’n moeder uit een streng gereformeerd nest kwam werd er bij ons thuis geen geloof gepraktiseerd. Ik maakte dus voor het eerst een beetje kennis met de achtergronden van het christelijk geloof. Ik kan me nog goed herinneren dat we een keer een opstel moesten maken over een van de bijbelse verhalen die onze leraar verteld had. M’n eerste verhaal realiseer ik me nu. Misschien is toen wel de basis voor m’n liefhebberij gelegd. Ik deed er in ieder geval m’n uiterste best op en de beloning was een acht. Toen de werkstukken daarna uitgedeeld werden moest ik wel nog even bij de meester komen. Ik had namelijk een geheel eigen spelling voor ‘Evangelie’ gebruikt. Dat kwam simpelweg omdat ik het woord nog nooit gelezen had. Alleen maar tientallen malen gehoord en gedacht dat het om het ‘eet van Gelie’ ging. Eten en geloven maakte ik dagelijks mee als voor de hand liggende combinatie en Gelie hoorde waarschijnlijk thuis in het rijtje van Samson, David, Goliath en andere bijbelse grootheden.
Het cijfer voor Godsdienst op m’n eerste rapport mocht er in ieder geval alleszins zijn; een negen.
De rust op school werd op een gegeven moment behoorlijk verstoord doordat het hoofd van de school – meneer Jansen, what’s in a name – opgepakt werd omdat hij naar radio Oranje had geluisterd. En volgens de geruchten nog wel andere dingen had gedaan maar daar weet ik het fijne niet van.
De strafmaatregel was niet mis. Hij werd geïnterneerd in een kamp waaruit hij echter na een paar maanden kaalgeschoren en vermagerd weer terugkeerde. Was overigens ook een aardige man die nadat hij op de speelplaats was toegezongen door alle klassen, onverstoord zijn werk op school weer opnam.
Ondertussen waren wij volledig in het dagelijkse leven van het kindertehuis opgenomen. Alleen in het slapen veranderde niets. M’n broer en ik bleven in de kleine slaapkamer op zolder terwijl de andere kinderen de nacht doorbrachten in de een etage lager gelegen slaapzaaltjes van het huis.
Het kamertje naast het onze werd na een of twee maanden ingericht voor een logeetje, een nichtje van een van de leidsters. Ze moet zich diep ongelukkig gevoeld hebben want ze huilde zich elke avond in slaap en was ondanks onze pogingen ontroostbaar.
Zo vergingen de weken. Met soms heimwee naar de familie. Maar die leken van de aardbodem weggevaagd en berichten of boodschappen bleven uit.


[begin]
9 Responses to 15. Het huis Eerbeek.
  1. Marianne van Zadelhoff-Ruumpol, uut Eerbeek 6 februari 2011 at 10:52

    Geachte heer,
    Uw verhalen vond ik als link op onze website van de oudheidkundige vereniging ‘de Marke’.
    Echt geweldig om te lezen en u heeft alles zo prachtig verwoord. Sterk werk!
    De verhalen over Eerbeek spreken me erg aan omdat ik daar geboren en getogen ben. (Eigenlijk op Coldenhove)
    Graag zou ik van u vernemen waar de ‘Echoberg’ zich bevindt. Ik meen dat ik de omgeving hier wel aardig ken, maar deze berg niet.
    Wel de Grimmeltjesberg (nabij het vroegere kampeercentrum van Wolzak, nu Landal Coldenhove) waar vroeger een grote steen bovenop lag met de afbeelding van een vallende ster.
    Met vriendelijke groet,
    Marianne

  2. De echo-heuvel is eenvoudig te vinden.

    In het dorp Loenen rijd men de Droefakkers af (de auto mag niet verder mee dan de parkeerplaats van de schaapskooi) tot de vijfsprong.

    In de verte is (recht vooruit) het huisje “bij van Ark” te zien. Op deze vijfsprong gaat men rechtsaf en volgt deze “hoofdweg” tot het heideveld over gaat in bos. (Dit bos bevind zich aan uw rechterhand.) Vlak voor de bosrand, waar de heide over gaat in bos, loopt een smal zandpad een heuvel op. Dit is de Echoheuvel, van waar men een schitterend uitzicht over de Loenermark heeft.

    http://maps.google.nl/?ll=52.092398,5.967861&spn=0.001598,0.004635&t=h&z=18&vpsrc=6

    • Waarschijnlijk bestaan er meerdere echobergen in die omgeving. Die van ons beschrijf ik in het boek. Ik zal de beschrijving hierna iets uitgebreider weergeven.
      Ik weet zelfs nog hoe twee van onze favoriete routes begonnen. De eerste die we het meeste wandelden begon bij een laantje in het verlengde van de Polweg tegenover de Harderwijker straatweg die toen nog niet verhard was. Eerst ca. 500 meter rechtdoor door dennenbos, daarna linksaf een paar honderd meter en vervolgens rechtsaf. Links en rechts lage dennenaanplant. En daarna ongeveer een kilometer (in m’n herinnering) rechtdoor tot je bij een aantal zandheuvels kwam waarvan de Echoberg de hoogste was. Als je verder doorliep en een beetje links aanhield kwam je op een gegeven ogenblik bij de groen gebeitste houten vakantiehuisjes. Nog weer verder kwam je bij de hei die in mijn herinnering eindeloos groot was. De tweede route liep via het watervalletje langs een beek die door een stuk bos met dikke beuken voerde. Die beek kwam steeds meer in een dal te liggen omdat het terrein daar geleidelijk steeg en verdween -of begon- uiteindelijk zo’n meter of dertig beneden in de diepte. Ik heb van een andere lezer begrepen dat die beek als gevolg van onvoldoende onderhoud verdwenen is.
      Zoals ik hiervoor al schreef stonden ongeveer een kilometer voorbij de Echoberg in een dennenbos een stuk of tien groen geschilderde vakantiehuisjes, die zomers verhuurd werden. Eenvoudige houten gebouwtjes en niet te vergelijken met de bungalowparken van tegenwoordig.
      Weer een eind voorbij die huisjes begon de heide, die tot aan de horizon doorliep. Op een hoog punt in die vlakte, een flink eind wandelen, was een houten blokhut gebouwd. Daar woonde niemand in dat wil zeggen, ik heb er nooit iemand in gezien.
      De Echoberg hebben we een jaar of tien geleden nog een keer opgezocht. Moeilijk te vinden omdat hij nu midden tussen de bomen staat en daar nog maar nauwelijks bovenuit komt. Het echoeffect, het teruggekaatste geluid, is door al die bebossing verdwenen.

  3. ik zat de verhalen telezen zeer boeiend en ook nog informatief.
    de echo-berg die ruud omschrijft,zo als ik de omgeving ken en het pad dat hij bewandelde en de km.
    kom ik uit op achter het oude zwembad van loenen nu een vijver in het bos met een als je verder door loopt een soort van graf_tombe.
    via de andere zijde nu landal kun je ook naar deze berg.
    ik denk dat hij wat ten dagen beter bekend is als het gat van gerritsen bedoeld.
    hier werd in mijn jeugd met brommers en motoren gecrost.
    de beek die ruud bedoeld is volgens het grond water bronnentje.
    die kom je tegen als je vanaf de hoofdweg de stoplichten links naar landal gaat kom je een soort van bruggetje over rijden dan op letten links staat een huisje wij noemen dat het boswachtershuisje en daar tegen over ligt dat beekje. water loopt er soms nog wel door.
    kortom ik denk dat het gat van gerritsen word bedoeld omdat dit eigenlijk het enige gat van zon 30 meter diep in het bos daar is.

    vriendelijke groet chris.
    klopt een schrijver ben ik niet

    • Hallo Chris,
      Dank voor je brief. Ik dacht deze beantwoord te hebben maar zie dat niet terug in de betreffende file. Daarom nog maar een keer onze recente ervaringen.Toevallig waren we begin maart een dag in park Coldenhove en maakten een lange wandeling. De beek in mijn verhaal moet de Gravinnenbeek zijn. We bezochten de Zilversche heide en werden op de Polweg uitgenodigd door familie van boer Brink om even binnen te komen. Dat werd ruim een uur herinneringen ophalen aan vroeger. Aardige mensen en er is dus weer werk aan de winkel om m’n boek bij te werken.
      Groet

  4. Joke Ros Zegwaard 21 juni 2012 at 08:19

    Hallo, ik ben op zoek naar informatie of mensen die in het kindertehuis de vluchtheuvel in Scheveningen hebben gezeten ten tijde van de oorlog, voor mijn schoonvader Pieter Ros hij is niet bekend met computers maar wel veel bezig met dit stuk uit z’n leven.
    Zijn herinneringen zijn dat hij vanuit scheveningen werd verhuisd naar Eerbeek ivm de oorlog en de veiligheid.
    Wie heeft er voor mij informatie, contactadressen of tips???

    • Hallo Joke,
      In hoofdstuk 16 heb ik beschreven hoe wij na een betrekelijk korte periode (3 maanden) weer uit huis Eerbeek vertrokken.
      Verder dat er een reünie is geweest waar wij helaas niet bij aanwezig waren omdat we de oproep hadden gemistis beschreven.
      Op internet is vrij veel informatie over kindertehuis de Vluchtheuvel te vinden.
      21-06-2012
      Ruud Jansen

  5. ik heb ook in het kinderthuis de vluchtheuvel gezeten alleen toen zat het aan de seinpostduin ik kijk terug naar een zeer vervelende tijd de enige bij wie ik troost vond was de kokin ik vind het nog steeds moeilijk om er over te praten zelfs na 27 jaar
    met vriendelijke groet wilco vermeer

Reageren niet mogelijk


[begin]