06 Feb 2010

16. Het einde van m’n verblijf in het kinderhuis.

0 Reacties

Zoals ik in het vorige hoofdstuk al schreef ontvingen we tijdens ons verblijf in het kindertehuis geen enkel teken van leven van m’n moeder of andere leden van de familie. Ook van de buren van tante Mieke hoorden we niets. De enigen die een keertje kwamen kijken waren Toontje en Riekie. Ik zag ze op een middag bij het toegangshek van het landgoed staan maar toen ik naar ze toeliep schrokken ze om de een of andere reden zo dat ze haastig de benen namen. Ondanks m’n geroep gingen ze er van door.

Foto uit de tijd dat wij er ook waren. Ik ben het jongetje op de derde rij, tweede van links.


Groot was dus de verrassing toen m’n moeder op een middag, we waren buiten aan het spelen, plotseling door het grote hek naar binnen kwam en over de lange oprijlaan op het huis toeliep. Ik kon m’n ogen niet geloven maar had om de een of andere reden toch altijd verwacht dat het zo zou gebeuren.
Na een kort gesprek met een paar van de leidsters en nadat we onze spulletjes verzameld hadden, gingen we gelijk met haar mee. Er was nauwelijks tijd om afscheid te nemen van de zusters en de andere kinderen. We waren zonder aankondiging door de zwartjassen van de SD gebracht en we vertrokken ook weer even plotseling.
Overigens bleven er daarna nog wel contacten met de kinderen van het tehuis bestaan want we bleven nog een paar maanden op de Tjark Riksschool maar laat ik niet vooruit lopen op het verhaal.
Natuurlijk wilde ik van m’n moeder weten waar we naartoe gingen. En hoe het met de anderen ging. Het antwoord op m’n vragen was simpel. We gingen gewoon weer naar de villa Calluna Alba waar ook de rest van de familie aanwezig was evenals tante Mieke. Alleen m’n vader was er niet bij; die werd gevangen gehouden door de Duitsers in Scheveningen.
Achteraf kan ik me nog wel eens verbazen over deze afloop. Terwijl miljoenen Joden werden weggevoerd naar de vernietigingskampen en tal van mensen zonder vorm van proces werden geëxecuteerd, werden m’n moeder en m’n oudste broer na een aantal maanden weer vrijgelaten. En datzelfde gold ook voor tante Mieke, die toch onderdak had verleend aan vele onderduikers. Waarom zij wel en zoveel anderen niet? Ik weet het niet en zal het nooit begrijpen.
Weer thuis bij de anderen werd er daarna maar weinig gesproken over ons verblijf in het kinderhuis gedurende die drie, vier maanden en de gebeurtenissen die daaraan vooraf gingen. Misschien dat de ouderen dat wel deden over hun belevenissen maar dan in ieder geval niet in mijn aanwezigheid. Of dat ook voor de situatie van m’n vader gold kan ik me niet goed meer herinneren. Ik weet dat hij een paar keer mocht schrijven en dat m’n moeder diverse keren naar Den Haag moest om met een advocaat te spreken maar daar houdt m’n kennis mee op. Ook later handhaafde zich die zwijgzaamheid in de familie over de gebeurtenissen tijdens de oorlog. Een houding die trouwens voor de meeste Nederlanders gold die aan het verzet hadden deelgenomen. De gesprekken en verhalen over de tweede wereldoorlog kwamen pas vijfendertig na afloop op gang.
Die zwijgzaamheid tref je ook aan in Joodse families waarbij degenen die Auschwitz en andere kampen hebben overleefd, een bijna absoluut stilzwijgen over die gebeurtenissen handhaven.

Het kinderhuis 48 jaar later
Huis Eerbeek, een groot landhuis, is waarschijnlijk de vleugel van een kasteel dat in de veertiende eeuw door de heren van Bronckhorst werd gebouwd. Na de oorlog werd het onder meer als studiecentrum gebruikt door diverse groepen, tegenwoordig maakt het deel uit van een hotel dat op het bijbehorende landgoed is gebouwd.
Dit huis werd begin 1943 dus in gebruik genomen als tehuis voor een groep kinderen uit Scheveningen.
Ik ben daar pas in 1990 achter gekomen doordat bij een drietal verzorgsters uit die tijd het plan was geboren om een reünie te organiseren. Dat bleek niet zo eenvoudig omdat de adressen van de meeste kinderen uit die periode ontbraken. De drie dames waren echter niet voor een gat te vangen en schakelden daarom het KRO radioprogramma ‘Opsporing gezocht’ in. Met succes want ze slaagden er op deze manier in om met bijna alle kinderen uit die tijd in contact te komen. Op deze manier werden ook een Rudie en een Loekie Jansen gezocht, helaas zonder respons van onze kant. Ik luisterde namelijk nooit naar dat programma.
Toch had iemand van de familie het wel gehoord. M’n oudste zuster namelijk maar om voor mij niet te volgen redenen had ze geaarzeld om het door te geven. Pas een paar maanden na de oproep hoorde ik het van m’n moeder aan wie ze het wel had verteld.
Dat was tot mijn grote spijt te laat want de reünie had op dat tijdstip al plaatsgevonden. Via de KRO kwam ik toen toch nog achter het adres van één van de organiserende dames. Ik heb daar nog een heel leuk gesprek mee gehad, waarbij allerlei oude herinneringen werden opgehaald en zij stuurde mij een aantal krantenknipsels uit plaatselijke kranten in Eerbeek en Scheveningen, waarin de gebeurtenis in geuren en kleuren werd weergegeven. Een kopie van een van de artikelen hangt als bijlage aan dit hoofdstuk.

Hoe het Eerbeek van nu eruit ziet heb ik al verteld in een eerder hoofdstuk. Met m’n jongste zuster en Lia ben ik er in 2002 nog een keer geweest tijdens een nostalgisch rondje langs onze onderduikplaatsen.
Er was niet veel veranderd aan het huis en de omgeving. Eigenlijk vond ik het jammer dat ik niet nog een keertje met m’n pijl en boog kon schieten om op die manier een stukje van het verleden op te roepen. Maar zo eenvoudig gaat dat niet. Sterker nog, je kunt het verleden helemaal niet terughalen. Wat in m’n herinneringen voortleeft, is een onvolledig beeld waarvan de kleuren met de jaren geleidelijk vervagen.

Als afsluiting van dit hoofdstuk een kopie van een artikel in de Eerbeekse krant.


[begin]