29 Jan 2010

Is dit alles?
Bijna bij het einde van m’n verhaal over de oorlog gekomen kan ik de verleiding niet weerstaan om terug te bladeren in de voorgaande hoofdstukken. Foto’s met tekst, veel tekst maar toch dringt onweerstaanbaar de vraag zich bij me op of dit nou alles is wat ik me van die vijf jaar kan herinneren.
Is dit alles, zing ik zachtjes voor me heen. Is dit alles, wat er is?
Genoeg, jongen, spreek ik mezelf vermanend toe. Dit boek moet gewoon verder. De bevrijding komt eraan, het tempo moet omhoog. This is 2014, man, die mensen van nu hebben helemaal geen tijd voor jouw gemijmer. Als je vindt dat er nog meer te vertellen is doe dat dan. Je doet net de radio aan. Hoe zat het daar bijvoorbeeld mee in 1944? Of met de TV? Verschenen er nog kranten? Is de situatie van toen te vergelijken met die van nu? Met onze radio, televisie met nieuws en muziek, nog meer nieuws en nog meer muziek. Over vijf, zes, tien zenders. Waarmee je op de eerste rang zit bij elke gebeurtenis die plaats vindt op onze schijnbaar steeds kleiner wordende wereld?
Kortom, tijd om gewoon verder te gaan.

Nieuwsvoorziening
Was er nog een vorm van nieuwsvoorziening in die laatste maanden van de oorlog? Een vraag die zowel met ja als met nee beantwoord kan worden. Ik weet dat er nog steeds kranten uitkwamen, zij het op miniformaat. Maar het bezit van een radio was in ieder geval al drie of vier jaar verboden en TV bestond nog niet. Over de draadomroep, een fenomeen dat al dertig jaar geleden is opgeheven, twijfel ik. Als die nog werkte kon je daar in ieder geval uitsluitend de door de Duitsers aangestuurde zenders Hilversum 1 en 2 op beluisteren.
Maar er waren nog meer nieuwsbronnen. Geregeld werden door de illegaliteit krantjes met het laatste nieuws verspreid. Verder waren er ook nog mensen die in het geheim naar de Engelse zenders en Radio Oranje luisterden op een verborgen radio. Op die wijze drong het nieuws uiteindelijk wel tot alle hoeken door.
Thuis waren we aardig op de hoogte van de voortgang van de strijd tegen de Duitsers. Om het overzicht niet kwijt te raken had m’n oudste broer een grote landkaart aan een muur in de hal opgehangen. Daarop hield hij met vlaggetjes en gekleurd lint de situatie aan de diverse oorlogsfronten bij.
Of dat nou alles was schreef ik in de aanhef van dit hoofdstuk. Nee natuurlijk was dat niet alles. Wat bijvoorbeeld nauwelijks voorkomt in dit verhaal en ook niet gemakkelijk onder woorden valt te brengen was de onzekerheid over de afloop van de oorlog. Niet in het minst door de altijd aanwezige geruchten. Dat het bijna afgelopen was, dat het nog jaren ging duren en alle variaties tussen die twee.
En in het dagelijks leven van die tijd duurde en duurde die oorlog maar voort en knaagde steeds weer andere stukjes van het moreel af. Dat werd nog eens versterkt door de geleidelijk slechter wordende levensomstandigheden.
Ook zoiets was de vrees om opgepakt te worden bij een razzia. Links en rechts werden dan mannen opgepakt die in Duitsland moesten werken of er werden wat mensen opgepakt als represaillemaatregel tegen acties van de illegaliteit.
Ik kan me nog goed herinneren dat m’n broer in de Scheldestraat een vluchtplaats had gemaakt tussen de vloer en het plafond van het huis beneden ons. In wat oudere huizen, van voor 1940 bedoel ik, bestond die mogelijkheid omdat er een open ruimte van zo’n 30 à 40cm tussen zat. Via een luik in de vloer, dat verborgen zat onder het vloerkleed, kon hij op die manier verdwijnen als dat nodig mocht zijn.
Eén keer heeft het er echt naar uitgezien dat deze vluchtplaats echt gebruikt moest worden. Een stuk of twintig Duitse soldaten arriveerden onder veel lawaai en geschiet met overvalwagens in de Scheldestraat. De groep stopte in het midden van de straat en maakte aanstalten om bij een paar woningen naar binnen te gaan. Maar zo ver kwam het niet want na een commando stapten ze allemaal weer in en vertrokken nadat ze een paar schoten in de lucht hadden gelost.Zo liep deze gebeurtenis met een sisser af.

De laatste loodjes
In april werd duidelijk dat de bevrijding een kwestie van weken werd. De Russen stonden voor Berlijn en de Amerikanen en Engelsen trokken in snel tempo door Duitsland zonder veel tegenstand te ontmoeten. Ook niet van de bevolking daar. De voortdurende bombardementen op de grote Duitse steden hadden het moreel van de burgers dusdanig aangetast dat het merendeel apathisch het einde van de oorlog afwachtte.
Bij het Westerscheldeplein hadden Duitse soldaten nog een mitrailleurpost ingericht en schuttersputten gegraven. Alsof er op deze plaats nog serieuze gevechten werden verwacht maar daar geloofde niemand in.

Bevrijd
En toen was daar dan toch nog plotseling het nieuws dat de oorlog afgelopen was.
Na een aantal valse meldingen eind april verspreidde het bericht zich razendsnel in de avond van 4 mei.
Overigens hoorde ik het pas de ochtend daarna omdat ik al in bed lag en sliep. Die eerste bevrijdingsdag op zaterdag 5 mei liet zich overigens niet van z’n beste zijde zien. Het was somber weer, geen zon, met een grauwe wolkenhemel en er was ook niets te merken van een feestelijke stemming. Ik denk omdat er nog voldoende zekerheid was of het allemaal wel echt waar was.
Ik ben om een uur of elf nog naar de stad gelopen, maar ook daar was nog weinig feestge­druis. Hier en daar een aarzelende vlag, mannen van de BS (Binnenlandse strijdkrachten), die met gewichtige gezichten rond­liepen of rondreden. Bij het Weteringplantsoen waar een paar maanden tevoren een groep mannen als represaille was gefusilleerd, was het wat drukker en hadden de mensen bloemen neergelegd.
Omdat er in de richting van de Munt ook geen activiteiten te bespeuren waren ben ik weer naar huis teruggewandeld. Zo was iedereen in gespannen afwachting van de komst van de bevrijders.

Wachten op de bevrijders
“Wanneer komen ze nou?”
“Ze zeggen morgen maar ik moet het eerst nog zien.”
“ Ik hoorde dat het Canadezen zijn.”
“Canadezen? Hebben die dan ook meegevochten?”

En zo steeg de spanning.
Morgen komen ze!

De Canadezen komen eraan.
Pas toen de Canadezen een paar dagen later, op 8 mei, binnenkwamen barstte het feest los. Tsja, hoe moet je zoiets beschrijven, zoveel blijdschap, ontroering, vreugde.
Het was een prachtige zonnige dag en onze bevrijders kwamen met al hun rijdend materiaal, vrachtwagens, jeeps, rupscarriers, tanks, motorfietsen uit de richting Hilversum binnen via Duivendrecht, over de Berlagebrug, de Amstel­laan en de Noorder Amstellaan en daarna verder de stad in. Het begon ’s ochtends om een uur of tien en die grandioze intocht duurde verder de hele dag. Alle straten en pleinen, waarlangs ze binnenkwamen, waren omzoomd met hagen van juichende Amsterdammers, die probeerden om een stukje mee te rijden op één van de voertuigen. Op een gegeven moment wilden we ze met bloemen overladen en in een paar minuten waren de net bloeiende rhododendrons op de Noorder Amstellaan kaalgeplukt.

Jonge, jonge, jonge, wat een onvergetelijke gebeurtenis. Samen met een groep andere jochies ben ik ’s middags tot Duivendrecht gelopen om ook een keertje mee te kunnen rijden. Wat een dag! Met al die honderdduizenden enthousiaste mensen, die niet moe werden om de bevrijders toe te juichen.
En ook de dag daarna ging dat nog door.
We waren bevrijd. Nu zou alles beter worden.

Beter worden
Die verbetering had veel meer voeten in aarde dan iedereen had gehoopt. Er was zoveel vernield, er moest zoveel weer opgebouwd worden.
Het heeft uiteindelijk vijf jaar geduurd voor het welvaartsniveau van voor de oorlog weer was bereikt.


[begin]