23 Jan 2010

Het volgende verhaal heeft eigenlijk niet zoveel met de oorlog te maken en toch ook weer wel. Het gaat over de wonderlijke wegen van het toeval. Over dingen, die – schijnbaar? – bij toeval gebeuren.
Je hebt zelf ook vast wel eens zo’n gebeurtenis meegemaakt. Dat je gezellig met je partner door de stad loopt en om de een of andere reden denkt aan iemand, die je in jaren niet gezien hebt.
Wie kom je tegen op dat moment? Precies, de persoon die net een rol in je gedachten speelt.
“Goh”, zeg je dan verrast. “Dat is ook toevallig. Ik loop net aan je te denken”.
Over een toevallige ontmoeting met gevolgen voor beide partijen handelt dit verhaal.

Het verhaal over meneer Simons speelde zich af omstreeks 1947, vlak na de oorlog dus.
Ik zat in die tijd in de eerste klas van de Spinoza MULO in Amsterdam Zuid.
Meneer Simons deed z’n intrede op deze school zo omstreeks november omdat onze klasseleraar als gevolg van een hartaan­val lang­durig was uitgeschakeld.
Hij was een man van zo’n jaar of 45 en ik kan me nog goed herinneren dat hij met de directeur m’n klas binnenkwam. Een beetje onzeker, niet hele­maal op z’n gemak. Als kind voel je dan onmiddellijk aan dat die nieu­we geen orde kan houden, geen overwicht heeft en de grip op z’n klas mist. Zo iemand straalt dat als het ware uit. En er breekt voor hem of haar een periode aan die het beste te omschrijven is als een hel op aarde.
Zo dus ook voor meneer Simons. De man miste dat aureooltje dat bepaalde leraren bezitten en barstte regelma­tig in woedeuit­barstingen uit als z’n leerlingen vervelend waren. Hij was dan soms zelfs zo over z’n toeren dat hij de controle over z’n spraak verloor en echt met schuimsporen op z’n mond alleen nog maar flarden van zinnen kon uitbrengen.
Het is met enige gêne dat ik aan deze periode terugdenk. Vanwege ons gedrag in de klas en de lol als de man weer eens z’n beheer­sing verloor. Kinderen kunnen afgrijselijke monsters zijn in dit soort gevallen.
Hoe is het mogelijk dat men zo iemand tot leraar aanstelt, denk je dan achteraf. Dat mag je een mens toch niet aandoen? Inderdaad, en daar kwam nog bij dat het een doodgoeie man was, die in de periodes dat het ‘m wat beter lukte, boeiend kon vertellen over Indië. Of Indonesië, zoals we het nu noemen. Want wat was het geval? De familie Simons, man, vrouw en dochter, was net gerepatrieerd uit Indië, waar ze tijdens de oorlog door de Japanners in een kamp geïnterneerd hadden gezeten. En de zenuwen van Simons waren daar stevig op de proef gesteld omdat hij tijdens die kampperio­de een aantal malen onvoldoende respect tegen­over de Japanse bewakers zou hebben betuigd. Littekens op z’n hoofd als gevolg van stokslagen en een arm die niet helemaal meer functioneerde zoals het moest, waren daar het gevolg van.
Eigenlijk loop ik daarmee op m’n verhaal vooruit want door het toeval (daar heb je het dus) kwam ik daar pas een maand of drie na zijn intre­de op onze school achter. Dat vereist een kleine toelichting.
Na afloop van de oorlog heb ik een aantal keren tijdelijk, gedurende een periode van een paar maanden, bij een gastgezin gewoond. Het ging dan om families waar­van de man de oorlog ook niet had overleefd vanwege ver­zetsactiviteiten maar die het financieel ruimer hadden dan wij.
Zo kon het gebeuren dat ik in het voorjaar van ’47 enige maanden zou doorbrengen bij mevrouw van Parreiren. Qua postuur een monumentale vrouw met een al even monumen­tale zoon, die een paar jaar ouder was dan ik en een zeer mooie en slanke dochter van tegen de twintig, die overigens niet meer thuis woonde.
De familie van Parreiren bewoonde een groot huis van drie verdiepingen in Amster­dam Zuid.
Als gevolg van de woningnood, die in die jaren in alle hevigheid was losgebarsten, hadden ze, daarbij een beetje geholpen door de overheid, tijdelijk één verdieping ter beschik­king gesteld aan een familie waarvoor op dat moment geen andere woonruimte beschikbaar was.
Ik kwam daar dus op een gegeven moment met m’n koffer met spullen en nadat ik me had geïn­stalleerd in een kamertje kwam het ogenblik dat moeder van Parreiren me ging voorstellen aan de familie, die tijdelijk inwoonde.
“Als ik je nou eerst even een beetje de weg wijs in huis dan maken we meteen even kennis met onze inwoners”, hoor ik moeder Parreiren nog zeggen. “Dat zijn heel aardige mensen. Ze komen uit Indië en hebben het daar niet gemakkelijk gehad”.
Zo gezegd zo gedaan dus en nadat ik te weten was gekomen waar de WC en de badkamer te vinden waren gingen we naar boven. Er was een trap binnendoor in het huis naar de eerste etage en de heer des huizes als ik ‘m in dit geval zo mag noemen, stond al klaar boven om ons te begroeten?
Ik geef je te raden wie ons daar lachend opwacht­te.
Meneer Simons. Met z’n Indische vrouw en doch­tertje.
“Dat is een verrassing”, zei hij. En vervolgens werd ik me daar ontvangen met een hartelijkheid waar­op Indische mensen een patent schijnen te bezit­ten.
“Jullie kennen elkaar al?” zei moeder Parreiren verrast.
Nou, en of we elkaar kenden.
En omdat ik beslist niet helemaal brandschoon was waar het m’n gedrag bij meneer Simons in de klas betrof kan je je waar­schijnlijk wel voorstellen dat ik me aardig opgelaten voelde.
Maar m’n leraar liet niets merken en repte met geen woord over ge­beurtenissen op school.
Wat een klasse eigenlijk van die man om me zo op te vangen, realiseer ik me achteraf.
Die eerste nacht in het vreemde bed kon ik niet in slaap komen en ik lag te piekeren hoe ik de nieu­we situatie met meneer Simons de volgende dag op school zou aan­pak­ken.
Een ding was duidelijk. Er moest in de klas iets veranderen, al was het alleen maar m’n eigen gedrag.
Achteraf blijkt dat op heel simpe­le wijze te zijn gelukt omdat ik het verhaal aan m’n vrienden in de klas vertelde. Op deze wijze kregen ze in de weken daarna ook over de belevenissen van de familie Simons in het Japanse kamp te horen. Zijn vrouw vertelde me daar het nodige over als ik bij haar was vanwege onze gezamenlijke postzegel­verzamelhobby.
Vanaf dat moment groeide in de klas het respect voor de man en verliepen de lessen op een normale wijze.

Hoe het verder met de familie Simons is afgelopen weet ik niet.
Hij verliet in ieder geval de school aan het einde van het schooljaar en de contacten met de familie Parreiren verwater­den ook na een aantal jaren. Ach ja, zo gaat dat nou eenmaal.
Blijft ten slotte de vraag waarmee ik dit verhaal begon. Over toeval.
Was het toevallig dat de wegen van de familie Simons en van mij elkaar kruisten? Of had het toeval mij uitgezocht om als intermediair tussen deze mensen en m’n klas te fungeren?
Nou ja, dat antwoord moet je zelf maar bedenken.


[begin]