28 Jan 1995

36. Zandhaas

0 Reacties

Met de inleiding dat de Bromo een vulkaan is en dat je die tijdens een reis in Indonesië beslist niet mag missen omdat het één van de hoogtepunten is had Gajus z’n de week tevoren onderbroken verhaal weer opgepakt. “Maar doe me eerst een konjakkie, Frits,” had hij eraan toegevoegd, “Want ik geloof dat ik gisteravond een koutje heb opgelopen in het stadion.”

De hele vaste clan van trouwe Ingooibezoekers was die maandagmiddag bijeengekomen om nog even na te genieten van de zege die hun favorieten in de stromende regen en striemende kou op “die Advocaatgebruikers uit de lichtstad” hadden behaald. En eensgezind hadden ze de grensrechters verbannen naar de allerlaagste klasse van de onderbond omdat dezen zo duidelijk hun pover waarnemingsvermogen met betrekking tot de buitenspelregel hadden getoond.
Overigens waren er eerder op de middag nog wat trubbels gerezen bij hun intocht in de geheel verbouwde Ingooi. Ome Bram was met Gijssie en Fransie in z’n kielzog als eerste binnengekomen en gewoontegetrouw hadden ze plaats genomen aan de tafel waaraan ze al zoals ome Bram het zei ‘sinds mensenheugenis’ van hun borreltje genoten. Maar ze zaten nog maar koud op hun stek of Jopie de baron was wat zenuwachtig naderbij gekomen om ze te vertellen dat die tafel voortaan gereserveerd was voor bezoekers die een happie wilden eten.
Even had het gezelschap tijdens de discussie die ontstond zelfs in twijfel gestaan om op te stappen en een ander onderkomen te zoeken maar nadat Frits ze de nieuw ingerichte hoek voor sportliefhebbers had gewezen en de inmiddels ook gearriveerde Nico had ontdekt dat het happy hour met een half uur was verlengd accepteerden ze morrend de situatie.
“Als je d’r maar voor zorgt dat die kale Haagse eetchinees uit m’n buurt blijft,” had ome Bram nog even met een dreigende blik in de richting van de baron opgemerkt maar het kennismakingsrondje van de zaak wiste de laatste belemmeringen voor een continuering van hun bezoeken uit.
Maar terug naar het verhaal van Gajus. In sobere bewoordingen schetste hij de voorbereidingen voor z’n bezoek aan de Bromo. Dat deze tocht vanwege het vermoeiende karakter maar door ruim de helft van het reisgezelschap meegemaakt zou worden en dat hij, Gajus, nog even in twijfel had gestaan omdat hij, evenals trouwens een aantal anderen, al bijna een week bezocht werd door problemen met de stoelgang. De ‘racepoep’ had haagse Karel snedig opgemerkt maar met een gesis werd die door de overige toehoorders tot stilte gemaand.
Aangezet door mevrouw Gajus had hij echter besloten om toch te gaan.
“Moet je je voorstellen,” ging hij verder na een teug uit het glas dat Frits als op een stilzwijgend bevel had bijgevuld. “Die Bromo lag niet echt naast de deur maar op een afstand van een uurtje of drie rijden met de auto. En het laatste stuk viel d’r niks meer te rije maar moest je lopen of met een paard.”
Verbaasd keken z’n toehoorders elkaar aan. “Op een paard,” gaf Gijssie verbaasd als eerste te kennen. “Jij op een paard, Gajus?”
Frits benutte de geboden pauze om razendsnel de glazen van de overige bezoekers bij te vullen.
“Niet voor je beurt, Gijssie,” was Gajus verder gegaan. “Dat paard komt straks nog wel. De afspraak was dat we ’s nachts om half één zouden vertrekken. En we moesten warme kleren meenemen omdat die Bromo hoog in de bergen ligt en het daar ’s nachts aardig koud kan zijn. Voor het vervoer had onze reisleider twee kleine busjes gecharterd. Een beetje gammele exemplaren die je daar veel ziet. Maar goed, met wat goeie wil konden d’r zeven man op de rechte harde banken en aangezien een beetje lijden in het leven ook geen kwaad kan op z’n tijd accepteerden we de situatie. Voor we weg gingen had de helft van de groep nog even een bezoek aan de WC gebracht om op alles voorbereid te zijn.
En daar gingen we dus op weg. Natuurlijk was er niet zoveel verkeer als overdag maar het was beslist niet stil. En in het centrum van de dorpen en stadjes waar we langs kwamen was nog volop reuring. Maar na een paar uur verlieten we de bewoonde wereld om via allerlei smalle weggetjes even na drieën bij onze eerste stopplaats te arriveren. Dat was trouwens ook als overstapplaats bedoeld want we stapten daar na een korte sanitaire pauze over in kleine terreinjeeps die ons vervolgens in het aardedonker naar een veel hoger gelegen punt brachten.
Had ik al verteld dat onze Nederlandse reisleider niet mee was? Nee hè. Nee, we hadden een plaatselijke gids mee. Nou ja, plaatselijk, hij was afkomstig uit één van de grote steden. Een Indonesiër, jaartje of vijfenzestig, gepensioneerd leraar als ik ’t goed onthouden heb. Aardige man maar een eersteklas warhoofd.
Goed, die terreinjeeps brachten ons naar een soort vertrekstation voor de laatste etappe naar de top van de Bromo. Achteraf weet ik dat je daar op meerdere manieren kunt komen maar wij zouden dat te paard doen want zo stond het nou eenmaal in het reisprogramma. Hoe kom je aan zo’n beest? Het antwoord ligt natuurlijk voor de hand. Huren en de plaatselijke slimme jongens hadden daar handig op ingespeeld want die stonden daar al met hun kleine paardjes te wachten om zich te verhuren aan de niks vermoedende toeristen.
Onze gids had een kwartiertje nodig om het eens te worden over de prijs en wij stonden ondertussen in diverse staten van opwinding te wachten op de dingen die zouden komen.
Ik moet jullie bekennen dat ik die tocht te paard niet helemaal zag zitten. Ten eerste had ik nog nooit op zo’n beest gezeten en ten tweede waren m’n darmen door de hobbelige reis zo volop in beweging dat ik bang was dat ik onderweg …. nou ja, jullie begrijpen wat ik zeggen wil.
Eén van de mannelijke reisgenoten die gekweld werd door een nog grotere voortdurende aandrang vertrouwde me later toe dat hij dat had opgelost door de volledige voorraad maandverband van z’n vrouw in z’n onderbroek te proppen. Een drastische oplossing maar ja, ik had geen maandverband bij de hand. Wat moest ik, alleen achterblijven bij de toiletten en wachten tot de rest weer zou terugkomen of toch maar meegaan op hoop van zegen?
Inmiddels had onze gids paarden geregeld en kreeg we allemaal een briefje in de hand gefrommeld waarop de naam van het toegewezen paard was gekrabbeld. Er restte me dus niet veel anders dan met ware doodsverachting m’n lot tegemoet te gaan.
Buiten in het donker stond al een groepje paarden te wachten. Gelukkig waren het niet van die grote hoge exemplaren maar kleine bergpaardjes. Bovendien was er bij elk paard een begeleider en nadat ik dat gezien had vatte ik weer wat moed. Links en rechts van me klommen m’n reisgenoten op hun rijdier maar toen m’n begeleider mij aanschouwde moest ik even wachten want ik was kennelijk wat te zwaar voor de mij toegedachte viervoeter.
En terwijl mevrouw Gajus al op haar paard in het donker verdween moest ik even knijpend, als je begrijpt wat ik bedoel, wachten. Gelukkig niet te lang en m’n begeleider gaf met enige gebarentaal te kennen dat ik op m’n nieuwe paard moest klimmen.
Ja, en dat valt zelfs bij een klein paard zonder krukje mooi tegen. Maar in een flits kon ik me nog van een TV-serie uit de zeventiger jaren herinneren dat je dan een voet in de stijgbeugel moet zetten en vervolgens met een afzetje je andere been over de paardenrug slingert. Jammer genoeg zag ik aan het zadel van m’n paard geen handig uitsteeksel om me vast te houden en dat was dubbel jammer omdat m’n afzet ietsje te hard was. Wat heet te hard, ik kon mezelf niet tegenhouden, vloog over het paard heen en belandde aan de andere op m’n kont op de grond.
‘Ik ben ook eigenlijk net gek`’ dacht ik op dat ogenblik maar de gedachte aan mevrouw Gajus die daar al eenzaam op weg was bracht me tot inkeer. M’n begeleider had bovendien geen spier van z’n gelaat vertrokken, sterker nog, hij maakte wat bezorgde geluiden en nadat we met z’n tweeën geconstateerd hadden dat alles nog aan me functioneerde beklom ik voor de tweede keer wat voorzichtiger dat arme paard. Met succes en nadat de stijgbeugels nog wat verlengd waren gingen we op weg. Het werd me alras duidelijk dat m’n bankstel om maar eens wat te noemen een stuk geriefelijker zit dan een smal en hard paardenzadel maar toen de rit eerst langs steile zigzagpaadjes omlaag ging en vervolgens langs zo mogelijk nog smallere paadjes weer omhoog geraakte ik allengs in een soort verdoving. M’n geest ontsteeg als het ware de stoffelijke massa op die paardenrug waarbij met uitzondering van wat primaire levensvoorwaarden als ademhalen alle andere lichaamsfuncties stilgelegd waren. Ook die van de darmpjes.
Of ik onderweg nog iets zag van het landschap? Nauwelijks want afgezien van het licht van de sterren was het aardedonker. En die begeleider, die de weg natuurlijk kende als z’n broekzak, had alleen maar een heel klein zaklantaarntje waarmee ie zo nu en dan even keek of we nog op de goeie weg zaten.
Hoe lang die rit geduurd heeft? Vijf minuten? Een uur? Of de eeuwigheid?
Achteraf heb ik vernomen dat het ritje 35 minuten in beslag heeft genomen maar dat doet ook eigenlijk niet ter zake. In ieder geval bevonden we ons op een gegeven moment aan de voet van de krater die in het licht van de maan en de ongelooflijk heldere sterren voor me opdoemde. Het terrein om me heen zag er spookachtig uit. Dor en de bodem bedekt met een dikke laag fijn as afkomstig uit de vulkaan. Ik had een beetje het gevoel alsof ik als eerste de maan betrad.
Maar daarvoor moest ik natuurlijk wel eerst van dat paard af en helaas, de geschiedenis van het opstappen herhaalde zich. Ik was weer te enthousiast en voor ik ’t wist lag ik languit op m’n rug in de as.”
“Nou, nou, nou,” gaf ome Bram te kennen toen het gelach over deze ridder van de droevige figuur verstild was. “Ik heb ’t je wel meer gezegd, Gajus. Ouwe mensen moeten niet meer van die rare avonturen uithalen.”
“Mijn idee,” gaf Jopie de baron, die met een grote schaal bitterballen en andere lekkernijen naderbij was gekomen, te kennen. “Beter een bal dan zo’n paardenval, zeggen ze bij ons in Den Haag. Heren, ter kennismaking met ons eetcafé heb ik het genoegen om u namens Frits en mijn persoon deze specialiteiten van het huis te mogen aanbieden.”
En terwijl iedereen zich te goed deed aan deze onverwachte verrassing maakte Gajus z’n verhaal af over z’n bezoek aan de Bromo. Hoe ie verdoofd door de rit en de valpartijen van z’n paard in één ruk de 279 treden van de trap naar de top van de krater was opgedraafd. Dat de ruimte daar boven maar klein was voor de talrijke bezoekers. Vier of vijf meter op het breedste deel en dat hij door z’n hoogtevrees maar nauwelijks in de krater had durven kijken. Een diepe krater waaruit wat rook opsteeg en onderin grote vlammen zichtbaar waren, als een soort eeuwige waakvlam.
Hoe hij tijdens het wachten op de zonsopgang op een gegeven moment had staan te bibberen, enerzijds van de kou, anderzijds van de hoogtevrees.
Hoe uiteindelijk de zon in de verte langzaam zichtbaar was geworden boven de toppen van andere kraters en de eerste stralen over de laaghangende nevel in de dalen streken.
Hoe ze later weer te paard terug gingen en die tweede rit een stuk beter ging, ja, hij zelfs de smaak te pakken kreeg.
Hoe ze tegen een uur of zeven weer terug gingen en de chauffeur van hun busje in een aanval van tropenkolder of iets dergelijks als een waanzinnige probeerde om alle records in het normaal al chaotische verkeer in dat land te breken.
Dat ze tegen tienen weer terug waren bij het hotel en na een vlugge douche genoten van het ontbijt alsof ze in jaren niets te eten hadden gekregen.
“Een schitterende tocht,” had Gajus z’n verhaal besloten. “Maar nu ga ik toch echt op huis aan want je weet wat ze bij ons in Mokum zeggen. Beter een half ei in de hand dan tien in de lucht.”
En met een brede zwaai naar de baron, die met openhangende mond probeerde deze wijsheid te verwerken, verdween hij.

Gajus


[begin]

Reageer!

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *