18 Feb 2010

4. De eerste maanden na de capitulatie.

0 Reacties

Het moet een wonderlijke tijd zijn geweest, die eerste maanden na de capitulatie. Enerzijds was er het verdriet over de gesneuvelden en de verontwaardiging over de vernietiging van het centrum van Rotterdam, anderzijds kreeg de bevolking het advies van de overheid en besturen van organisaties en verenigingen om zich vooral ordelijk te gedragen en de draad van het dagelijkse bestaan weer op te pakken. Deze en soortgelijke berichten werden door diverse kranten gepubliceerd en het waren enkelingen, die het toen al waagden om hun stem te verheffen.
Gewoon rustig doorgaan met je leventje was het officiële parool.
Ik refereerde in een eerder hoofdstuk aan de problemen die een voetbalvereniging ondervond omdat een groot aantal spelers gemobiliseerd was en daardoor niet kon spelen in het weekend. Het blad van die vereniging verscheen na afloop van de korte oorlog in ons land weer op 30 mei.
‘Na den strijd’ was de kop van het hoofdartikel waarin ‘met voldoening kan worden geconstateerd dat alle 21 in militairen dienst zijnde clubgenoten als door een wonder voor den oorlogsdood zijn gespaard’. Het artikel eindigde met de namen van de 21 betrokkenen ‘teneinde deze in de geschiedenis van de vereniging te laten voortleven’.
Een bladzijde verder ging de redactie in op de gevolgen van de bezetting.
‘Alhoewel de oorlog slechts 5 dagen binnen onze grenzen heeft gewoed, zijn talloos velen door de gebeurtenissen volkomen uit het evenwicht geslagen. Niettegenstaande alle verdriet, is het de wensch der overheid en werkelijk ook het beste, dat het leven, zooveel als dat maar mogelijk is, weer zijn gewone gang gaat. Dat is dan ook de reden, dat de nog te spelen competitiewedstrijden zullen worden uitgespeeld. Na weken van nerveuze inspanning heeft onze geest ontspanning noodig en gaan we ons als ware enthousiastelingen weer op het voetbal werpen. Ik vertrouw echter, dat alle spelers, zonder uitzondering, de laatste wedstrijden nog zullen willen medewerken.”

Oppervlakkig gezien ging het leven dus weer gewoon door, ook in de Mercatorstraat in Amsterdam-West. Wij bewoonden daar een tweede etage op nummer 155, een gezin met 5 kinderen, twee meisjes en drie jongens, met leeftijden van resp. 16, 15, 13, 7 en 4 jaar
De kleuterschool, geen verplichting om die te bezoeken in die tijd, was aan me voorbijgegaan. Waarom weet ik niet. Omdat je er meer kans liep om kinderverlamming te krijgen, heb ik wel gehoord. Dat was toen nog een ziekte om bang voor te zijn omdat er nog geen vaccin bestond.
In die tijd lag de Mercatorstraat aan de rand van de stad. Tegenover ons huis lag een tuinderij, die door een brede sloot van de straat was gescheiden. Ze verbouwden er groenten die een paar keer per week met een bootje naar de markthallen aan de Jan van Galenstraat werden gebracht.
De boer woonde er met z’n gezin in een eenvoudig houten boerderijtje. Hard werken voor een klein inkomen denk ik.
Een paar honderd meter verder, achter die tuinderij, waren ze echter al bezig met het bouwen van de eerste huizen van de wijk, die nu als Bos en Lommer bekend is. We wandelden er wel eens langs om de voortgang van de bouw te bekijken. En altijd werd ik gewaarschuwd om niet in een van de kuilen met ongebluste kalk te vallen. Ik zou er levend in verbranden. Achteraf een vreemd verhaal. Waar werd die ongebluste kalk voor gebruikt en waarom werd die niet op een afgesloten plaats bewaard? Dat werd er echter nooit bij verteld. Mijn ouders vonden dat niet nodig en vonden alles best als ik maar met een grote boog om die kalkputten heen liep.
Vanuit de ramen aan de voorkant van ons huis kon je in de verte, in de richting van het huidige Slotermeer, de ringdijk zien liggen. Ongeveer in het midden zat een klein rond tunneltje waar een sloot doorheen liep. Dat tunneltje vond ik altijd erg luguber. In mijn fantasie zag ik er een oog in dat vooral op donkere dagen onheilspellend in de richting van de Mercatorstraat loerde.
Die ringdijk was in een vooruitziende bui omstreeks 1930 door het toenmalige stadsbestuur aangelegd met de bedoeling er een trein over te laten rijden. Een trein die vooral bedoeld was om goederen te vervoeren. Toen na de oorlog de stad tot ver buiten de grenzen van 1940 groeide werd de dijk voor het grootste deel opgeruimd omdat men het een hinderlijk obstakel vond. Te snel bleek achteraf. De dijk had uitstekend voor de aanleg van een bovengrondse metro kunnen dienen.
Maar bezet of niet, de zomer stond voor de deur. Met veel spelen op straat. Tollen, verstoppertje, knikkeren. Een favoriet spel was pinkelen. Hierbij gaf je met een lange stok een klap op een rond stokje van zo’n 20 cm met puntig toelopende uiteinden. Als je dat op de juiste wijze deed, op een uiteinde, vloog het korte houtje door de lucht naar z’n doel. Meestal was dat een putdeksel en degene die er als eerste in slaagde om daar met zijn pinkelhoutje op terecht te komen was de winnaar.
De verliezers waren de bewoners van de Mercatorstraat want er vloog wel eens een houtje door een van de ramen.

Vertrek uit Amsterdam
Aan dat zorgeloze kinderleventje kwam een abrupt einde doordat we met de hele familie plotseling vertrokken uit Amsterdam. Dat was overigens meer dan alleen maar een verhuizing van de ene plaats naar de andere. We verdwenen van het dagelijkse toneel, doken onder zoals dat genoemd werd. Ik kom hier uitgebreid op terug in het volgende hoofdstuk. Het heeft alles te maken met het verzet tegen de Duitsers en de rol die mijn vader daarin speelde.
Appelscha werd onze nieuwe woonplaats.

Verzet
Zoals ik op de vorige bladzijde al schreef keek de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking de eerste maanden de kat uit de boom. “Laten we eerst maar eens zien wat er gaat gebeuren”. “Die Duitsers zijn zo kwaad nog niet”.
Maar er waren ook andere geluiden. Bijvoorbeeld van groepen mensen die zich niet neer wensten te leggen bij de bezetting door de Duitsers. En al snel verschenen de eerste illegale bladen waarin werd opgeroepen tot verzet tegen de vijand.
Ik heb een paar koppen van deze bladen gekopieerd en afgedrukt op de volgende pagina.
Een ding was duidelijk, niet alle Nederlanders lieten zich als makke schapen behandelen.


[begin]