17 Feb 2010

Het vorige hoofdstuk sloot ik af met ons vertrek uit Amsterdam en de eerste tekenen van verzet tegen de Duitse bezetters. Hoewel ik de precieze datum niet weet kan ik toch wel nagaan wanneer we ongeveer vertrokken. Ik heb namelijk een aanknopingspunt.
Het moet betrekkelijk kort na de capitulatie op 15 mei zijn geweest. Ik herinner me namelijk nog goed dat we de laatste schoolweken van de eerste klas allerlei werkjes voor de juffrouw mochten doen zoals boeken kaften en punten aan de potloden slijpen. Samen met het jongetje dat naast me zat, mocht ik de lettertjes van het leesplankje sorteren en ze met elastiekjes in kleine bundeltjes bij elkaar binden. Een verantwoordelijke taak die we met veel ijver en trots uitvoerden.
Heel kort daarna, in het begin van de zomervakantie, zijn we uit Amsterdam vertrokken. Ergens in het midden van juli dus. Het begin van de tweede klas heb ik niet meer meegemaakt.
Al schrijvend realiseer ik me nu dat ik nog niets heb verteld over de reden van dat onderduiken. Daarom geef ik eerst maar een korte weergave van de gebeurtenissen die aanleiding waren van onze verdwijning.

Appelscha in 2001

Waarom onderduiken
De aanleiding van onze verdwijning was de rol die m’n vader in de politiek van die dagen speelde. In de periode die daaraan voorafging, werkte hij na de MULO – hij werd in 1900 als nakomertje in een groot gezin geboren – eerst een aantal jaren bij verschillende werkgevers op kantoor. Daarna had hij banen als vertegenwoordiger en handelsreiziger, weer voor een aantal bedrijven. Volgens de familieverhalen was hij de eerste vertegenwoordiger in Nederland van Coca-Cola waarbij hij de eigenaren van cafés’s en restaurants moest overhalen om dit drankje aan hun klanten voor te zetten. Zonder succes kennelijk want net als miljoenen anderen werd hij begin 1930 werkeloos door de grote economische crisis, die met de crash van de beurs in Wallstreet begon.
De wijze waarop werkelozen in die tijd werden behandeld was van een stijl, die je je nu nog maar nauwelijks kunt voorstellen. De uitkering was laag. De allerarmsten ontvingen daarnaast soms voedsel en kleding in natura. Om goed uit te laten komen dat de drager tot deze klasse behoorde, waren die giften van een duidelijk zichtbaar merkteken voorzien. Een mooi voorbeeld daarvan was het beruchte rijwielplaatje.
In wezen was dat een verkapte belasting voor het rijden op een fiets. Ondanks groot verzet van allerlei belangenorganisaties was die in 1924, na goedkeuring door de 1e en 2e kamer, door de toenmalige minister van Financien, H. Colijn, ingevoerd. Tegen het voor die tijd niet geringe bedrag van drie gulden moest iedere gebruiker van een fiets daarbij elk jaar zo’n plaatje aanschaffen. De dingen waren van metaal en een gewild artikel om na te maken. Om te controleren of je in het bezit was van een geldig exemplaar werden fietsers regelmatig door de politie gecontroleerd. Bij overtreding volgde er een bekeuring en een boete, die kon oplopen tot 25 gulden.
Bezitters van een fiets die konden aantonen dat ze werkeloos waren, ontvingen het plaatje gratis maar het ding was dan voorzien van een gat.
Die uitzichtloze werkeloosheid en wellicht ook andere redenen hadden tot gevolg dat m’n vader zich in 1930 als lid aanmeldde bij de communistische partij. Landelijk gezien een splinterpartij die echter in Amsterdam en omstreken op relatief veel aanhang kon rekenen.
Waarom niet de SDAP? Ik weet het niet, misschien was het tempo waarin die de maatschappij wilde veranderen hem te langzaam. Of werd hij meer aangetrokken door de beelden van de Sovjet Unie. Beelden waarvan de meeste mensen pas veel later ontdekten dat ze een vertekend beeld van de werkelijkheid in dat land weergaven.
Ik heb na de oorlog moeite gehad met het accepteren van zijn lidmaatschap van die partij. Dat hij het totalitaire systeem van de Russen waarbij het individuele belang ondergeschikt werd gemaakt aan de almachtige staat, niet heeft doorzien of heeft willen doorzien. Een systeem dat aan miljoenen boeren het leven heeft gekost.
In de Volkskrant las ik na het overlijden van prins Bernard een interessant artikel over de relevantie van dat soort zaken met als voorbeeld diens partijlidmaatschap van de NSDAP. De auteur maakt daarin bezwaar tegen een door het NIOD aangekondigd onderzoek om nogmaals het lidmaatschap van de prins te onderzoeken omdat het de historiografie van de Tweede Wereldoorlog gevangen houdt in goed-fout platitudes. Het houdt de preoccupatie in stand met de vraag hoe het mogelijk was dat zoveel miljoenen mensen zo dom, zo opportunistisch of zo verdorven konden zijn dat ze een kwaadaardige ideologie steunden. Daarbij wordt de omgekeerde causaliteit gehanteerd: wie op enigerlei wijze betrokken was bij een nazistische organisatie (of een communistische), kan niet hebben gedeugd. Tenzij de betrokkene een dubbelleven leidde en tientallen joden heeft gered. Tot zover dit citaat.
Uit de verhalen die ik later over m’n vader heb gehoord doet het me nu goed te weten dat hij absoluut niet werd gedreven door persoonlijk gewin. Wat dat betreft zijn er denk ik, maar weinigen die hem dat kunnen nazeggen.
Z’n activiteiten voor de CPH (Communistische Partij Holland) later veranderd in CPN, leidde er uiteindelijk toe dat hij deze vertegenwoordigde in de gemeenteraad van Amsterdam en de Provinciale Staten van Noord-Holland. Daarnaast werkte hij mee aan de krant van de partij.
In het Duitsland na 1930 was de verhouding tussen communisten (KPD) en nationaal socialisten (NSDAP) er een van water en vuur. Dat leidde na het aan de macht komen van Hitler tot een verbod van de KPD; de leiding verdween met alle andere kopstukken in een concentratiekamp. Datzelfde gold overigens, zij het in mindere mate, ook voor de sociaal democraten.
Als gevolg van de grote werkeloosheid vonden de nationaal socialistische principes ook in Nederland een goede voedingsbodem wat gedurende een korte periode begin dertiger jaren voor de NSB zelfs tot een kiezersvertegenwoordiging van bijna 10% leidde. Daarna werd dat weer minder. Naast de NSB bestonden er in het zuiden van het land een aantal splintergroeperingen dat de fascistische idealen van Mussolini aanhing.
Net als in Duitsland bestreden communisten en NSB in Nederland elkaar waar ze maar konden.
Kort na de Duitse inval in mei 1940 besloot de CPN om haar activiteiten illegaal voort te zetten, vooruitlopend op het verbod dat van de bezetters was te verwachten.
Omdat de kans niet denkbeeldig was dat de Duitsers daarbij de leiding zouden interneren op een wijze zoals in Duitsland was gebeurd, verdween een aantal mensen, waaronder mijn vader, van het toneel. In ons geval vertrokken we naar het noorden en later het oosten van het land om daar onder een andere naam verder te leven.

Vertrek uit Amsterdam
Natuurlijk had ik er geen weet van dat besloten was om de Mercatorstraat te verlaten en illegaal verder te leven.
Van de andere familieleden heb ik gehoord dat er heel wat discussies aan vooraf zijn gegaan en dan vooral of ook het hele gezin moest onderduiken. De kans dat m’n moeder en wij door de bezetters gegijzeld zouden worden was niet denkbeeldig
We hadden nooit mee moeten gaan zei m’n moeder een paar jaar voor haar overlijden toen we daar over spraken naar aanleiding van een Tv-uitzending over het verzet. Of die uitspraak pas achteraf vorm heeft gekregen? Ik weet het niet en het lijkt me ook niet zo belangrijk. De geschiedenis van onze familie heeft zich nu eenmaal op deze wijze voltrokken.
Voor mij en m’n jongste broer kwam het vertrek in ieder geval als een verrassing. Ik denk dat er vooraf niets aan ons was verteld uit angst dat we daar over zouden praten met vriendjes of nog erger de buren; van een gezin in de straat was bekend dat het lid was van de NSB. Volkomen onverwacht dus vertrokken we op een avond naar vrienden van mijn ouders die aan de Westlandgracht woonden en bleven daar slapen.
Het was een heel typische avond kan ik me nog goed herinneren; de hemel was namelijk heel diep zwart en zag er onheilspellend uit. ’s Nachts werd ik wakker doordat het onweerde met veel geflits en gedonder van de bliksem.
De volgende ochtend gingen we al vroeg op weg. Met een aantal koffers naar de Lemmerboot die dagelijks een of twee keer vertrok van een ligplaats achter het Centraal Station. Friesland was onze bestemming.
Hoewel het weer afgezien van wat wind rustig was geworden werd ik onderweg zeeziek. Niet zo vreemd omdat ik daar al last van heb als de pont over het IJ een beetje schommelt, laat staan dus als je op een winderige dag het IJsselmeer oversteekt.
Ik weet nog goed hoe verschrikkelijk beroerd ik me voelde. Tot overmaat van ramp gleed ik ook nog uit op een trappetje en maakte een smak van een paar meter naar beneden in een kajuit. Geen echt uitgangsdagje dus maar na een halve dag varen arriveerden we ’s middags in Lemmer en was het ergste voor mij voorbij.
In Lemmer zetten we de reis voort met een boemeltreintje. Appelscha bleek het eindpunt van de reis te zijn. Een klein dorp, zeker in die dagen maar toch al bekend vanwege de bossen met hei en zandverstuivingen, die in de buurt liggen.
De oorlog met z’n gevolgen was er nog maar nauwelijks doorgedrongen. Duitse soldaten, die in Amsterdam bijvoorbeeld al een vertrouwd stadsbeeld waren geworden, zag je er bijvoorbeeld niet.

Ortskommandantuur en Duitse richtingborden in Amsterdam

In deze landelijke oase van rust eindigde onze tocht en we vonden er een tijdelijk onderkomen in een boerderij aan de Opsterlandse Compagnonsvaart; vlak bij een brug, die in het centrum van de plaats lag.
Waarom juist daar zal je je afvragen? En wie zorgde daarvoor? Het antwoord op deze vraag werd me pas na afloop van de oorlog duidelijk. Het kwam erop neer dat de ondergrondse verzetsorganisaties, de ‘illegaliteit’, dat organiseerde. Net zoals die zorgden voor geld, bonnen en persoons-bewijzen.
In dat huis hebben we een periode gewoond. Ik weet niet meer of het weken of maanden zijn geweest. Maar er moest in ieder geval veel geïmproviseerd worden. Het had wel iets weg van kamperen want we hadden maar een paar kleine kamertjes tot onze beschikking met voorzieningen in de categorie primitief. Eten moest bijvoorbeeld gekookt worden op twee potkachels die met harde turf gestookt werden. Water haalden we uit een pomp, er was er maar een voor het hele huis, en om te slapen moesten er elke avond vier of vijf veldbedden worden uitgezet.
Een veel ernstiger probleem was echter dat we officieel niet bestonden en daardoor bijvoorbeeld niet naar school konden. In een kleine gemeente als Appelscha kon zoiets onmogelijk onopgemerkt blijven. Hoe m’n vader en moeder dat opgelost hebben weet ik niet.
Hoe het ook zij, ons verblijf daar leverde een overvloed aan vrije tijd op, met de mogelijkheid om allerlei leuke dingen te doen zoals wandelen in de bossen bij Appelscha. M’n vader had twee stel hengels gekocht en samen met m’n oudste broer viste hij daarmee in het kanaal. Door al die dingen leek het voor mij nog het meeste op een lange vakantie.
Ik had inmiddels vriendschap aangeknoopt met een jongetje dat een eindje verder langs de dijk in een boerderij woonde en maakte daardoor kennis met voor mij tot die tijd ongekende zaken als kippen, koeien en worteltjes zo vers uit de grond getrokken. En werken  met een schep en een riek, een mestvork met vier tanden.
Met bewondering keek ik altijd toe als de boer met een riek aan het werk was om mest te ruimen en als hij klaar was het ding met één forse zwaai in de grond joeg. Dat ook op die manier te kunnen leek me het einde en ik oefende daar dan ook flink op. Allengs ging het beter totdat ik op een keer te enthousiast was en de riek in plaats van voor me in de grond door m’n grote teen en sandaal stak. Ik nagelde mezelf als het ware vast.
Dat was natuurlijk brullen geblazen. De dokter moest erbij komen nadat ze me uiteraard verlost hadden maar wonderlijk genoeg liep het allemaal met een sisser af. Geen hinderlijk infecties, tetanus of een gevoelloze teen, niets van dat alles.
Het boerenleven was daarna trouwens afgelopen. Ik denk dat onze aanwezigheid te bekend werd en een paar dagen na het voorval verkasten we met z’n allen naar een zomerhuisje in de bossen achter Appelscha.
Maar dat is een ander verhaal.


[begin]