16 Feb 2010

6. De afgebroken eeuw van mijn vader.

0 Reacties

Er zijn van mijn vader niet veel foto’s om te laten zien in dit verhaal. De reden daarvan is dat ze tijdens de oorlog zijn verdwenen. Na zijn arrestatie door de SD in beslag genomen en waarschijnlijk opgeborgen in de archieven van de Gestapo.
De foto’s in dit hoofdstuk heb ik gekregen van de zoon van een van z’n broers en verder waren er nog wat kopieën van oude krantenfoto’s.


De kwaliteit van die afbeeldingen laat alles te wensen over maar geeft toch wel een indruk van de man die hij geweest moet zijn. Enerzijds is het een vertrouwd gezicht voor me maar anderzijds iemand die ik niet echt goed gekend heb. Mijn meeste herinneringen aan hem zijn vaag.
Ja, met herinneringen is het een raar ding. Sommige mensen zijn absoluut alles kwijt over hun jeugd. Anderen beweren dat ze nog dingen weten vanaf hun tweede jaar. Hoe zal dat later gaan met onze kleinkinderen. Zullen zij zich nog iets herinneren van de dagen dat hun opa en oma op ze pasten? Als ze een geheugen hebben als het mijne wordt het waarschijnlijk net zo iets als het blaadje waarop mijn herinneringen tot mijn vierde levensjaar passen. Ik kan me van die periode namelijk allen nog maar flarden van gebeurtenissen zonder enige samenhang herinneren.

Terug naar m’n vader. Tot het uitbreken van de oorlog zag ik hem door de week maar weinig omdat hij altijd al vroeg weg was en vaak pas laat weer thuis. De enkele keren dat zoiets niet het geval was en hij kon uitslapen ontbeet hij in z’n eentje op z’n gemak in de huiskamer. Ik zie dat nog zo voor me. Hij zat dan echt als een heer te ontbijten en liet zich door mijn moeder verwennen.
Om iets te begrijpen van z’n werk en motieven was ik nog te jong. Wat ik daarvan weet heb ik eigenlijk grotendeels van de andere familieleden gehoord en dan in het bijzonder van mijn jongste zuster.
M’n jongste broer en ik zijn een stuk jonger dan de andere drie kinderen in het gezin. Ik scheel met m’n jongste zus zes jaar, m’n jongste broertje is weer drie jaar jonger dan ik. Wij waren nakomertjes en werden als zodanig behandeld. We hoorden er wel bij maar waren nog te jong om in de finesses van allerlei familiegebeurtenissen mee te delen, om zaken te begrijpen die voor de oudste drie gesneden koek waren. In zekere zin is dat verschil eigenlijk altijd gebleven.
Pas veel later, na m’n 75e, ben ik er achter gekomen dat hij niet mijn echte vader was. Ik was het gevolg van een kortstondige verhouding van m’n moeder met een andere man. Mijn vader heeft toen langdurig op een ander adres gewoond maar is uiteindelijk toch bij het gezin terug gekomen. Indirect – na zijn overlijden –  hoorde ik dit verhaal van mijn oudste broer die er ook een naam bij noemde die van mijn echte vader zou zijn. Wat doe je in zo’n geval? In eerste instantie niets maar nadat ik een aantal maanden later aan het idee was gewend liet ik na overleg met mijn jongste broer een DNA-vergelijkingstest uitvoeren. De conclusie die uit het onderzoek volgde was dat wij niet dezelfde vader hadden. In zijn geval waren er meerdere aanwijzingen waaronder gelijkenis dat hij een echte Jansen was. Aangezien mijn moeder al in 1997 was overleden ontbrak de mogelijkheid om haar te vragen wie mijn echte vader was. Jammer maar ik word niet iemand anders met andere eigenschappen als ik van een nieuw naamkaartje wordt voorzien.
Los van het voorgaande wil ik toch een poging doen om iets over de man, waarvan ik altijd had aangenomen dat hij mijn vader was, te vertellen..

Pa, zoals wij hem noemden, ging als ik de ouderen in de familie mag geloven, graag als heer door het leven. Ik kan me daarvan nog vaag herinneren dat hij vaak gekleed ging in een donkerblauw pak met een vaag krijtstreepje. Uiteraard droeg hij een hoed als hij de deur uitging. Als het regende rubber overschoenen en daaroverheen een soort slobkousjes. Bij de wandelingen op zondag had hij een wandelstok bij zich, niet omdat hij moeilijk liep maar om elegant mee te kunnen zwaaien.
Een man die het tot de Duitse inval druk had en als gevolg daarvan vaak niet thuis was. Zijn werk voor de gemeenteraad, de provinciale staten en de krant nam hem volledig in beslag. Ik ben eens een keer met m’n moeder meegeweest naar een of andere bijeenkomst. Ik weet nog dat hij de menigte toesprak maar waarover het ging is me ontgaan. Het is best mogelijk dat het om verkiezingen ging.
Die hoeveelheid werk is zo gegroeid vanaf het ogenblik dat hij zich in 1930 in de politiek had gestort. Ik denk dat hij daardoor minder tijd had om aan z’n jongsten te besteden dan bij m’n oudste broer en zusters het geval was geweest. En toen de oorlog eenmaal uitgebroken was had hij wel andere dingen te doen.
Uit de jaren tot 1940 zijn een paar dingen bij me blijven hangen. Zo had hij de gewoonte om op vrijdag Droste flikken mee te nemen, als traktatie bij de thee of koffie. Het gebaar waarmee hij die uit z’n tas toverde was min of meer een ceremonieel gebeuren in de familie. Over het jaarlijkse dagje uit naar Zandvoort heb ik al iets verteld in een eerder hoofdstuk en verder zweeft er ook de herinnering aan een jaarlijks uitje zo rond kerstmis door m’n hoofd. Dan gingen we met z’n allen ’s avonds de stad in om de winkels en de verlichting te bekijken. Na afloop brachten we een bezoek aan een van de grote restaurants in de Kalverstraat om gebak te eten en iets te drinken. Ik heb dat maar een paar keer kunnen meemaken maar vond het prachtig. Ze zijn overigens allemaal verdwenen, de restaurants uit die tijd met hun donkerbruine interieur en de statige kelners, die er rondliepen. Maar dat waren zaken, die zich voor de oorlog afspeelden.
Na de inval van de Duitsers en de daarop volgende bezetting had hij heel andere dingen aan z’n hoofd. Toch bracht hij in ’41, toen we tijdelijk in Eerbeek woonden, als Sinterklaasverrassing een blikken treinstationnetje mee. Voor die tijd een duur cadeau. Korte tijd daarna, waarschijnlijk met Kerstmis, kwam hij op een avond terug met een groot pak waaruit een opwindtrein met wagentjes en rails tevoorschijn kwam. Achteraf beschouwd heel bijzonder dat hij daar tijd en gelegenheid voor vond, ondanks de druk waaronder hij leefde en het gevaar om door de Duitsers opgepakt te worden.
Hoe het met de uitwisseling van de wederzijdse genegenheid ging, of ik hem om de nek vloog en dat soort dingen, is uit m’n geheugen verdwenen. Misschien was het zo gewoon en zo’n dagelijks gebeuren dat ik het me daardoor niet meer herinneren kan. De twee afscheidsbrieven uit de gevangenis – ik kom daar later in het verhaal wel op terug – laten in ieder geval een man zien die veel van z’n kinderen hield. De liefde straalt daar als het ware af.

Met m’n jongste zuster heb ik het er vaak over gehad wat mijn vader na de oorlog gedaan zou hebben als hij in leven was gebleven. Hoe hij gereageerd zou hebben op alle gebeurtenissen, die na de oorlog plaatsvonden. Hij zou op het ogenblik dat dit boek gedrukt wordt, 114 jaar zijn maar dat zie je aan de foto’s uiteraard niet af. En omdat ik zelf steeds ouder word lijkt het zelfs wel of hij steeds jonger wordt.
Tsja, wat zou hij gezegd hebben over de opheffing van de CPN en de ondergang van de Sovjet Unie? En hoe zou hij de misdaden hebben verklaard die tijdens het bewind van Stalin zijn begaan? Zou hij hebben geprobeerd om de Muur tussen Oost- en West-Duitsland goed te praten? Hongarije? En hoe zou zijn reactie zijn geweest als hij net zoals een aantal andere kopstukken in de vijftiger jaren uit de partij was gezet?
’t Zijn vragen waarop ik met de beste wil van de wereld geen antwoord kan bedenken. Ik weet bijvoorbeeld dat hij vòòr de oorlog als lid van een delegatie een keer in Rusland is geweest. Tijdens dat bezoek moet hij toch zaken hebben gezien die niet kosjer waren. Mogelijk waren die op dat moment acceptabel in zijn ogen onder het motto dat het doel de middelen heiligt.
Hoe het ook zij, het was in ieder geval een man die zich het lot van anderen aantrok. Die ook de consequenties van z’n keuze aanvaardde en daarvoor uiteindelijk met z’n leven heeft betaald. Een wijze van handelen en optreden die bij de overgrote meerderheid van Nederland in die vijf oorlogsjaren nauwelijks voorkwam.

De foto die hierna volgt, is genomen in 1943. M’n neef, waarvan ik de foto heb gekregen, vertelde me dat het een door een fotograaf bewerkte kopie is van de foto op z’n persoonsbewijs. Daarbij is de snor die hij tijdens de oorlog droeg om ontdekking te voorkomen, geretoucheerd.
In vergelijking met de eerdere foto’s vind ik dat z’n gezicht duidelijk de sporen toont van de voortdurende spanning waaronder hij geleefd moet hebben. In ‘partij in het verzet’, het boek van Hansje Galesloot en Susan Legêne over de CPN in de tweede wereldoorlog, wordt hier het volgende over geschreven.
“Jo en Elske de Smit – vrienden van de familie – herinneren zich dat Lou Jansen, toen ze in juni 1940 met hem en zijn vrouw in Zandvoort waren, zei dat ze zich nog vrij konden bewegen dankzij het pact tussen Duitsland en de Sovjet Unie.”
“Vanaf oktober 1940 verbleef Lou Jansen elke week van donderdag tot maandag in het huis van Jo en Elske de Smit aan de Westlandgracht in Amsterdam.
Elske vertelt over die periode dat Lou na afloop van besprekingen altijd erg moe was. Het waren intensieve besprekingen. Hij zei dan tegen me: Ik heb ze weer volgegoten.” Hij pepte ze op, sprak ze moed in en voelde zichzelf dan leeggehaald. Dan zakte hij zo’n beetje weg.”
“Na de februaristaking kwam Jansen niet meer terug op het adres aan de Westlandgracht. Vermoedelijk onderhield hij toen vanuit Deventer contact met Amsterdam.”
“Jo en Elske de Smit vertelden ons dat ze schrokken, toen Lou Jansen in het voorjaar van 1943, na de arrestaties in het krantenapparaat, plotseling bij hen terugkwam op de Westlandgracht. Elske de Smit: ‘Het was niet zozeer door zijn uiterlijk, zijn vermomming, dat ze schrokken, maar meer door de verandering in zijn persoon. Hij was opgejaagd en verschrikkelijk bang. Hij was ook niet opgewassen tegen het verblijf in de bossen; dat gaf hem een gevoel van beklemming. Wij werden ook een beetje angstig. Niet angstig voor onszelf maar we waren heel erg begaan met hem. We hadden het gevoel; dit is een belangrijke politieke persoonlijkheid en die dreigde eigenlijk kapot te gaan door de illegaliteit’. Jo: ‘Toen kwam zijn verbindingsvrouw die zei: “Geen sprake van. Hoe komt ie bij jullie? Er zijn zoveel mensen die weten dat hij hier gezeten heeft. Dat kunnen jullie niet doen, dat is onverantwoord”.  Elske: ‘Maar we hadden de moed niet om hem het huis uit te zetten. Deels is het een vriend, deels had je medelijden met hem, en je kon weinig voor hem doen’.”

Nadat hij in 1943 door de SD was opgepakt heb ik hem niet meer gezien. M’n jongste broer en ik zijn nog een keertje met m’n moeder meegeweest tijdens een bezoek dat ze aan de gevangenis in Scheveningen (het zgn. Oranjehotel) bracht. Ze wilde proberen om ons mee naar binnen te nemen maar kreeg geen toestemming. Wij moesten dus buiten blijven.
Aan de overkant van de weg, die langs de gevangenis loopt, hebben we toen een half uurtje in het zand gezeten, wachtend tot ze weer terug zou komen.
Het was warm en zonnig en ik kan me nog goed herinneren dat ik niet goed wist wat ik doen moest. Zo nu en dan keek ik eens naar die grote boogvormige deur met ergens de stille hoop dat ze toch nog naar buiten zou komen om ons te halen. Maar dat gebeurde niet.

We hebben hem nooit meer teruggezien en op 9 oktober 1943 werd hij samen met Jan Dieters, z’n medelid uit de illegale leiding van de CPN, gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte.
M’n moeder heeft dat pas weken later aan m’n jongste broer en mij verteld. Waarschijnlijk omdat het haar zwaar viel om dat te doen. Ik herinner me nog goed dat ik daar vrij kalm op reageerde, sterker nog, ik wist het al.
’t Intrigeert me nu hoe ik dat toen geweten heb. Niet vanwege een begrafenis in aanwezigheid van de familie want die vond in dergelijke gevallen niet plaats. De Duitsers begroeven de slachtoffers heimelijk in massagraven en de achterblijvende familie werd pas achteraf met een kort bericht over de voltrekking van het vonnis geïnformeerd. De meest voor de hand liggende verklaring is dat ik de afscheidsbrief heb gelezen die hij op de ochtend van z’n dood heeft geschreven. Die kwam namelijk al een paar dagen daarna binnen. Of dat ik het bericht over zijn dood in de krant heb gelezen hoewel het goed mogelijk is dat die voor mij en m’n jongste broer is weggehouden.
Hoe we daarna met zijn dood omgingen is in m’n geheugen gewist. Ik denk dat iedereen zijn dood voor zichzelf verwerkte en het naar buiten toe gelaten accepteerde als een gebeurtenis die onvermijdelijk was.


[begin]