15 Feb 2010

Onderduiken maar voor de buitenwereld toch min of meer normaal functioneren, hoe doe je dat? Goede vraag, in ieder geval nooit lang op een adres blijven. Op een gegeven moment worden buren toch nieuwsgierig en als, om een voorbeeld te noemen, de kinderen niet naar school gaan dan roept dat vragen op.
Na de eerste periode in Appelscha, eerst in een boerderij langs het kanaal, daarna gedurende een aantal maanden in een soort zomerhuisje, verhuisden we daarom  naar een andere plaats.
Apeldoorn was de bestemming, waar we een groot huis aan de Badhuislaan deelden met nog een familie.
We woonden daarna ook in Epse in een zomerhuisje en brachten zowel in Deventer als in Eerbeek twee perioden door. In Barchem bewoonden we een aantal maanden een groot vrijstaand huis in het bos.
De volgorde van al die plaatsen weet ik niet precies meer en het is best mogelijk dat ik er nog een paar vergeten ben. Maar dat doet er voor het verhaal ook niet zo veel toe.
Een groot deel ligt in ieder geval in Gelderland. Of ’t toeval is weet ik niet maar de Jansentak is van oorsprong afkomstig uit deze streek. ’t Was mijn grootvader, Berend Jan Jansen, die de grote stap naar Amsterdam waagde.


Hoe ik dat weet is bijna een verhaal apart maar ik vind het te aardig om niet hier te vertellen.
Ik ben dus in het bezit van een stamboom van de Jansens, die teruggaat tot omstreeks 1750. Min of meer toevallig kwam ik daar ruim tien jaar geleden aan doordat m’n zwager benaderd werd door Anton Vedders, een heel ver familielid, die bezig was met het uitpluizen van de stamboom van de Jansens.
Anton woonde in Arnhem en was via een achterneef aan het adres van m’n zwager gekomen. Hij verzocht hem om de familiegegevens van onze tak op te sturen. Waarom de Jansens zou je kunnen zeggen, hij heeft toch een heel andere naam? Het antwoord hierop is simpel, zijn moeder was een Jansen uit een andere tak en omdat hij niet van half werk hield had hij de gehele boom maar even (wat heet even, hij was er al een jaar of tien mee bezig) uitgezocht.
Toen m’n zwager merkte dat ik geïnteresseerd was droeg hij deze taak met een zichtbaar gevoel van opluchting aan mij over. Op deze wijze kwam ik op een wel heel gemakkelijke wijze in het bezit van een stuk familiehistorie.
In 2004 heeft Anton Vedders zelfs een website van de stamboom van z’n familie gemaakt die je via internet kunt bekijken. Mick, mijn oudste zoon, vond dat zo interessant dat hij vanaf die tijd ook bezig is met de herkomst van mijn moeder en de ouders van Lia. Stapje voor stapje groeit de boom en zo nu en dan belt hij me enthousiast omdat hij weer een ver familielid heeft ontdekt.
Vedders is erin geslaagd om onze afkomst terug te vinden tot de trouwdatum van Willem Jans(en), een jongeman, die afkomstig was uit Twello. Hij trouwde in 1766 met Derkjen Lamberts Stegeman, een jongedochter uit het Hul onder Epe.
Hoewel uit het huwelijk 8 kinderen werden geboren is er in de mannelijke tak dan alleen een voortzetting via Hendrik, geboren in 1779 in Epe. De andere mannelijke leden overlijden jong behalve een die bij de invoering van de Burgelijke Stand rond 1812 de naam Willigenhof aannam. Dat werd ook gedaan door een dochter. Hendrik, die de familienaam Jansen behield, oefende het eerbare beroep uit van dagloner en trouwde in 1806 in het plaatsje Gorssel met Gerritje Paalman. De reden dat hij de naam Wilgenhof (of Willigenhof) niet aannam is onbekend. Er was echter een praktische reden dat hij zich in 1812 niet met die naam liet inschrijven. Hij overleed namelijk in 1811. Op jonge leeftijd dus waardoor het aantal kinderen gering was. Dochter Jenneken geboren in 1811, werd maar één jaar oud. Hendrik lag bij de geboorte al ziek ‘te bedde’ waardoor de vroedvrouw aangifte van de geboorte deed. Moeder Gerritje Jansen Paalman vond aanname van de naam Willigenhof in 1812 kennelijk niet nodig. Geen tijd, vergeten misschien waarop de gemeentesecretaris maar Jansen had ingevuld.
Merkwaardig genoeg hertrouwde zij later, weer met een Jansen die echter geen familie was. Zoon Willem, geboren in 1806, bereikte de mooie leeftijd van 78 jaar.
Willem, die het beroep van bouwman beoefende, trouwde in 1835 in Diepenveen met Osina Meeuwenberg. Ik vraag me trouwens af wat een bouwman is. Zou het een bouwvakker zijn of een boer? Hij schijnt overigens ook klompenmaker te zijn geweest
Hoe het ook zij, hij zorgde samen met Osina voor 6 kinderen.
Belangrijk voor onze tak was BerendJan, geboren in 1849. M’n opa, die overigens al overleed voor ik geboren was. Opa trouwde met Johanna Jacoba Naves.
Jammer genoeg heb ik geen foto van hem, wel van z’n broer Derk., een krijgshaftig baasje.

De broers van opa hielden zich bezig met de uitoefening van eerzame beroepen als molenaar, bakker en boer. Opa zelf was timmerman en verhuisde in 1882 naar Amsterdam waar hij een timmermansbedrijfje begon.
Ja, en dan m’n oma. Waar kwam die vandaan? Dat is een beetje duister. Oma was de onechte dochter van Johanna Jacoba Schwarze. De echte vader zou een Duitse textielfabrikant zijn geweest, die echter andere plannen had waarin Johanna waarschijnlijk niet paste. Ze trouwde daarom later maar met Hendrik Jan Naves, die grootmoedig het wichtje als dochter erkende
Opa BerendJan was een man die niet van stilzitten hield en hij zorgde samen met oma Johanna Jacoba voor 9 kinderen, 5 zonen en 4 dochters. Ook oma had gebrek aan zitvlees wat zich uitte in een gebrek aan honkvastheid. Bijna ieder jaar verhuisde de familie naar een andere woning en ze woonden daardoor ondermeer in de Buitenbrouwerstraat, Haarlemmerstraat, Roomolenstraat, Oldenbarneveltstraat, Heerenstraat, Haarlemmer Houttuinen, Spuistraat, Prinsengracht, Nieuwendijk, N.Z. Voorburgwal, Fagelstraat, de Wittenstraat, Orteliussteeg, Lindenstraat en de Prinsenstraat.

De oudste broer van m’n vader, Wilhelm, was 22 jaar ouder. Ook timmerman. Hij werkte ondermeer een aantal jaren in Zuid Afrika. Als gevolg van een val van een bouwsteiger overleed hij al in 1906.
Na Wilhelm kwam in 1880 Johanna Osina, die al in 1923 overleed als gevolg van een nierziekte. Johanna trouwde in 1909 met Johan Willem Grote, die later een vooraanstaande rol in de NSB zou spelen. Hij overleed in 1958.
Eind 1881 werd Osina Maria geboren. Werd ook al niet oud en overleed aan kanker in 1926.
Catharine Jacoba (tante Koosje), geboren in 1883 is de eerste in het rijtje, die ik nog gekend heb. Zij trouwde in 1911 met Willem Haages, waarvan ze later gescheiden is. Haar twee kinderen, Ellie en Wim, heb ik ook na de oorlog nog verscheidene keren bij ons thuis gezien.
Berend Jan, oom Jan, is van 1885. Had het bedrijf van z’n vader overgenomen samen met z’n broer Gerit. Oom Jan was getrouwd met Geertruida Kok. Na haar overlijden (ze pleegde zelfmoord) trad hij in het huwelijk met Hiltje Mantel, die overleden is in 1948. Er waren drie kinderen in deze familietak, twee zonen uit z’n eerste huwelijk en een dochter uit z’n tweede. Van de zonen is er een in Duitse dienst aan het Oostfront gesneuveld .

Zoals ik al schreef werden er in het huwelijk van m’n opa en oma 9 kinderen geboren. In 1889 zag Gerrit Hendrik het levenslicht. Hij maakte het niet lang en overleed kort voor z’n tweede verjaardag.
De daarop volgende Maria in 1890 werd maar twee maanden oud.
Eind 1892 volgde er weer een Gerrit Hendrik, die in 1920 trouwde met Sentina Geertruida Prent. Oom Gerrit overleed in 1984. Hun zoon Gerrit Hendrik,(Gé) trouwde met Alida Cornelia Bloem. Twee zonen waarvan één de bekende acteur Tom Jansen is.
Mijn vader ten slotte, Louis, was de jongste van het stel kinderen (een nakomertje eigenlijk) en werd op 28 maart 1900 geboren. Anders dan z’n broers, die net als hun vader het beroep van timmerman uitoefenden, was hij voorbestemd om te leren.
Overigens verliet opa in datzelfde jaar 1900 de familie, het werd hem kennelijk allemaal wat teveel. Volgens de overleveringen hield hij van een borrel, had dat gemeen met een aantal andere leden van de familie en overleed in 1914. Overleden aan een hartaanval wil een verhaal. In een dronken bui boven het toilet gestikt toen hij aan het overgeven was een ander.
Tante Naatje zoals oma werd genoemd bleef alleen achter.

Wat de drinkgewoontes van de familie betreft heb ik mijn moeder wel eens horen verkondigen, dat al die Jansens dronkelappen waren. Maar ze overdreef graag. In onze kring heeft m’n oudste broer er in ieder geval nooit iets van willen weten. En de rest drinkt wel eens een glaasje, net als de meeste Nederlanders.
Oma overleefde opa maar niet zo lang. In 1920 blies ook zij de laatste adem uit.

Uit ongeveer 1910 dateert bovenstaande foto met oma, m’n vader, m’n oom Gerrit en m’n oom Jan.

Overigens bleven de broers en zusters van opa de Veluwe trouw. Het ging de familie voor de wind en een paar kregen zelfs landelijke bekendheid als bakker en molenaar. Ze brachten vele kinderen voort waarvan er een aantal naar Canada en Australie is geëmigreerd.

Van m’n moeder weet ik veel minder.

Links: onduidelijke foto uit 1933 waarin ze met mij poseert
Rechts: deze foto dateert van 1942 en is genomen in Apeldoorn

M’n moeder was de dochter van een kleine schipper uit Friesland en had niet een echt leuke jeugd. Het vrachtscheepje van haar vader had namelijk geen motor en dat betekende dat ze al op heel jonge leeftijd voor het dagelijks werk werd ingeschakeld. Zo heeft ze me wel eens verteld dat ze al op negen- of tienjarige leeftijd mee moest helpen om de boot te trekken als er geen wind stond. Moeizaam lopend in een trektuig, samen met haar vader en haar broer, op het jaagpad langs de vele kanalen in Friesland, Groningen en Drente. Naar school gaan schoot er meestal bij in vandaar dat ze altijd problemen heeft gehouden met schrijven.

Zo rond haar zestiende had ze genoeg van het leven op de boot bij haar ouders. Ze werd dienstmeisje bij familie in Leeuwarden die echter na een jaar naar Limburg verhuisde. Groningen met het schip van haar zwager was haar volgende bestemming. Hoe lang ze daar is gebleven weet ik niet. Ze heeft me wel eens verteld dat ze een baantje had als dienstmeisje bij een familie in Sneek. Dat heeft ze een aantal jaren volgehouden totdat ze op haar twintigste tot de conclusie kwam dat ook dat leven niet overeenkwam met haar dromen. Samen met een vriendin zou ze Friesland gedag hebben gezegd en naar Amsterdam zijn gefietst waar het geluk wachtte. Dachten ze maar zonder schoolopleiding kwam je ook in die tijd niet zo ver. Bovendien was ze in verwachting geraakt en kreeg ze een zoon die de naam Fimme kreeg. Vader onbekend en datzelfde geldt voor het meisje dat ruim een jaar daarop werd geboren hoewel de familieverhalen in dat geval over de joodse zoon van de familie spreken waar zij als dienstmeisje in huis was.
Uiteindelijk heeft ze in Amsterdam m’n vader ontmoet die de twee kinderen als de zijne accepteerde. Ze woonde daarna samen met m’n vader een tijdje in Bussum maar keerde daarna weer met hem terug naar Amsterdam waar ze eerst een paar jaar inwoonden in de van Spilbergenstraat. Vervolgens een jaartje in de Orteliusstraat en vanaf 1927 in de Jan van Galenstraat. In 1933 verhuisde de familie naar de Mercatorstraat waar ze bleven tot het uitbreken van de oorlog.
Kinderen kwamen er ook. Vier waardoor het totaal op vijf kwam. Fimme, haar eerste kind, was eind 1925 overleden.


[begin]