14 Feb 2010

Eerbeek is een dorp in Gelderland. Het grenst aan het Nationale Park Veluwe met de Onzalige Bossen en de Imbos. De plaats is bekend als toeristische trekpleister en er staan een paar grote papierfabrieken. Het aantal inwoners bedraagt ongeveer tienduizend.
Er zijn op de Veluwe tientallen van dergelijke plaatsen maar Eerbeek neemt in dit verhaal een bijzondere plaats in. Wij hebben daar namelijk drie maal een vrij lange periode doorgebracht; in het huis van een bijzondere vrouw die daardoor een belangrijke rol heeft gespeeld in ons leven.
Calluna Alba – witte heide – was de naam van de woning waarin we tijdelijk woonden. Een kleine villa die een eind buiten het dorpscentrum lag. Aan een zandweg, tegen de rand van een uitgestrekt bosgebied. Niet helemaal eenzaam en verlaten; in de naaste omgeving stonden nog wat andere huizen en een paar boerderijen.
In deze omgeving moet de familie Jansen op een dag, beladen met bagage, zijn uitgestapt op het stationnetje van de plaats. Er bestaan geen familiefoto’s van die gebeurtenis maar via het onvolprezen Internet vond ik toch een plaatje van het station Eerbeek met trein. In de website van een spoorwegenthousiasteling waaruit ik ook leerde dat het station al in 1887 was gebouwd. De halte Eerbeek was een van de stations op de lijn Dieren – Apeldoorn, waarop in 1947 echter de laatste passagiers werden vervoerd.

Als ik probeer om me die dag voor de geest te halen stuit ik meteen op het vervoersprobleem dat er moet zijn geweest. Vanaf het station naar het huis was op z’n minst een half uur lopen. Met vier of vijf grote koffers zie ik dat nog niet zo snel gebeuren. Maar wat dan? In die dorpen had je echt nog geen taxi in die tijd. En in ons geval bleven we het liefst onzichtbaar.
Maar op een of andere wijze moeten we toch in onze nieuwe tijdelijke verblijfplaats zijn gearriveerd en begroet door de eigenares, mevrouw Versteegh.
Zij moet een heel bijzondere vrouw zijn geweest, was de weduwe van een architect, en vervulde ook nog een rol in een kerkje dat ze een paar honderd meter van het huis had laten neerzetten. Als ik me niet vergis voor de oud-katholieke gemeente in het dorp. We moesten haar maar tante Mieke noemen en dat deden we dus. In een later hoofdstuk vertel ik nog wat meer over haar
Tante Mieke was vegetariër, dierenliefhebster en had een hond en twee of drie katten. Het is misschien niet aardig om te zeggen maar ik vond die hond een kreng van een dier. Binnenshuis was hij ook niet te handhaven vandaar dat hij buiten in een hok naast het huis was ondergebracht. Om het hok was een flink stuk grond afgerasterd waar het beest de hele dag rusteloos heen en weer liep.
M’n broers en zusters moesten soms een eind met hem wandelen. Geen favoriet werkje van ze heb ik later begrepen. Tijdens de tweede periode die we in het huis verbleven was de hond gelukkig overleden.
Verder was er een kat die naar de naam Griesje luisterde.
De villa Calluna Alba was niet groot maar had een heel bijzondere sfeer. Het was echt zo’n vooroorlogs huis met een rieten dak, vol met ingebouwde kasten, nissen, kleine donkere kamers en een serre. Het was wel voorzien van elektrisch licht.Was er een telefoon in huis? Voor één van de leiders van het driemanschap toch wel een minimum vereiste maar het is een van de vele onderwerpen waarop ik geen antwoord weet.
Er was geen stromend water wat overigens vrij gebruikelijk was voor afgelegen woningen in die tijd. Boerderijen hadden vaak een waterput. Dit huis had een handpomp in de keuken waarmee je water uit de grond kon oppompen.
Gekookt werd er op flessengas. Op de slaapkamers stonden wastafels met een grote porcelijnen kom en de zogenoemde lampetkan met water. De po ontbrak natuurlijk niet onder het bed. De W.C. beneden in het huis werd doorgespoeld met een grote kan met water. Na gebruik bijvullen onder pomp S.V.P.
Wij woonden en leefden daar wat je noemt å la campagne.

Eerbeek toen
Het klinkt misschien vreemd maar van de tijd die we in Eerbeek doorbrachten, herinner ik me met uitzondering van het einde alleen maar plezierige dingen. Ik was daar vrij als een vogel, kon niet naar school en mocht eigenlijk binnen de beperkingen die bij m’n leeftijd hoorden, alles. Helpen op de boerderij van boer Brink, spelen in de zandafgraving achter het huis, wandelen in de bossen. Dat laatste meestal met m’n broers.
Ik weet zelfs nog de route van twee van onze favoriete wandelingen. Eén, die vrij rechtstreeks naar de Echoberg voerde van waaruit je dan uren kon lopen in de richting van de heidevelden en een tweede, die via een watervalletje langs een beek door een stuk bos met dikke beuken voerde. Die beek kwam steeds meer in een dal te liggen omdat het terrein daar geleidelijk steeg en verdween -of begon- uiteindelijk zo’n meter of dertig beneden in de diepte. Door aanwijzingen van twee lezers weet ik dat het de Gravinnenbeek moet zijn geweest. De beek is als gevolg van onvoldoende onderhoud bijna verdwenen maar er bestaan plannen om hem te herstellen.
In m’n herinnering begon de eerste wandeling bij een laantje in het verlengde van de Polweg tegenover de Harderwijker straatweg die toen nog niet verhard was. Eerst ca. 500 meter rechtdoor door dennenbos, daarna linksaf een paar honderd meter en vervolgens rechtsaf. Links en rechts lage dennenaanplant. En daarna ongeveer een kilometer rechtdoor tot je bij een aantal zandheuvels kwam waarvan de Echoberg de hoogste was. Als je verder doorliep en een beetje links aanhield kwam je op een gegeven ogenblik bij een plek in het bos waar een aantal vakantiebungalows stond. Een stuk of tien groen geschilderde houten vakantiehuisjes, die zomers verhuurd werden. Het waren eenvoudige houten gebouwtjes en niet te vergelijken met het bungalowpark dat tegenwoordig op die plaats ligt. Nog weer verder kwam je bij de hei die in mijn herinnering eindeloos groot was. Op een hoog punt in die vlakte, een flink eind wandelen, was een houten blokhut gebouwd. Daar woonde niemand in dat wil zeggen, ik heb er nooit iemand in gezien.
Mensen ontmoette je nooit tijdens die wandelingen. Konijnen ja, een enkele keer een vos en herten en reeën. Buizerds en sperwers, die bijna roerloos in de lucht stonden, speurend naar veldmuizen.
Er liepen drie of vier beken door dat mooie gebied bij Eerbeek, vandaar de aanwezigheid van een aantal papierfabrieken in de plaats. Die hadden veel schoon water nodig. Na het passeren van zo’n fabriek was het met die schoonheid gedaan. Grauw en stinkend vervolgde de beek z’n weg. Daar is gelukkig tegenwoordig iets aan gedaan. Er staan nog steeds papierfabrieken in de plaats. Of ze het water uit de beken nog gebruiken weet ik niet maar als dat het geval is zijn ze nu verplicht om het afvalwater eerst te zuiveren.
Er schiet me overigens te binnen dat we ook wel eens een route volgden, die langs de rand van ontgonnen land met graanvelden liep. Op een paar velden verbouwden ze ook een of ander knolgewas. Als die knolletjes nog klein waren, zo ongeveer met de afmetingen van een worteltje, trokken we er vaak een paar uit de grond om op te eten. De smaak was een beetje radijsachtig, wel lekker.
Voorbij dat bouwland liep de weg het bos in. Langs een groot somber huis, omringd door hoge bomen. Bij het huis lag een groot zwembad. Er hing daar altijd een wat sombere sfeer, net alsof er een thriller van Agatha Christie had gespeeld met lijken in het zwembad, schoten in de nacht en meer van dat moois.
Terug naar de net beschreven wandeling. Als je verder doorwandelde moest je via een doorwaadbare plaats een andere beek passeren, de Loenense beek. Daar hebben we heel wat keren gezeten, in het water gespeeld en dammen gebouwd om een meertje te vormen. Het stond daar ook vol bramenstruiken. Ooit wel eens bramenthee gedronken? Die maakten we van gedroogde bramenbladeren. De melange die we bij die beek plukten, was een bijzonder lekkere.
Nostalgische verlangens naar die tijd schreef ik al eerder. En dat speelt vast wel een rol. De rust en de ruimte die daar waren en de vrijheid, die ik genoot terwijl andere kinderen van m’n leeftijd naar school moesten, dat tref je niet gauw.
Niet naar school. Je zou daar uit kunnen afleiden dat ik helemaal niets meer leerde na de eerste klas. Dat wil dan zeggen in schoolverband maar ik meen dat ’t tante Mieke was (alweer zij) die nog oude schoolboekjes bezat en mij en m’n jongste broer geregeld aan ’t werk zette met schrijven, lezen en rekenen.
Vraag me niet hoe vaak dat gebeurde en wat de resultaten waren. Ik hield in ieder geval van lezen en ik denk dat dat de beste stimulans was. M’n favoriete boek was het Boek voor de Jeugd. Een loodzware dikke pil in een mooie, rode, linnen band die een paar jaar voor de oorlog was uitgegeven door Arbeiders Pers. Boordevol met verhalen, sprookjes en gedichten. Van Hans Andersen tot H.G. Wells en van Anton Coolen tot Jack London, Mark Twain, Multatuli en Theo Thijssen. Prachtig geïllustreerd ook en ik heb het letterlijk en figuurlijk stuk gelezen. Om de een of andere reden is het na de oorlog verloren gegaan en met het ouder worden groeide de spijt dat ik het niet meer bezat. Groot was de verrassing toen m’n oudste zoon er een paar jaar geleden mee aankwam. Voor mij gekocht bij een handel in tweedehands boeken. Weliswaar een druk uit 1947 maar evengoed een kostbaar goed. Weet je dat ik alle verhalen nog kende? Niet letterlijk maar zeker qua inhoud en bij het lezen stapte ik zonder moeite ruim 70 jaar terug in de tijd.
Sommige zinsneden kon ik me nog letterlijk herinneren omdat ze door het onderwerp veel indruk op me hadden gemaakt. Bij het doorbladeren viel het boek open bij een fragment dat me altijd bij is gebleven. Het is de geschiedenis van Saidjah en Adinda en dat begint aldus: “Saidjah’s vader had een buffel, waarmee hij zijn land bewerkte.”
Een andere favoriet van me was Bruintje Beer, dat wil zeggen, de stripboeken van die naam.
’t Aardige was dat m’n jongste zuster werd ingeschakeld om ons bij deze laat ik maar zeggen schoolse werkzaamheden te begeleiden. Te benijden was ze geloof ik niet en voor zover ze toen nog plannen had om bij het onderwijs te gaan, heb ik haar daar wel definitief vanaf geholpen.
Tsja, Eerbeek, heb ik eigenlijk alles verteld over dat rietgedekte huis, de bewoners, de omgeving?
Nee natuurlijk, maar ik mag dit hoofdstuk toch niet afsluiten zonder de dames Cun en Ibel te noemen.
Ibel en Cun waren twee vriendinnen, schooljuffrouwen als ik me niet vergis, die zo nu en dan in het weekend bij tante Mieke op bezoek kwamen. De relatie tussen de drie vrouwen was me onduidelijk. En om de relatie tussen Cun en Ibel te herkennen was ik nog te jong.
Cun was klein, een beetje pinnig, maar toch niet onaardig. En Ibel was groot en lang, met de onhandigheid van het peerd van ome Loeks. Beide dames droegen het haar in een grijze knoet op het achterhoofd. Ik vond het altijd net lijken of ze een ui op hun achterhoofd hadden geplakt.
Natuurlijk hadden ze voor de hand liggende bijnamen in onze familie. Kaïn en Abel. Maar ze hoorden bij het huis en mogen zeker niet vergeten worden in dit verhaal.

Eerbeek 70 jaar later
Zoals ik de inleiding van dit hoofdstuk al zei neemt Eerbeek van al de plaatsen, waar we tijdens de onderduikperiode verbleven, de belangrijkste plaats in. Ik ben er met m’n moeder en later met Lia en de jongens nog diverse keren keren geweest. Tante Mieke was toen allang overleden. De laatste keer dat we er waren, was maart 2012.
In 2001 en 2002 maakte ik met Lia en m’n jongste zuster een nostalgische tocht langs onze onderduikplaatsen. Veel rijden en zoeken omdat het me toen meer moeite kostte dan bij eerdere bezoeken om alles terug te vinden. De reden daarvan was simpel. Net als overal in Nederland was er in al die jaren zoveel veranderd en bijgebouwd dat allerlei herkenningspunten van vroeger waren verdwenen. Tienduizend inwoners heeft de plaats op dit ogenblik. Dat aantal lag in 1941-43 tussen de duizend en tweeduizend. Een bijkomend probleem was dat alle afstanden en afmetingen die ik in m’n geheugen had opgeslagen, op een of andere wijze gekrompen bleken te zijn. Maar nadat we ons georiënteerd hadden met behulp van het station en het voormalige hotel Nijk als uitgangspunt, lukte het uiteindelijk om het huis terug te vinden. Aan de Polweg, verstopt tussen wat andere huizen en bomen die er in 1940-’43 nog niet stonden. Goed onderhouden en nog steeds met de naam Calluna Alba.
Naast het huis van Toontje en Riekie, kinderen waarmee ik speelde in die tijd, lag zelfs het zandpad nog dat naar het bos leidde; de weg voorlangs hun huis – de Harderwijkerweg –  was echter geasfalteerd. We hebben bij dat bezoek natuurlijk ook nog in het bos gewandeld en geprobeerd om de routes van vroeger terug te vinden. Een bijna onmogelijke taak omdat met uitzondering van de padenloop alles veranderd was. Bomen en vooral jonge aanplant hebben de gewoonte om in zestig jaar te veranderen in woudreuzen. Groot was de voldoening dat ik er in slaagde om de Echoberg te vinden. Er viel alleen niets meer te echoën omdat de heide rondom de heuvel was verdwenen en had plaatsgemaakt voor dennenbos. Op een gegeven moment waren we toen ook bij de onvermijdelijke camping terechtgekomen, welvaartsverschijnsel van na de oorlog. Vreemd genoeg hinderde dat me en helemaal toen een omroepinstallatie de stilte verbrak met mededelingen over de activiteiten van die dag. Hadden ze nou niet van ons stukje bos kunnen afblijven?
Het sombere huis met zwembad hebben we niet kunnen vinden.  Achteraf denk ik dat het om het grote landhuis op landgoed Groenouwe ging. Tijdens de oorlog was dat gevorderd door de Duitsers. Door onvoorzichtigheid met vuur is het vlak voor het einde van de oorlog verbrand. Tijdens een bezoek aan tante Mieke in 1946 hebben we er nog gewandeld. Ik kan me nog herinneren dat er tussen de verbrande ruines allemaal oude Duitse tijdschriften lagen.

 

 


[begin]