13 Jul 2018

Appelscha, Eerbeek, Apeldoorn, Epse, Deventer, Barchem, Deventer, als in een Aardrijkskundeles van vroeger trekken de plaatsen in een lange rij aan me voorbij. Epse mag niet ontbreken en Deventer zeker niet.
Deventer, wanneer gingen we daar eigenlijk de eerste keer naar toe? Ik weet het niet meer. In ieder geval nadat we in Appelscha en Apeldoorn waren geweest. En als ik me goed herinner ook na ons eerste verblijf in Eerbeek. Maar zat er nog een plaats tussen? Die moet dan in ieder geval in de provincie Gelderland hebben gelegen.
In Deventer brachten we net als in Eerbeek twee perioden door. De eerste van ongeveer augustus 1941 tot maart 1942. De tweede van juni 1942 tot december 1942. Beide keren woorden we daar aan de Schoutenweg 2, een vrijstaand huis in een buitenwijk van de stad. Met een kleine tuin voor en achter stond het in een straat met meer soortgelijke huizen.
De dagen verliepen er wel op een andere wijze dan in Eerbeek met z’n bossen en heide. Geen lange wandelingen meer en de rust van het platteland ontbrak er natuurlijk. Maar het was een stad met een gezellig centrum en een grootstadspark. Je kon er wandelen langs de IJssel en over de schipbrug naar de overkant van de rivier.
Achteraf bekeken verwonder ik me dat deze plaats als onderduikadres was gekozen. Een familie met vijf kinderen die daar onverwacht uit de lucht kwam vallen. Een vader die vervolgens vaak weg was terwijl de rest van de familie de dagen in ‘volledige ledigheid’ doorbracht, dat wil zeggen niet naar school ging of een baantje had. Je zou toch zeggen dat zoiets wel moest opvallen. Met buren aan alle kanten – statistisch gezien moeten er een aantal NSB-ers in de buurt gewoond hebben – moet de kans op ontdekking toch heel wat groter zijn geweest dan op het platteland. Aan de andere kant kan je zeggen dat je daardoor gemakkelijker opging in de massa.
Het bijzondere van het huis in Deventer was dat we er niet alleen woonden maar net als in Eerbeek deelden met de hoofdbewoner. Het huis in Deventer was door Bertus Webeling in opdracht van het verzet gehuurd om er periodiek onderduikers te kunnen huisvesten.
Bertus en Reina met hun dochtertje Tineke van een jaar of vier oud waren voormalige buren uit Amsterdam en lid van – of sympathiserend met de CPN. Hij was zowel timmerman als kunstschilder maar ook fotograaf. Om die reden was er een donkere kamer op de zolder van het huis gemaakt. De fotografische bezigheden hadden waarschijnlijk alles te maken met het vervalsen van persoonsbewijzen en andere documenten.
Die zolder van het huis was een ideale plaats voor allerlei activiteiten, temeer omdat alle andere kamers volbezet waren. Ik had er bijvoorbeeld met m’n jongste broer een afgeschermd speelhol gemaakt en verder werd de ruimte door Bertus en m’n oudste broer gebruikt voor oefeningen, die je tegenwoordig tot body building zou rekenen. Elke dag waren die twee er wel een half uurtje bezig met boksoefeningen op een grote zandzak. En om hun arm-en schouderspieren sterker te maken hadden ze een stel trekveren aangeschaft.

Schaatsen en zwemmen

In Deventer hebben we een strenge winter meegemaakt en een mooie zomer. Tijdens die winter heb ik schaatsen geleerd op de vijvers in het stadspark. Ik kan me nog goed herinneren dat we met m’n moeder de stad in waren en dat ze toen in een opwelling een paar houten schaatsjes kocht.
Ik ben nooit een groot schaatser geworden maar dat lag niet aan die schaatsjes. Ook later met schaatsen met schoenen werd ik er geen echte uitblinker in.
Houten schaatsen vertoonden een aantal ‘makkes’. Zo was alleen al het aanbinden van die dingen een hele kunst. Ze waren namelijk voorzien van leren hiel- en neusbanden en moesten met veters worden vastgemaakt aan je schoenen. Een werkje dat met koude handen lastig was om uit te voeren. Als ik dan eenmaal aan het schaatsen was werkten die veters tijdens het rijden soms weer los waardoor de schaats scheef onder m’n schoen kwam te zitten. En dat betekende dat ik met m’n inmiddels nog kouder geworden handen eerst de knoop van die veters moest lospeuteren om ze vervolgens zo strak aan te trekken dat de bloedsomloop in m’n voeten bijna gestremd werd. Als toppunt van ellende wilde zo’n veter dan ook nog wel eens breken.
Was dat schaatsen dan echt niet leuk om te doen? Integendeel, na de eerste niet zo succesvolle pogingen in Deventer kreeg ik het voldoende onder de knie om mee te kunnen krabbelen met de massa en omdat er daarna en nog later na de oorlog een hele serie strenge winters volgde heb ik m’n hart echt op kunnen halen.
Schaatsen dus in Deventer tijdens de strenge winter van ’41-’42 waaraan geen einde scheen te komen. En sleetje rijden van de heuvels met een houten model van het merk Davos. Een solide exemplaar dat echter al kort na aankoop ernstig beschadigd werd omdat Bertus (of was het m’n oudste broer?) er tijdens de afdaling van een heuvel mee tegen een boom reed. Een van de poten was gebroken maar ik heb al geschreven dat Bertus erg handig was. Hij lijmde de poot met beenderlijm en versterkte de zaak met een schroef. De reparatie was zo goed uitgevoerd dat de slee daarna nog jaren is meegegaan.
De zomer die we in Deventer meemaakten, is me bijgebleven omdat we zo vaak naar het zwembad gingen. Als ik me goed herinner gingen we daar meestal op de fiets heen. M’n jongste broer en ik achterop.
Ik twijfel een beetje over de plaats van het zwembad. Lag dat nou in Lochem of gooi ik een paar plaatsen door elkaar. Recent ben ik er achter gekomen dat het het Borgelerbad was dat je op de fiets via de Ceintuurbaan gemakkelijk kon bereiken. Een tweede zwembad waarvan de foto op bladzijde 71 staat is het zwembad Stijgoord in Lochem. Dat bezat naast meerdere baden een grote kanovijver.
 

Het was er altijd druk, dat weet ik nog wel. Zwemmen kon ik nog niet maar met de kikkerslag amuseerde ik me met mijn jongere broer ook wel in het ondiepe. Gekleed in een blauw zwempakje. Een zwembroek was voor mannen (en kleine mannetjes) nog lang geen algemene dracht. Als je echt de blits wilde maken liet je van je badpak nonchalant één van de schouderbandjes van je schouder zakken.

Razzia
Een keer liep het door een razzia in het zwembad bijna fout. Er werd een onverwachte klopjacht gehouden maar laat ik eerst proberen uit te leggen wat een razzia inhield.
Zowel voor als tijdens de oorlog konden de Duitsers op de steun van een flink aantal Nederlanders (wat heet) rekenen. Als bezetter van ons land maakten ze natuurlijk graag gebruik van dat aanbod en ze gaven de mannen die daarvoor in aanmerking kwamen, een opleiding. Voor hun politie hadden ze op een aantal plaatsen in Nederland opleidingskampen gecreëerd en één daarvan lag in het dorp Schalkhaar, dat in de buurt van Deventer ligt.
Op een middag dat wij weer in het zwembad waren, dat wil zeggen m’n moeder, m’n jongste broer en ik, was er ook een opleidingsgroep uit Schalkhaar aanwezig. Niet voor de eerste keer overigens maar op de betreffende middag vonden ze het nodig om na een paar uur zwemmen en luieren in de zon plotseling tot actie over te gaan. Op het programma stond waarschijnlijk een bliksemrazzia in het zwembad.
Dat betekende paniek bij een groot deel van de bezoekers en zeker bij m’n moeder Met haar vervalste persoonsbewijs was ze natuurlijk bang om gecontroleerd te worden. Op een holletje nam ze ons daarom mee naar een badhokje. De spanning was voelbaar terwijl we ons gehaast aankleedden, uit een andere hoek van het zwembad hoorden we het geschreeuw van mensen en commando’s van de Schalkhaarders. Waarschijnlijk werden alle bezoekers systematisch in die richting gedreven.
Vraag me niet hoe m’n moeder het voor elkaar kreeg maar via de kleedhokjes zijn we door een aantal nauwe gangetjes temidden van een klein groepje andere opgeschrikte zwemmers door een zijdeur naar buiten gevlucht. We zijn daarna als ik me goed herinner niet meer naar dat zwembad geweest maar dat kan ook veroorzaakt zijn door de naderende herfst waardoor het mooie weer gewoon op was.
Overigens kon je ook in Deventer zwemmen. In de IJssel was namelijk een bad aangelegd waarbij je zwom in de rivier. Dat bad was afgeschut door een drijvende opbouw met kleedhokjes e.d. Geen ligwei voor als het mooi weer was.
Ik moest om de een of andere reden een keer mee met m’n moeder en de zusters op een druilerige middag. Wat we er te zoeken hadden is achteraf een raadsel want er was geen ondiep bad voor de niet zwemmers. Het meest waarschijnlijk is dat ik mee moest omdat ik niet alleen thuis mocht blijven.
Vanuit het centrum van de stad bekeken lag het laatste bad aan de overkant van de rivier naast de brug. Dat was geen gewoon exemplaar maar een schipbrug. In plaats van pijlers lagen er verankerde schepen als drijvers in de rivier en daaroverheen was een houten brug aangelegd. Die bestond uit beweegbare delen en de brug kon daardoor de niveauverschillen in waterstand van de rivier opvangen. Het was daardoor wel een onstabiel geheel en ik vond het meestal niet prettig om eroverheen te lopen.
Was ik dan zo’n bang jongetje? Wel nee, maar ik was gewoon voorzien van een extra dosis voorzichtigheid. De kans op ontdekking door de Duitsers droeg daar uiteraard aan bij.
bsp;

NASCHRIFT 1 bij hoofdstuk 9. d.d. 1-8-2019
Ons onderduikadres in Deventer

Inleiding
Zoals al in het begin van dit hoofdstuk aangegeven brachten we in Deventer net als in Eerbeek twee perioden door. De eerste van ongeveer augustus 1941 tot maart 1942. De tweede van juni 1942 tot december 1942. Beide keren woorden we daar aan de Schoutenweg 2, een vrijstaand huis in een buitenwijk van de stad. Met een kleine tuin voor en achter stond het in een straat met meer soortgelijke huizen.
Het vervolg op het verhaal over ons onderduikadres in Deventer begon midden 2017 toen ik een mail van Johan van der Veen uit Deventer ontving. Johan die zichzelf omschreef als onderwijsmens in ruste was weer met zijn oorspronkelijke studie Geschiedenis aan de slag gegaan. Hij woonde in Deventer en was bezig met een artikel over de Schoutenweg 2a in die plaats. Na een omnummering was dat nummer gewijzigd in 93.
Het noemen van dat adres riep natuurlijk gelijk allerlei herinneringen bij mij op omdat het twee keer gedurende een aantal maanden ons schuiladres geweest. We woonden er als onderduiker bij een gezin dat als hoofdbewoner stond ingeschreven. De familie Webeling.
Eind februari 1943 had de SD met een onverwachte inval een einde aan deze schuilplaats gemaakt.
Johan schreef daarover het volgende: “Agent Antoon de Vries die bij de arrestatie van Guurijna Hoeijenbos (Rein Webeling) betrokken was, heeft het pand na haar arrestatie in de gaten gehouden en vervolgens de deur op slot gedraaid. De stukken die op deze arrestatie betrekking hadden waren uiteindelijk in het Stadarchief terechtgekomen. Daarbij zat ook de sleutel van het betreffende pand.
Op enig moment had hij – Johan – die sleutel in handen gekregen. Zoals hij schreef”: ‘Bijna een relikwie.’
Mijn familie was overigens al een paar maanden voor de beschreven inval in februari 1943 vertrokken naar een ander onderduikadres. Begin december 1942 werd dat de villa Calluna Alba in Eerbeek.
Tijdens zijn onderzoek naar aanvullende gegevens stuitte Johan via Google op mijn website en het verhaal over onze oorlogsbelevenissen in Voordat ik het Vergeet. Na zijn eerste mail en mijn reactie daarop ging de bal aan het rollen en ontstond gaandeweg het verhaal over de Sleutel van de Achterdeur dat in het Deventer Jaarboek 2018 is opgenomen. Eind mei 2018 vond de presentatie van het verslag door Johan plaats in de Grote Kerk in Deventer.
Grootste verrassing voor twee aanwezigen was dat ze elkaar daar na bijna 80 jaar weer terugzagen. Tineke Webeling en Ruud Jansen. Figuurlijk gesproken kwamen zij elkaar via de achterdeur op de Schoutenweg 2A tegen. Dankzij een sleutelbewaarder die niet tevreden was voor hij het slot had gevonden waarop deze sleutel paste. Johan van der Veen.
Zijn verslag heb ik als bijlage opgenomen in Voordat ik het vergeet

Bijna leek het daarna of alles over deze geschiedenis was verteld totdat ik op 6 mei 2019 een Email ontving van Els D. Els is een kleindochter van Willem Webeling sr, de vader van Bertus Webeling. Zij had bovendien een andere kleindochter, Nancy v. O, op het verhaal over hun familie attent gemaakt en er kwam een uitgebreide briefwisseling tot stand met beide dames.
In mijn boek vertel ik dat de familie Webeling boven ons woonde in de Mercatorstraat 155 III. Zij waren op 1 Augustus 1933 op dat adres komen wonen, een paar maanden voor wij daar op de tweede etage arriveerden vanuit de Jan van Galenstraat 307 II. Dat vond om precies te zijn plaats op 12 oktober 1933. Of de families met elkaar omgingen weet ik niet maar ik neem aan van wel.
Op 9 juni 1936 verhuisden de Webelings naar de Bennebroekstraat 29 waar zij een paar jaar bleven wonen om vervolgens op 12 december 1938 naar de Woestduistraat 146 1e etage te vertrekken. Op 1 april 1946 verhuisde de wed. Webeling naar de Haarlemmermeerstraat 128 waar zij bleef wonen tot 20 mei 1952. Haar volgende adres werd Sloterweg 34hs. Op 11 januari verhuisde zij naar de Sloterweg 5 hs waar ze op 6 november 1964 overleed
De familie Webeling bestond uit 8 personen. Willem, zijn echtgenote Christina Alberta Beenke, 3 jongens en 3 meisjes.
Zoon Albertus Christiaan (Bertus) Bertus was op 4 juni 1913 geboren en trouwde in 1937 met Guuryna Hoeyenbos (Reina). Het echtpaar betrok op 11 september een tweede etage in de van Spilbergenstraat 62.
Bertus stond in het kaartensysteem van de burgerlijke stand ingescheven als timmerman, kunstschilder en timmerman-aannemer.
De rol die hij met zijn echtgenote in het verzet speelde staat in het verslag van Johan van der Veen en in Voordat ik het vergeet beschreven

oom Bertus en tante Reina.2.20190508_180413
Bertus en Reina

 Nieuw voor mij was de actieve rol van Willem sr. in het verzet waarop zijn kleindochters mij attent maakten. Uit een stuk van de Stichting 1940-1945 dat zij mij stuurden, citeer ik het volgende verhaal.
“Willem Webeling, geboren 19 maart 1887 in Nieuwer-Amstel, gewoond hebbende Haarlemmermeerstraat 128 I, was van 1908 tot aan zijn arrestatie als machinezetter werkzaam bij het Algemeen Handelsblad in Amsterdam. Hij was lid van Communistische partij en werkte vanaf het begin van de bezetting actief mee aan het verzet door het verspreiden van De Waarheid en het aanplakken van tot verzet aansporende manifesten. Verder zamelde hij gelden in voor het Solidariteitsfonds. Hij stelde zijn woning beschikbaar om vergaderingen te houden van de verzetsgroep van de Waarheid. Hij werkte samen met de heer G. Rus, die in de Bennebroekstraat 27 in Amsterdam woonde.
Verzetswerk waarbij een zeker risico op ontdekking aanwezig was. Dat gebeurde dan ook op 28 juli 1941.
Met de heer Rus was hij op die datum bezig met het huis aan huis verspreiden van illegale lectuur in de Haarlemmermeerstraat in Amsterdam. Eén van de illegale bladen die hij in een brievenbus had gedeponeerd kwam in handen van een dochter des huizes, die omgang had met een Duitser, die op dat tijdstip aanwezig was. Op aanwijzing van deze vrouw werd de heer Webeling vlak daarop door de betrokken Duitser gearresteerd en overgebracht naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans. Via concentratiekampen te Schoorl en Amersfoort werd hij overgebracht naar het concentratiekamp te Neuengamme, waar hij op 27 januari 1942 is overleden.”
Uit de documentatie die ik van de kleindochters ontving bleek dat er na zijn arrestatie nog een aantal keren contact is geweest met de laatste berichten op 28 oktober en 3 november uit het Durchgangslager in Amersfoort.
Na zijn arrestatie ontving zijn echtgenote op 1 augustus 1941 een briefkaart uit het Huis van Bewaring aan de Weteringsschans. Latere berichten kwamen op 19 Augustus, 28 Augustus en 4 September uit Schoorl.
Willem arriveerde op 19 november 1941 in Neuengamme (Hamburg). In de website Traces of War vond ik dat hij bij het eerste transport Nederlanders hoorde, dat vanuit kamp Amersfoort richting Neuengamme vertrok. Er zouden er nog vele volgen. Tijdens die transporten werden er ook gevangenen ‘íngeladen’ in Assen, Leeuwarden en Groningen.
Als een gevangene het kamp binnenkwam moest hij eerst douchen, al het lichaamshaar werd verwijderd en de burgerkleding werd ingeruild voor de gestreepte kampkleding met de bekende driehoek met nationaliteitsaanduiding (voor Nederlanders een H). Tevens kreeg iedere gevangene een kampnummer op jas en broek. In een andere website over Neuengamme vond ik dat het kampnummer van Willem Webeling 06566 was.
Door het zware werk dat de gevangenen moesten verrichten in o.a. de steenfabriek veranderden ze geleidelijk in levende wrakken die ‘Muselmannen’ werden genoemd. Dagelijks stierven er honderden gevangenen.
Willem overleed op 27 januari 1942
Na de oorlog werd hij op de erebegraafplaats bij Hamburg begraven.
Over zijn arrestatie op 28 juli 1941 vond ik in de politierapporten 1940-1945 het volgende verslag in het Stadsarchief

Tekst d.d. maandag 28 juli 1941:
“Afschrift in vijfvoud naar Halls”
“Brengen de a.p.s. Spijker (4301) en Hoofdman (3784) op aanwijzing van Cornelia Deleana Touw, geb. Adam 19-3-22, kapster, Aalsmeerweg 6 III en Jan Siebesma, geb. te Leeuwarden den 15 Mei 1907 Adminstrateur, Stolkwijkstraat 6huis alhier, een persoon genaamd Willem Webeling, geb. Amsterdam 19-03-87, machinezetter, Woestduinstraat 146 1hoog alh. van wien zij hadden gezien dat hij een biljet, inhoudende anti Duitsche propaganda, in den brievenbus van perceel Aalsmeerweg 6 stopte.
Siebesma erkende dit feit en verklaarde 48 biljetten in brievenbussen aan den Aalsmeerweg te hebben verspreid, Deze biljetten had hij ter verspreiding van een hem onbekend persoon op de Aalsmeerweg ontvangen, even tevoren had hij een bericht aan zijn woning gehad dat hij op den Aalsmeerweg – Hoofddorpweg moest komen, eveneens van een onbekend persoon.
De inhoud van deze biljetten is hem onbekend. Twee biljetten die door Webeling tijdens zijn vlucht had verscheurd, zijn gedeeltelijk door a.p. Spijkers gedeponeerd en worden bij dit rapport gevoegd.
Webeling blijft in bewaring. Fouill. F.56.O25.
In verband met bovenstaand heeft B.P. van Dijk een onderzoek in de woning van Webeling ingesteld hetgeen tot niets heeft geleid. Twee biljetten zijn door bp van Dijk uit een brievenbus van perceel Aalsmeerweg 123 gehaald, een dezer biljetten gaat bij dit rapport.
Afschrift in 5voud HB Kamer 42

opa Webeling gevonden in fotoboek van mama.20190508_173417

Wat natuurlijk opvalt is dat de twee rapporten op een aantal onderdelen van elkaar verschillen.
Bijvoorbeeld de straat waarin de pamfletten in de bus werden gegooid.
In het artikel van de Stichting 40-45 werd Willem Webeling door de Duitsers gearresteerd en naar de Weteringschans gebracht. In het politieverslag werd dat door twee politieagenten gedaan die hem naar het politiebureau brachten. Hij zou een vluchtpoging hebben ondernomen.
En wie is die Jan Siebesma? Toch niet die tweede persoon die in het verslag van de Stichting wordt genoemd. Gooide hij zonder de opdrachtgeven te kennen zomaar biljetten in de brievenbus?
Ik vond hem op genealogieonline. Jan Siebesma was inderdaad op 15 mei 1907 in Leeuwarden geboren. In 1932 in Amsterdam getrouwd met Justina Petronella Holzmann. Als beroep wordt filiaalhouder vermeld.
Hij komt ook voor in de personenlijst van het Stadsarchief met als beroepen: kruidenier, administrateur. Contoleur CCD en kant bed.

 Het is onduidelijk wat er precies tijdens de arrestatie van Willem Webeling is gebeurd. Eveneens waarvoor hij werd gestraft. Mogelijk vinden we hier later meer over.
Augustus 2019

Zie ook de bijlage De sleutel van de achterdeur. Schoutenweg 2a

grafsteen opa Webeling.11066536_979330902079296_1044547348800896334_n


[begin]