10 Aug 2005

91. De dood of de gladiolen

0 Reacties

Ik heb er nauwelijks iets van gezien,” zei ome Bram in de overvolle Ingooi terwijl hij Gajus een schuimende pils van het huismerk toeschoof. “Weet je wat het is, d’r zit geen sjeu meer in de Tour. Alles wordt geregeld door de ploegleiders en die renners met hun oortelefoontjes lijken meer op robotten dan op wielrenners die staan te popelen om er tegenaan te gaan. Trouwens, ik ben niet de enige, kijk naar Gijssie, liefhebber van het eerste uur, won ooit als amateur de ronde van Noord-Holland, die wil er geeneens meer over praten. Over De Tour. Wat zeg je? Vroeger was het anders? Daar zeg je me wat. Goh, breek me de bek niet open. Vroeger, toen onze jongens nog meeknokten om de overwinning op de Alpe d’Huez. Maar kom daar tegenwoordig eens om. Volgens mij is het allemaal door de Euro gekomen. Ja, lach maar om een ouwe bloemenkoopman. Maar denk er nog maar eens over na. Sinds we die Euro hebben is er alleen nog maar rottigheid in de wereld.

Maar wat anders, hoe gaat het met jou? Heb je een tijd niet gezien in de Ingooi. Ben je weggeweest, naar Frankrijk of zo?”
Z’n gesprekspartner nam een lange teug van z’n pils en z’n blik dwaalde eerst langs de gezichten van alle aanwezigen voor hij aan z’n antwoord begon.
“Ik heb er wel aan gedacht, Bram maar weet je, het is zo’n rot eind rijden, naar dat chaletje. 1200 kilometer en daarom zijn we toch maar thuisgebleven. Misschien dat we volgende maand nog een paar weken gaan, ach we zien wel. Voorlopig blijven we nog maar even in Nederland. Ik heb nog wat klusjes te doen, de buitenboel moet ook weer eens in de verf en ik werk aan een paar schilderijen. Eigenlijk hoef ik niet zo nodig weg op het ogenblik. Komt eind van het jaar wel, dan hebben we al een paar dingetjes op het programma staan. Even Bram.
Frits, FRITS! Schenk de jongens nog eens effe in.
Maarre, hoe staat het met jou, Bram? Wordt het nou toch echt geen tijd om op te houden met die bloemen. Verdorie man, je bent 78, 79. Nou, dan lijkt het me toch echt tijd om te stoppen met die handel.
Ja, proost, mensen, op het nieuwe seizoen van onze jongens. Ik heb er wel vertrouwen in. Ja, ik weet wat je zeggen wilt, Bram, eerst zien. Maar ik had het over dat werken van jou. Hoe staat het daar mee? Wil je niet stoppen, mag je niet stoppen van moeders of kan je niet stoppen?”
“Het laatste, Gajus,” antwoordde de oude bloemenkoopman terwijl hij z’n wijsvinger in de borst van gesprekspartner priemde. “Het laatste. Kijk, deze jongen heeft z’n hele leven gebuffeld achter z’n bloemenkar en je hebt mij nooit horen klagen maar een vetpot is het nooit geweest. En daardoor is het er bijna nooit van gekomen om wat weg te leggen voor onze ouwe dag. Paar keer een lijfrentetje van een handvol joeten maar dat zet niet echt zoden aan de dijk. Je ouwe dag, daar zorgt Drees wel voor, zei m’n moeder vroeger altijd. Kortom, ik moet het met m’n AOW doen en samen met vier middagjes bloemen kan ik er dan net leuk komen hoewel, ik kreeg van de week een boekie in m’n brievenbus over het nieuwe ziekenfonds en daar werd ik niet echt vrolijk van.”
Wat hij verder wilde vertellen ging verloren door de binnenkomst van Haagse Karel die kennelijk iets te vertellen had en in de deuropening al om aandacht van de aanwezigen vroeg.
“Vroeger zeiden ze eerst goeienmiddag,” probeerde Bram de Haagse spraakwaterval nog te stuiten maar hij had zich de moeite kunnen besparen. De vertegenwoordiger van de hofstad was niet meer te stuiten en begon aan een lang verhaal over z’n lucratieve handel in voetballers, die hij voor vele miljoenen bij naar roem en succes dorstende clubs in binnen- en buitenland wist onder te brengen. ”Vijftien procent van elk contract, Gajus. Ik heb je al meer aangeboden om die schilderijtjes van je te verkopen, jongen. Jij hebt goud in je handjes, man als je mij m’n gang laat gaan.
Frits, ik kom net terug van een contractbespreking, schenk de jongens eens effe in. Ja, doe iedereen maar. Nee, ik noem geen namen, dat is tegen m’n principes maar twee en een half miljoen Eurootjes voor een speler die met z’n verkeerde been nog geen twintig meter recht vooruit kan schoppen is toch niet onaardig wat? Ja, reken maar even mee, Gijssie. Vijftien procent van twee en een half is bijna een half miljoen ouwe guldentjes. Maar ik blijf eenvoudig en ik blijf aan m’n vrienden denken. Asjeblieft, voor jullie, kaartjes, voor komend weekend. In de Arena, Ajax. En niks te bovenste ring, kijk eens, Fransie, skybox jongen, voor beide dagen, omdat jullie m’n gabbers zijn.”
Met stomheid geslagen keek de vaste supporterskern naar de uitnodigingen die Haagse voor ze op tafel had uitgespreid. Fransie was de eerste die weer wat kon uitbrengen.
“Maar dat zijn uitnodigingen van de …….” Wat hij verder wilde zeggen werd hem onmogelijk gemaakt door de grote hand van Haagse Karel op z’n mond.
“Hé hé, neeeeee, je weet wat ik altijd zeg, Fransie, nooit namen noemen in gezelschap. Namen noemen doen we niet. Enne, boys, zorg nou maar dat je aanstaande vrijdag een uurtje voor de eerste wedstrijd bij de ingang van de Soccerwereld staat, dan wijs ik jullie wel de weg. Beetje gekleed Gijssie als het kan, beetje niveau als je begrijpt wat ik bedoel.
“Kijk,” zei ome Bram wat later tegen Gajus. “Dat bedoel ik nou. Zo’n Karel die plotseling de gebraden haan uithangt. Vroeger een kleine handelaar in ongeregeld, niet altijd zuiver op de graad, een soort Jacobse en van Es. Maar wat gebeurde er, meneer Zalm moest zo nodig scoren met die Euro en meneer Karel raakte daardoor plotseling geïnteresseerd in politiek, de levering van hasj via de achterdeur aan koffieshops, en meer van dat fraais. Het resultaat zie je nu. Geloof me Gajus, die Euro wordt nog eens de ondergang van ons allemaal” en omdat het toch al aardig laat was verdwenen de twee mannen onopgemerkt door de anderen, die zich tegoed deden aan het derde rondje van Karel, het oude supporterscafé.
“Zie ik je vrijdag bij de Soccerworld,” vroeg Gajus op de tramhalte bij het instappen in de tram naar z’n woonplaats.
“Daar zou ik maar niet op rekenen,” kreeg hij als antwoord van de man die de gladiool als symbool van een wielrennatie had zien opkomen en ondergaan.
“Je weet toch nog wel wat we vroeger tegen elkaar zeiden in zo’n geval. Liever voor een knakie in een dubbel vak, dan je eer verkopen voor een plaatsie bij de kouwe kak.”
En grinnikend zwaaide hij de vertrekkende tram na. Gladiolen, mooie gladiolen …….

Gajus


[begin]

Reageer!

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *