Inleiding

Hoe vaak ben ik eigenlijk al begonnen met mijn verhaal over de tweede wereldoorlog? Over het leven in de jaren die er aan voorafgingen, het onverwachte begin, de drie jaren dat we ondergedoken waren, de afloop? Drie maal, vijf keer?
In ieder geval dateren de eerste pogingen al van een jaar of dertig geleden en met onderbrekingen produceerde ik de daarop volgende vijftien jaar een kleine honderd pagina’s tekst. Het lukte me echter niet om er een sluitend geheel van te maken. De geboorte van Morris, onze oudste kleinzoon, die tot m’n verrassing als tweede naam de naam van m’n vader kreeg, gaf weer een duwtje in de goede richting maar zelfs deze gebeurtenis leidde niet tot het afronden van m’n verhaal. Toch knaagde het aan me dat er nog steeds een opdracht lag die niet voltooid was en het eerste echte jaar van dit millennium besloot ik om de gebeurtenissen uit de jaren ’40-’45 definitief op schrift te stellen. Als afsluiting van een periode. Het resultaat zond ik in afleveringen/hoofdstukken naar een aantal mensen. Om het ze kritisch te laten lezen, om me af te fluiten waar dingen te saai werden of om andere redenen niet konden, om zachtjes te applaudisseren waar het de toets van hun kritiek kon doorstaan.
Was ik er daarna tevreden mee? Niet helemaal en na drie jaar vond ik het tijd om er nog een keer met de stofkam doorheen te gaan. Er bleven heel wat ‘haren’ achter maar er was ook sprake van een toename van de haardos. Ik had, om in haartermen verder te gaan, aanvullingen geïmplanteerd. Doordat ik nieuwe feiten en gebeurtenissen ontdekte heb ik dat daarna ook in 2010, 2012 en 2014 gedaan.
Het resultaat ligt voor u. Kan ik hiermee definitief een punt zetten achter deze gebeurtenissen? Het wordt weer een ja en nee antwoord. Ik heb nog altijd het gevoel dat het beter kan, anders moet. En wie weet, gebeurt dat ooit nog een keer. Verschijnt ooit het boek van Gajus, of het boek van erJeetje, of misschien wel het boek van Ruud.
Nog een laatste opmerking tot besluit. In deze verhalen heb ik het over Duitsers als ik de ‘bezoekers’ uit ons Oostelijk gelegen buurland bedoel. ‘Moffen’, de benaming die in die dagen gebruikelijk was, gebruik ik alleen waar een uitspraak of tekst uit die tijd aangehaald wordt.

Augustus 2014
Ruud Jansen

 

 

Eerste editie december 2004
Bewerkt januari 2010
Voorzien van aanvullingen februari 2012
Voorzien van aanvullingen augustus 2014

1. Vroeger was alles anders.

Denken aan vroeger. Kan je je nog iets herinneren van je eerste schooldag? Dat er bij het Sinterklaasfeest een goochelaar was die een echt konijn uit z’n hoed toverde. Dat je op de kermis een zuurstok kreeg en dat je tong door het zuigen helemaal ruw werd. Dat je met de hele familie een dag naar het strand ging, dat er op zondag altijd een mannetje door de straat liep met oliebollen. “Bolletje bolletje bol, bij de koffie, bij de thee, pak een lekker bolletje mee, bolletje bolletje, bol!” Weet je dat nog?
Ik had het er laatst met een leeftijdgenoot over. Over gebeurtenissen uit onze jeugd. Of hij nog iets wist uit de tijd dat hij zo’n jaar of vijf, zes was? Of ik me nog iets kon herinneren over de periode die aan de oorlog 40-45 voorafging?
Natuurlijk kan ik me nog van alles uit die tijd herinneren, was m’n eerste reactie. Maar op zijn vraag of die herinneringen allemaal even zuiver waren moest ik het antwoord schuldig blijven. Bijna iedereen geeft namelijk een eigen inkleuring aan zijn ervaringen.
Neem bijvoorbeeld het onderwerp van dit verhaal, de wereldoorlog van ’40-’45. Het kan haast niet anders of m’n herinnering aan deze periode zijn beïnvloed. Aangevuld door kennis van anderen, door wat ik erover gehoord heb en gelezen. Hetzelfde geldt voor de jaren die aan de oorlog voorafgingen. Ik was bijna zeven toen het geweld losbarstte. Zou ik me zaken kunnen herinneren waardoor ik bijvoorbeeld toen wist dat er een oorlog op komst was? Ik weet het niet, denk haast van niet. Wist ik toen überhaupt wat oorlog was? Ook dat betwijfel ik.

(meer…)

2. Vòòr de oorlog

Ter inleiding
Weet waar je aan begint als je ooit jouw jeugdherinneringen wilt vastleggen. Na dat eerste hoofdstuk heb ik het gevoel of ik bezig ben met een enorme puzzel. Het begin was simpel, bijna zonder nadenken kon ik me die eerste drie of vier verhalen uit hoofdstuk 1 voor de geest halen. Daar kwam er nog eentje bij en toen ik verder zocht kwamen er nog meer die bijna vanzelf op hun plaats vielen. Het was het beeld van een onbezorgde tijd en daarmee roep ik ongewild een verkeerd beeld op. Laat ik proberen om uit te leggen wat ik daarmee bedoel.
Als gevolg van de crash die in 1929 in Wallstreet plaatsvond, was er een economische chaos in de wereld ontstaan van ongekende omvang. Net als alle andere westerse landen had Nederland in de dertiger jaren een gigantische klap gekregen en het tobde nog steeds met de naweëen daarvan.
Er was een conflict aan het groeien tussen Duitsland en de rest van Europa maar met het aanhouden van een strikte neutraliteit probeerde ons land daarbuiten te blijven. Net als tijdens de oorlog van 14-18 gaf men er de voorkeur aan niet in een oorlog verwikkeld te raken.
In de loop van 1939 nam de dreiging van een oorlog nog meer toe en op 3 september van dat jaar was het zo ver; als reactie op de  Duitse inval in Polen verklaarden Engeland en Frankrijk de oorlog aan het Duitsland van Adolf Hitler. Dit betekende niet dat daarmee het geweld tussen die grootmachten meteen losbarstte. Afgezien van wat kleine incidenten gebeurde er de eerste zeven maanden niets.

(meer…)

3. Het begin van de oorlog.

De oorlog, die centraal staat in dit boek, begon op 10 mei 1940 met een verrassingsaanval van onze oosterburen. Zonder enige waarschuwing trokken de Duitsers in de eerste uren van die dag met een overmacht aan vliegtuigen en legereenheden ons land binnen.
Het was mooi weer die vrijdag, het was al een aantal dagen mooi weer en het vrije weekend van Pinksteren stond voor de deur. Je zou je kunnen voorstellen dat iedereen al plannen had gemaakt om er op uit te gaan, naar het strand, naar de bossen, sporten. Lekker onbezorgd genieten.

(meer…)

4. De eerste maanden na de capitulatie.

Het moet een wonderlijke tijd zijn geweest, die eerste maanden na de capitulatie. Enerzijds was er het verdriet over de gesneuvelden en de verontwaardiging over de vernietiging van het centrum van Rotterdam, anderzijds kreeg de bevolking het advies van de overheid en besturen van organisaties en verenigingen om zich vooral ordelijk te gedragen en de draad van het dagelijkse bestaan weer op te pakken. Deze en soortgelijke berichten werden door diverse kranten gepubliceerd en het waren enkelingen, die het toen al waagden om hun stem te verheffen.
Gewoon rustig doorgaan met je leventje was het officiële parool.
Ik refereerde in een eerder hoofdstuk aan de problemen die een voetbalvereniging ondervond omdat een groot aantal spelers gemobiliseerd was en daardoor niet kon spelen in het weekend. Het blad van die vereniging verscheen na afloop van de korte oorlog in ons land weer op 30 mei.
‘Na den strijd’ was de kop van het hoofdartikel waarin ‘met voldoening kan worden geconstateerd dat alle 21 in militairen dienst zijnde clubgenoten als door een wonder voor den oorlogsdood zijn gespaard’. Het artikel eindigde met de namen van de 21 betrokkenen ‘teneinde deze in de geschiedenis van de vereniging te laten voortleven’.
Een bladzijde verder ging de redactie in op de gevolgen van de bezetting.
‘Alhoewel de oorlog slechts 5 dagen binnen onze grenzen heeft gewoed, zijn talloos velen door de gebeurtenissen volkomen uit het evenwicht geslagen. Niettegenstaande alle verdriet, is het de wensch der overheid en werkelijk ook het beste, dat het leven, zooveel als dat maar mogelijk is, weer zijn gewone gang gaat. Dat is dan ook de reden, dat de nog te spelen competitiewedstrijden zullen worden uitgespeeld. Na weken van nerveuze inspanning heeft onze geest ontspanning noodig en gaan we ons als ware enthousiastelingen weer op het voetbal werpen. Ik vertrouw echter, dat alle spelers, zonder uitzondering, de laatste wedstrijden nog zullen willen medewerken.”

(meer…)

5. Appelscha.

Het vorige hoofdstuk sloot ik af met ons vertrek uit Amsterdam en de eerste tekenen van verzet tegen de Duitse bezetters. Hoewel ik de precieze datum niet weet kan ik toch wel nagaan wanneer we ongeveer vertrokken. Ik heb namelijk een aanknopingspunt.
Het moet betrekkelijk kort na de capitulatie op 15 mei zijn geweest. Ik herinner me namelijk nog goed dat we de laatste schoolweken van de eerste klas allerlei werkjes voor de juffrouw mochten doen zoals boeken kaften en punten aan de potloden slijpen. Samen met het jongetje dat naast me zat, mocht ik de lettertjes van het leesplankje sorteren en ze met elastiekjes in kleine bundeltjes bij elkaar binden. Een verantwoordelijke taak die we met veel ijver en trots uitvoerden.
Heel kort daarna, in het begin van de zomervakantie, zijn we uit Amsterdam vertrokken. Ergens in het midden van juli dus. Het begin van de tweede klas heb ik niet meer meegemaakt.
Al schrijvend realiseer ik me nu dat ik nog niets heb verteld over de reden van dat onderduiken. Daarom geef ik eerst maar een korte weergave van de gebeurtenissen die aanleiding waren van onze verdwijning.

Appelscha in 2001
(meer…)

6. De afgebroken eeuw van mijn vader.

Er zijn van mijn vader niet veel foto’s om te laten zien in dit verhaal. De reden daarvan is dat ze tijdens de oorlog zijn verdwenen. Na zijn arrestatie door de SD in beslag genomen en waarschijnlijk opgeborgen in de archieven van de Gestapo.
De foto’s in dit hoofdstuk heb ik gekregen van de zoon van een van z’n broers en verder waren er nog wat kopieën van oude krantenfoto’s.

(meer…)

7. Hoe het verder ging.

Onderduiken maar voor de buitenwereld toch min of meer normaal functioneren, hoe doe je dat? Goede vraag, in ieder geval nooit lang op een adres blijven. Op een gegeven moment worden buren toch nieuwsgierig en als, om een voorbeeld te noemen, de kinderen niet naar school gaan dan roept dat vragen op.
Na de eerste periode in Appelscha, eerst in een boerderij langs het kanaal, daarna gedurende een aantal maanden in een soort zomerhuisje, verhuisden we daarom  naar een andere plaats.
Apeldoorn was de bestemming, waar we een groot huis aan de Badhuislaan deelden met nog een familie.
We woonden daarna ook in Epse in een zomerhuisje en brachten zowel in Deventer als in Eerbeek twee perioden door. In Barchem bewoonden we een aantal maanden een groot vrijstaand huis in het bos.
De volgorde van al die plaatsen weet ik niet precies meer en het is best mogelijk dat ik er nog een paar vergeten ben. Maar dat doet er voor het verhaal ook niet zo veel toe.
Een groot deel ligt in ieder geval in Gelderland. Of ’t toeval is weet ik niet maar de Jansentak is van oorsprong afkomstig uit deze streek. ’t Was mijn grootvader, Berend Jan Jansen, die de grote stap naar Amsterdam waagde.

(meer…)

8. Eerbeek.

Eerbeek is een dorp in Gelderland. Het grenst aan het Nationale Park Veluwe met de Onzalige Bossen en de Imbos. De plaats is bekend als toeristische trekpleister en er staan een paar grote papierfabrieken. Het aantal inwoners bedraagt ongeveer tienduizend.
Er zijn op de Veluwe tientallen van dergelijke plaatsen maar Eerbeek neemt in dit verhaal een bijzondere plaats in. Wij hebben daar namelijk drie maal een vrij lange periode doorgebracht; in het huis van een bijzondere vrouw die daardoor een belangrijke rol heeft gespeeld in ons leven.
Calluna Alba – witte heide – was de naam van de woning waarin we tijdelijk woonden. Een kleine villa die een eind buiten het dorpscentrum lag. Aan een zandweg, tegen de rand van een uitgestrekt bosgebied. Niet helemaal eenzaam en verlaten; in de naaste omgeving stonden nog wat andere huizen en een paar boerderijen.
In deze omgeving moet de familie Jansen op een dag, beladen met bagage, zijn uitgestapt op het stationnetje van de plaats. Er bestaan geen familiefoto’s van die gebeurtenis maar via het onvolprezen Internet vond ik toch een plaatje van het station Eerbeek met trein. In de website van een spoorwegenthousiasteling waaruit ik ook leerde dat het station al in 1887 was gebouwd. De halte Eerbeek was een van de stations op de lijn Dieren – Apeldoorn, waarop in 1947 echter de laatste passagiers werden vervoerd.

(meer…)

9. Deventer, het begin.

Appelscha, Apeldoorn, Eerbeek, Lochem, Barchem, als in een Aardrijkskundeles van vroeger trekken de plaatsen in een lange rij aan me voorbij. Epse mag niet ontbreken en Deventer zeker niet.
Deventer, wanneer gingen we daar eigenlijk de eerste keer naar toe? Ik weet het niet meer. In ieder geval nadat we in Appelscha en Apeldoorn waren geweest. En als ik me goed herinner ook na ons eerste verblijf in Eerbeek. Maar zat er nog een plaats tussen? Moet dan in ieder geval in de provincie Gelderland hebben gelegen.
In Deventer brachten we net als in Eerbeek twee perioden door. Beide keren woonden we daar in een vrijstaand huis aan de rand van de stad. Met een kleine tuin voor en achter stond het in een straat met meer soortgelijke huizen.
Het leven verliep er wel op een andere wijze dan in Eerbeek met z’n bossen en heide. Geen lange wandelingen meer en de rust van het platteland ontbrak er natuurlijk.
Achteraf bekeken verwonder ik me dat deze plaats als onderduikadres was gekozen. Een familie met vijf kinderen die daar onverwacht uit de lucht kwam vallen. Een vader die vervolgens vaak weg was terwijl de rest van de familie de dagen in volledige ledigheid doorbracht, dat wil zeggen niet naar school ging of een baantje had. Je zou toch zeggen dat zoiets wel moest opvallen. Met buren aan alle kanten – statistisch gezien moeten er een aantal NSB-ers in de buurt gewoond hebben – moet de kans op ontdekking toch heel wat groter zijn geweest dan op het platteland. Aan de andere kant kan je zeggen dat je daardoor gemakkelijker opging in de massa.
Het bijzondere van het huis in Deventer was dat we er niet alleen woonden maar het huis deelden met nog een familie. Mensen die dat huis in opdracht van het verzet hadden gehuurd om het periodiek als tijdelijk adres voor onderduikers te gebruiken.
Bertus Webeling en Reina met hun dochtertje Tineke van een jaar of vier oud waren voormalige buren uit Amsterdam en lid van – of sympathiserend met de CPN. Hij was fotograaf maar kon ook schilderen en nog veel meer creatieve dingen. Om die reden was er een donkere kamer op de zolder van het huis gemaakt. De fotografische bezigheden hadden waarschijnlijk alles te maken met het vervalsen van persoonsbewijzen en andere documenten.
Die zolder van het huis was een ideale plaats voor allerlei activiteiten, temeer omdat alle andere kamers volbezet waren. Ik had er bijvoorbeeld met m’n jongste broer een afgeschermd speelhol gemaakt en verder werd de ruimte door Bertus en m’n oudste broer gebruikt voor oefeningen, die je tegenwoordig tot body building zou rekenen. Elke dag waren die twee er wel een half uurtje bezig met boksoefeningen op een grote zandzak. En om hun arm-en schouderspieren sterker te maken hadden ze een stel trekveren aangeschaft.
(meer…)