21. Over slagcreme en sinterklaas.

Het kan niet zo slecht gaan in een land of er zijn altijd wel een paar handige jongens die geld weten te verdienen aan de behoeften van de rest van de bevolking. Onder het uitroepen van de slogan ‘handel is handel’ duiken ze in een van de vele gaten die in de markt zijn ontstaan.
Zo gebeurde het in het laatste of voorlaatste oorlogsjaar dat in een winkeltje of een woonhuis op de Amstelkade, vlak bij mijn school, plotseling een zoete ‘lekkernij’ werd verkocht die bestond uit een tot schuim geklopte massa. Qua uiterlijk had het nog het meeste weg van geklopt eiwit. Of dat het geval was weet ik niet. Het is best mogelijk dat er eieren voor gebruikt waren, misschien wel in combinatie met het afkooksel van suikerbieten. Voorzien van een kleurtje en gezoet met sacharine of iets dergelijks maakte het in ieder geval snel opgang onder de naam ‘slagcreme’.
Vraag me niet hoe de ondernemende neringdoenden aan het recept en de grondstoffen voor deze versnapering kwamen in die jaren; ze hadden in ieder geval hun kans geroken en alle kinderen van mijn school en nog een aantal naburige scholen verdrongen zich voor en na schooltijd om er een portie van te kopen. Ik heb het maar eenmaal geprobeerd, een klodder van die zoetigheid in een papieren puntzakje, maar vond het niet lekker, lustte de weeïge smaak van de zoetstof niet.
Maar goed, het was de enige lekkernij in die periode en een kinderhand was snel gevuld.
Er viel naarmate de oorlog vorderde, toch weinig te snoepen. Als ik me goed herinner was er in ’43 nog wel ijs. Waterige ijslollies van een man die regelmatig met een ijskarretje door de buurt kwam en verpakt ijs bij de Jamin op de hoek van de Scheldestraat en de Noorder Amstellaan (nu Churchilllaan).
Van die Jaminijsjes heb ik er heel wat gegeten. Meestal installeerden we ons dan op een schuilkelder, die daar begin van de oorlog in het plantsoen was gebouwd. Het ijs leek niet echt op het ijs van tegenwoordig. Het was een soort bevroren vanillepap met een papiertje eromheen maar wist je veel. Kostte in ieder geval maar een gering bedrag. Zoiets van 5 cent of een dubbeltje. Ik weet het niet precies meer maar ik zal er niet ver naast zitten.
(meer…)

22. Nog meer hongerwinterverhalen.

De hongerwinter ’44-’45 werd niet alleen gekenmerkt door honger zoals de naam trouwens al aangeeft, maar ook door kou. Dat wil zeggen extreme kou waardoor deze winter in het rijtje van vorst en sneeuw een hoge klassering inneemt.
Er waren geen kolen meer, het gas was teruggebracht tot een laag pitje en werd op een gegeven ogenblik zelfs helemaal afgesloten. Hetzelfde gold voor elektriciteit. Gelukkig was er wel water. Als dat ook was afgesloten waren de gevolgen nog veel erger geweest.
Hoe zijn we die winter dan doorgekomen vraag ik me achteraf af. Het wonderlijke was dat we, als er ijs lag, wel elke dag uren aan het schaatsen waren op de Boerenwetering. Maar misschien was het wel zo dat je de kou het minst voelde als je bezig was.
Kou en sneeuw. Op de een of andere wijze moest er dus brandstof komen. De jacht op alles wat brandbaar was, was al in de herfst voorafgaande aan de hongerwinter begonnen. Bomen vielen het eerst als slachtoffer.
De boom bij ons voor de deur liet dank zij gezamenlijke inspanningen al gauw het leven. Een stuk stam van een meter of drie werd door de familie Karelsen, onze buren van drie hoog, buitgemaakt. Loodzwaar en het was dus een hele klus om dat boven te krijgen. Voor het vervolg van het verhaal moet ik even iets uitleggen over de indeling van de huizen in de Scheldestraat. Dat zijn bijna allemaal woningen met drie etages en een zolderverdieping. In het deel van de straat waar wij woonden bevond de trap zich volledig binnen het pand. Onze trap, naar een hoog, was recht en eindigde in een portaaltje. Verder naar boven was het een trap met bochten en een open ruimte in het midden. Een wenteltrapmodel dus. Hierdoor kon je vanaf het portaal helemaal naar boven kijken, tot het dak waarin een draadglasraam voor licht zorgde.
Toen ze dat stuk stam op een gegeven moment bijna boven hadden gekregen moeten de jongens Karelsen de macht erover hebben verloren. Het gevolg was dramatisch. Omdat er geen leuning meer zat – die was opgestookt – om het ding tegen te houden viel het in het trappenhuis als een speer naar beneden en landde met een enorme dreun in het portaaltje op onze verdieping.  Boorde zich daarna door de houten vloer en het plafond van de benedenwoning om ten slotte in een slaapkamer te belanden, waar gelukkig niemand aanwezig was. Ik zie in m’n herinnering nog de woedende bakker van beneden naar boven stormen.
Wat er met de stam is gebeurd vermeldt het verhaal niet. Misschien wel opgestookt door de verontwaardigde bakker in z’n bakoven
(meer…)

23. Voedseldroppings.

Volgens een goed Nederlands gezegde komt aan alles een end. Dat gold dus ook voor de winter van 1944-1945. Er kwam een einde aan de kou en de eerste tekenen van de lente kondigden zich aan. Maar wat niet verdween was de voedselschaarste. De honger bleef en ook leek het of er nooit een einde aan de oorlog zou komen.
Dat gold in ons land echter alleen voor de provincies Utrecht en Noord- en Zuid-Holland. De rest van het land was al kortere of langere tijd bevrijd. Het wachten was op de val van Berlijn en de overgave van de Duitsers.


(meer…)

24. Bevrijding.

Is dit alles?
Bijna bij het einde van m’n verhaal over de oorlog gekomen kan ik de verleiding niet weerstaan om terug te bladeren in de voorgaande hoofdstukken. Foto’s met tekst, veel tekst maar toch dringt onweerstaanbaar de vraag zich bij me op of dit nou alles is wat ik me van die vijf jaar kan herinneren.
Is dit alles, zing ik zachtjes voor me heen. Is dit alles, wat er is?
Genoeg, jongen, spreek ik mezelf vermanend toe. Dit boek moet gewoon verder. De bevrijding komt eraan, het tempo moet omhoog. This is 2014, man, die mensen van nu hebben helemaal geen tijd voor jouw gemijmer. Als je vindt dat er nog meer te vertellen is doe dat dan. Je doet net de radio aan. Hoe zat het daar bijvoorbeeld mee in 1944? Of met de TV? Verschenen er nog kranten? Is de situatie van toen te vergelijken met die van nu? Met onze radio, televisie met nieuws en muziek, nog meer nieuws en nog meer muziek. Over vijf, zes, tien zenders. Waarmee je op de eerste rang zit bij elke gebeurtenis die plaats vindt op onze schijnbaar steeds kleiner wordende wereld?
Kortom, tijd om gewoon verder te gaan.
(meer…)

25. Hoe het verder ging.

In de maanden na hun intocht werden de Canadezen een vertrouwd gezicht in het stadsbeeld. Vlak bij ons huis, op het Scheldeplein, werd een groep ingekwartierd in de garage waarin tegenwoordig een bowlingcentrum is gevestigd. Die konden natuurlijk op belangstelling van de hele buurt rekenen. Iedereen probeerde wat te bietsen bij de soldaatjes. Eten, chocola, sigaretten. Heel gewild bij de jeugd waren militaire onderscheidingstekens. De belangstelling van de soldaten ging uiteraard vooral uit naar het vrouwelijk schoon.


(meer…)

26. Het verzetskruis.

Na afloop van de oorlog 40-45 ontstond er al snel behoefte om een onderscheiding toe te kennen aan burgers, die in het verzet tegen de Duitse bezetter op bijzondere wijze hun moed hadden getoond. Hoewel er al civiele onderscheidingen bestonden evenals militaire onderscheidingen achtte de regering de instelling van een bijzonder decoratiestelsel voor het verzet nodig. In een aantal andere landen dat in een soortgelijke situatie verkeerde, was men er inmiddels al toe overgegaan om voor verzetsdaden een bijzondere dapperheidonderscheiding uit te reiken.

Er werd daarom een Raad voor Onderscheiding en Eerbetoon opgericht die als opdracht kreeg om een voorstel voor een bijzondere civiele onderscheiding uit te werken, die naast de Militaire Willemsorde, de Bronzen Leeuw, het Bronzen Kruis, het Kruis van Verdienste en het Vliegerkruis zou bestaan. Dat gebeurde dus, in overleg met veel instanties waaronder de Grote Adviescommissie der Illegaliteit. (meer…)

27. Nog meer eerbetoon.

De erebegraafplaats Loenen
Na de oorlog heeft de Nederlandse overheid zich veel moeite getroost om al diegenen die als gevolg van het verzet het leven lieten, een waardige laatste rustplaats te bezorgen. Het ging daarbij zowel om mensen die overleden waren in een concentratiekamp als degenen die gefusilleerd waren als gevolg van een doodsvonnis.

Het terugvinden van de stoffelijke resten was in talloze gevallen moeilijk en in sommige gevallen, wanneer de betrokkene in één van de Duitse concentratiekampen was gecremeerd, onmogelijk. (meer…)

28. Pensioenen en uitkeringen.

In het boek ‘De eeuw van mijn vader’ van Geert Mak beschrijft deze ‘het schip met geld’ waarop zijn moeder na afloop van de oorlog 40-45 haar hoop stelde in tijden dat het de familie niet zo voor de wind ging. Ze doelde daarbij op het salaris dat zijn vader tegoed had van de Nederlandse Staat over de jaren die hij in het voormalige Indië in krijgsgevangenschap had doorgebracht.
Deze achterstallige salarissen werden na hun repatriëring naar Nederland echter almaar niet uitbetaald, eerst uit ambtelijke traagheid, later omdat de Nederlandse regering bij de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië alle baten, lasten, vorderingen en schulden van het voormalige KNIL had overgedragen aan de nieuw gevormde republiek.
Volgens de Haagse normen was dat allemaal prima in orde. Een hoge ambtenaar verklaarde dat uitbetaling ook niet nodig was omdat de door de Japanners geïnterneerden in die tijd niet voor hun eigen kost hadden hoeven te zorgen, geen huur hadden betaald, geen personeel hoefden te onderhouden enz. Ze hadden nota bene ook geen belasting betaald.
Na veel touwtrekken werd er zesendertig jaar later, in 1981, alsnog een genoegdoening uitbetaald van fl. 7500,-. Zijn vader lag toen al geruime tijd in het ziekenhuis maar het stelde z’n moeder in ieder geval in staat om de vele bezoeken aan het ziekenhuis te betalen.
Bij de teruggekeerde Joodse overlevenden uit Auschwitz en al die andere vernietigingskampen zien we een identieke situatie. Ook in hun geval was er nauwelijks sprake van een financiele tegemoetkoming en voor zover dat wel het geval was moest die wel zo snel mogelijk worden terugbetaald. (meer…)

29. Bespiegelingen.

Na ons bezoek aan Eerbeek en Deventer heb ik met Lia en m’n jongste zuster in 2002 een rondrit door noordelijk Nederland gemaakt en daarbij Appelscha en Apeldoorn bezocht. Door de polders waar ooit de boot naar Lemmer dagelijks z’n baantje heen en weer trok, reden we via Almere, Leliestad en Emmeleroord naar Friesland.
De stilte en de weidsheid van het landschap onderweg was overweldigend. Wat een ruimte. De enige dissonant was het grote aantal windmolens waarmee groene elektriciteit wordt opgewekt. Nuttig en toekomstgericht maar dat moet toch anders kunnen. Natuurlijk moet je de wind gebruiken als energiebron maar ik maak me sterk dat zoiets minder horizonvervuilend en zonder die gigantische propellers op stalen masten kan.
Appelscha stond als eerste doel op ons programma. De plaats ligt aan de Opsterlandse Compagnonsvaart en ik kon me nog herinneren dat we een tijdje gewoond hebben in een boerderij aan het kanaal, een endje van de brug. (meer…)

30. Meneer Simons.

Het volgende verhaal heeft eigenlijk niet zoveel met de oorlog te maken en toch ook weer wel. Het gaat over de wonderlijke wegen van het toeval. Over dingen, die – schijnbaar? – bij toeval gebeuren.
Je hebt zelf ook vast wel eens zo’n gebeurtenis meegemaakt. Dat je gezellig met je partner door de stad loopt en om de een of andere reden denkt aan iemand, die je in jaren niet gezien hebt.
Wie kom je tegen op dat moment? Precies, de persoon die net een rol in je gedachten speelt.
“Goh”, zeg je dan verrast. “Dat is ook toevallig. Ik loop net aan je te denken”.
Over een toevallige ontmoeting met gevolgen voor beide partijen handelt dit verhaal.
(meer…)