24 aug 2002

Een cel is maar twee meter lang

0 Reacties

Verleden week weer eens een keertje naar Eerbeek geweest. Flink dorp met papierfabrieken, tussen Apeldoorn en Arnhem, voor ’t geval je niet weet waar het ligt.
Er bevinden zich daar wat stevig verankerde wortels uit m’n jeugd en of het nostalgie is of wat anders weet ik niet maar de plaats blijft aan me trekken, vandaar.
Eerbeek dus, zo’n anderhalf uur rijden van Amstelveen, dat wil zeggen als je de snelweg neemt maar bij Voorthuizen hadden we genoeg van de snelheid en reden verder een route binnendoor. Door de bossen, heide, kleine dorpen en langs talrijke bungalowparken en campings.

De drukte viel overigens mee. Zo hier en daar wat fietsers maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat bos en heide niet meer zo hoeft voor de naar ruimte en vrijheid hunkerende Nederlander. Die geeft er op de mooie zomerse dagen de voorkeur aan om in de file naar de kust te staan.
Maar goed, het zij zo. Wij passeerden tijdens onze rit op een gegeven moment de Woeste Hoeve. Aan de rechterzijde van de weg vind je op die plaats een restaurant met die naam en een stukje verder aan de andere kant een gedenkteken.
De Woeste Hoeve, dat heeft toch iets met de oorlog te maken, zeiden we tegen elkaar. Wat er  precies was gebeurd wilde ons echter niet te binnen schieten. Iets met een overval in ieder geval maar de details waren even onvindbaar in het geheugen.
Thuis heb ik het later opgezocht. Het ging inderdaad om een overval. In de nacht van 6 op 7 Maart 1945. Het doel van een groepje leden van de ondergronds opererende Binnenlandse Strijdkrachten was een Duitse vrachtwagen, die men wilde buitmaken. Bij vergissing overvielen ze echter een toevallig passerende personenwagen waarin onder meer Rauter, het hoofd van de Gestapo, zat. Tijdens het vuurgevecht dat ontstond, werd Rauter zwaar gewond. De groep overvallers sloeg op de vlucht omdat kort na de komst van eerstgenoemde personenwagen een tweede Duitse auto arriveerde.
De gevolgen waren verschrikkelijk. De bezetters namen wraak door enige honderden politieke gevangenen te executeren.
Wat me opviel bij het lezen van bovenvermeld relaas was dat er ook een Duitser bij de slachtoffers zat. Een Duitse Oberwachtmeister van de Ordnungspolizei die weigerde om deel uit te maken van een vuurpeloton werd namelijk ook ter plaatse geëxecuteerd. Hoe zouden de Duitsers daar na afloop van de oorlog mee zijn omgegaan? Zou z’n vrouw, als hij getrouwd was tenminste, bijvoorbeeld recht hebben gehad op een weduwepensioen?
Niet zo ver voorbij Woeste Hoeve passeer je de Erebegraafplaats Loenen. Mijn vader ligt daar begraven en we besloten om hem even ‘gedag’ te gaan zeggen.
De Erebegraafplaats voor de gevallenen uit de tweede wereldoorlog ziet er goed verzorgd uit. Waar Nederland nooit zo scheutig is geweest met de pensioenen en schadevergoedingen voor de nabestaanden van de slachtoffers die zijn gevallen in de tweede wereldoorlog, heeft men bij de aanleg en het onderhoud van deze plaatsen nooit op een Euro gekeken. Uit eigen ervaring weet ik dat zowel de begraafplaats in Bloemendaal als die in Loenen zorgvuldig worden onderhouden.
We maakten een klein rondje langs de graven. Heel wat jongeren liggen er begraven maar ook ouderen zoals m’n vader die 43 was toen de bezetters een einde aan z’n leven maakten. En de initiatiefnemer van de Geuzenaktie, Bernard IJzerdraat, was een vijftiger.
Wat later raakten we buiten, bij de toegangspoort, in gesprek met een echtpaar dat ook een bezoek had gebracht. Ze woonden in Putten en bezochten elk jaar het graf van zijn vader. Eén van achttien doden, vertelde hij, omdat z’n vader een rol had gespeeld in de Februaristaking. Hij had een boekje geschreven over z’n jeugd in Putten en het wegvoeren van de mannelijke bevolking van die plaats en al luisterend herkende ik onmiddellijk de geweldige impact van die vijf oorlogsjaren en de plaats die ze in z’n herinneringen innamen.
De achttien doden. Bernard IJzerdraat behoorde daar ook toe en de in 1943 in een concentratiekamp overleden Jan Campert maakte ze onsterfelijk met het gelijknamige gedicht.
Ik kon me de eerste regels nog herinneren.
Een cel is maar twee meter lang
En nauw twee meter breed.

Het gedicht gaat dan als volgt verder:
Wel kleiner nog is het stuk grond
Dat ik nu nog niet weet
Maar waar ik naamloos rusten zal
Mijn makkers bovendien
Wij waren achttien in getal
Geen zal den avond zien.

En nog zo’n deel van het gedicht dat weer bij me bovenkwam.
Wat kan een man, oprecht en trouw
Nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw
En strijdt den ijdelen strijd

Als je het volledige gedicht wilt lezen kan je dat onder meer vinden op internet. Ik vond dat de delen die ik me herinnerde, in ieder geval niet mochten ontbreken in dit verhaal. Ze zijn een waardige afsluiting van het dagje Eerbeek dat uiteraard nog veel meer herinneringen opleverde maar daarover misschien een andere keer.

erJeetje
augustus 2002


[begin]