Inleiding

Hoe vaak ben ik eigenlijk al begonnen met mijn verhaal over de tweede wereldoorlog? Over het leven in de jaren die er aan voorafgingen, het onverwachte begin, de drie jaren dat we ondergedoken waren, de afloop? Drie maal, vijf keer?
In ieder geval dateren de eerste pogingen al van een jaar of dertig geleden en met onderbrekingen produceerde ik de daarop volgende vijftien jaar een kleine honderd pagina’s tekst. Het lukte me echter niet om er een sluitend geheel van te maken. De geboorte van Morris, onze oudste kleinzoon, die tot m’n verrassing als tweede naam de naam van m’n vader kreeg, gaf weer een duwtje in de goede richting maar zelfs deze gebeurtenis leidde niet tot het afronden van m’n verhaal. Toch knaagde het aan me dat er nog steeds een opdracht lag die niet voltooid was en het eerste echte jaar van dit millennium besloot ik om de gebeurtenissen uit de jaren ’40-’45 definitief op schrift te stellen. Als afsluiting van een periode. Het resultaat zond ik in afleveringen/hoofdstukken naar een aantal mensen. Om het ze kritisch te laten lezen, om me af te fluiten waar dingen te saai werden of om andere redenen niet konden, om zachtjes te applaudisseren waar het de toets van hun kritiek kon doorstaan.
Was ik er daarna tevreden mee? Niet helemaal en na drie jaar vond ik het tijd om er nog een keer met de stofkam doorheen te gaan. Er bleven heel wat ‘haren’ achter maar er was ook sprake van een toename van de haardos. Ik had, om in haartermen verder te gaan, aanvullingen geïmplanteerd. Doordat ik nieuwe feiten en gebeurtenissen ontdekte heb ik dat daarna ook in 2010, 2012 en 2014 gedaan.
Het resultaat ligt voor u. Kan ik hiermee definitief een punt zetten achter deze gebeurtenissen? Het wordt weer een ja en nee antwoord. Ik heb nog altijd het gevoel dat het beter kan, anders moet. En wie weet, gebeurt dat ooit nog een keer. Verschijnt ooit het boek van Gajus, of het boek van erJeetje, of misschien wel het boek van Ruud.
Nog een laatste opmerking tot besluit. In deze verhalen heb ik het over Duitsers als ik de ‘bezoekers’ uit ons Oostelijk gelegen buurland bedoel. ‘Moffen’, de benaming die in die dagen gebruikelijk was, gebruik ik alleen waar een uitspraak of tekst uit die tijd aangehaald wordt.

Augustus 2014
Ruud Jansen

 

 

Eerste editie december 2004
Bewerkt januari 2010
Voorzien van aanvullingen februari 2012
Voorzien van aanvullingen augustus 2014
Voorzien van correcties en aanvullingen januari 2018
n.a.v. een bezoek aan het Niod en informatie door Johan van der Veen
uit Deventer over de Schoutenweg 2 in die plaats

1. Vroeger was alles anders.

Denken aan vroeger. Kan je je nog iets herinneren van je eerste schooldag? Dat er bij het Sinterklaasfeest een goochelaar was die een echt konijn uit z’n hoed toverde. Dat je op de kermis een zuurstok kreeg en dat je tong door het zuigen helemaal ruw werd. Dat je met de hele familie een dag naar het strand ging, dat er op zondag altijd een mannetje door de straat liep met oliebollen. “Bolletje bolletje bol, bij de koffie, bij de thee, pak een lekker bolletje mee, bolletje bolletje, bol!” Weet je dat nog?
Ik had het er laatst met een leeftijdgenoot over. Over gebeurtenissen uit onze jeugd. Of hij nog iets wist uit de tijd dat hij zo’n jaar of vijf, zes was? Of ik me nog iets kon herinneren over de periode die aan de oorlog 40-45 voorafging?
Natuurlijk kan ik me nog van alles uit die tijd herinneren, was m’n eerste reactie. Maar op zijn vraag of die herinneringen allemaal even zuiver waren moest ik het antwoord schuldig blijven. Bijna iedereen geeft namelijk een eigen inkleuring aan zijn ervaringen.
Neem bijvoorbeeld het onderwerp van dit verhaal, de wereldoorlog van ’40-’45. Het kan haast niet anders of m’n herinnering aan deze periode zijn beïnvloed. Aangevuld door kennis van anderen, door wat ik erover gehoord heb en gelezen. Hetzelfde geldt voor de jaren die aan de oorlog voorafgingen. Ik was bijna zeven toen het geweld losbarstte. Zou ik me zaken kunnen herinneren waardoor ik bijvoorbeeld toen wist dat er een oorlog op komst was? Ik weet het niet, denk haast van niet. Wist ik toen überhaupt wat oorlog was? Ook dat betwijfel ik.

(meer…)

2. Vòòr de oorlog

Ter inleiding
Weet waar je aan begint als je ooit jouw jeugdherinneringen wilt vastleggen. Na dat eerste hoofdstuk heb ik het gevoel of ik bezig ben met een enorme puzzel. Het begin was simpel, bijna zonder nadenken kon ik me die eerste drie of vier verhalen uit hoofdstuk 1 voor de geest halen. Daar kwam er nog eentje bij en toen ik verder zocht kwamen er nog meer die bijna vanzelf op hun plaats vielen. Het was het beeld van een onbezorgde tijd en daarmee roep ik ongewild een verkeerd beeld op. Laat ik proberen om uit te leggen wat ik daarmee bedoel.
Als gevolg van de crash die in 1929 in Wallstreet plaatsvond, was er een economische chaos in de wereld ontstaan van ongekende omvang. Net als alle andere westerse landen had Nederland in de dertiger jaren een gigantische klap gekregen en het tobde nog steeds met de naweëen daarvan.
Er was een conflict aan het groeien tussen Duitsland en de rest van Europa maar met het aanhouden van een strikte neutraliteit probeerde ons land daarbuiten te blijven. Net als tijdens de oorlog van 14-18 gaf men er de voorkeur aan niet in een oorlog verwikkeld te raken.
In de loop van 1939 nam de dreiging van een oorlog nog meer toe en op 3 september van dat jaar was het zo ver; als reactie op de  Duitse inval in Polen verklaarden Engeland en Frankrijk de oorlog aan het Duitsland van Adolf Hitler. Dit betekende niet dat daarmee het geweld tussen die grootmachten meteen losbarstte. Afgezien van wat kleine incidenten gebeurde er de eerste zeven maanden niets.

(meer…)

3. Het begin van de oorlog.

De oorlog, die centraal staat in dit boek, begon op 10 mei 1940 met een verrassingsaanval van onze oosterburen. Zonder enige waarschuwing trokken de Duitsers in de eerste uren van die dag met een overmacht aan vliegtuigen en legereenheden ons land binnen.
Het was mooi weer die vrijdag, het was al een aantal dagen mooi weer en het vrije weekend van Pinksteren stond voor de deur. Je zou je kunnen voorstellen dat iedereen al plannen had gemaakt om er op uit te gaan, naar het strand, naar de bossen, sporten. Lekker onbezorgd genieten.

(meer…)

4. De eerste maanden na de capitulatie.

Het moet een wonderlijke tijd zijn geweest, die eerste maanden na de capitulatie. Enerzijds was er het verdriet over de gesneuvelden en de verontwaardiging over de vernietiging van het centrum van Rotterdam, anderzijds kreeg de bevolking het advies van de overheid en besturen van organisaties en verenigingen om zich vooral ordelijk te gedragen en de draad van het dagelijkse bestaan weer op te pakken. Deze en soortgelijke berichten werden door diverse kranten gepubliceerd en het waren enkelingen, die het toen al waagden om hun stem te verheffen.
Gewoon rustig doorgaan met je leventje was het officiële parool.
Ik refereerde in een eerder hoofdstuk aan de problemen die een voetbalvereniging ondervond omdat een groot aantal spelers gemobiliseerd was en daardoor niet kon spelen in het weekend. Het blad van die vereniging verscheen na afloop van de korte oorlog in ons land weer op 30 mei.
‘Na den strijd’ was de kop van het hoofdartikel waarin ‘met voldoening kan worden geconstateerd dat alle 21 in militairen dienst zijnde clubgenoten als door een wonder voor den oorlogsdood zijn gespaard’. Het artikel eindigde met de namen van de 21 betrokkenen ‘teneinde deze in de geschiedenis van de vereniging te laten voortleven’.
Een bladzijde verder ging de redactie in op de gevolgen van de bezetting.
‘Alhoewel de oorlog slechts 5 dagen binnen onze grenzen heeft gewoed, zijn talloos velen door de gebeurtenissen volkomen uit het evenwicht geslagen. Niettegenstaande alle verdriet, is het de wensch der overheid en werkelijk ook het beste, dat het leven, zooveel als dat maar mogelijk is, weer zijn gewone gang gaat. Dat is dan ook de reden, dat de nog te spelen competitiewedstrijden zullen worden uitgespeeld. Na weken van nerveuze inspanning heeft onze geest ontspanning noodig en gaan we ons als ware enthousiastelingen weer op het voetbal werpen. Ik vertrouw echter, dat alle spelers, zonder uitzondering, de laatste wedstrijden nog zullen willen medewerken.”

(meer…)

5. Appelscha.

Het vorige hoofdstuk sloot ik af met ons vertrek uit Amsterdam en de eerste tekenen van verzet tegen de Duitse bezetters. Hoewel ik de precieze datum niet weet kan ik toch wel nagaan wanneer we ongeveer vertrokken. Ik heb namelijk een aanknopingspunt.
Het moet betrekkelijk kort na de capitulatie op 15 mei zijn geweest. Ik herinner me namelijk nog goed dat we de laatste schoolweken van de eerste klas allerlei werkjes voor de juffrouw mochten doen zoals boeken kaften en punten aan de potloden slijpen. Samen met het jongetje dat naast me zat, mocht ik de lettertjes van het leesplankje sorteren en ze met elastiekjes in kleine bundeltjes bij elkaar binden. Een verantwoordelijke taak die we met veel ijver en trots uitvoerden.
Heel kort daarna, in het begin van de zomervakantie, zijn we uit Amsterdam vertrokken. Ergens in het midden van juli dus. Het begin van de tweede klas heb ik niet meer meegemaakt.
Al schrijvend realiseer ik me nu dat ik nog niets heb verteld over de reden van dat onderduiken. Daarom geef ik eerst maar een korte weergave van de gebeurtenissen die aanleiding waren van onze verdwijning.

Appelscha in 2001
(meer…)

6. De afgebroken eeuw van mijn vader.

Er zijn van mijn vader niet veel foto’s om te laten zien in dit verhaal. De reden daarvan is dat ze tijdens de oorlog zijn verdwenen. Na zijn arrestatie door de SD in beslag genomen en waarschijnlijk opgeborgen in de archieven van de Gestapo.
De foto’s in dit hoofdstuk heb ik gekregen van de zoon van een van z’n broers en verder waren er nog wat kopieën van oude krantenfoto’s.

(meer…)

7. Hoe het verder ging.

Onderduiken maar voor de buitenwereld toch min of meer normaal functioneren, hoe doe je dat? Goede vraag, in ieder geval nooit lang op een adres blijven. Op een gegeven moment worden buren toch nieuwsgierig en als, om een voorbeeld te noemen, de kinderen niet naar school gaan dan roept dat vragen op.
Na de eerste periode in Appelscha, eerst in een boerderij langs het kanaal, daarna gedurende een aantal maanden in een soort zomerhuisje of woonwagen, verhuisden we naar een andere plaats. Eerbeek was de bestemming, een vrijstaande villa van een dame, weduwe, aan de rand van het bos.
In het vroege voorjaar van 1941 verhuisden we vervolgens naar Apeldoorn, een vrijstaand huis aan de Badlaan. Daar zijn we een paar maanden gebleven tot we naar een huis in Epse (villa Zomerlust?) of Elslo vertrokken.
In het midden van de zomer verhuisden we naar Deventer. Een vrijstaand huis aan de Schoutenweg vlak bij de Ceintuurbaan. Daar zijn we vrij lang gebleven, zeker tot na de strenge winter van 41-42.
Voorjaar 1942 vertrokken we naar een grote vrijstaande villa in Barchem waar we tot het midden van de zomer verbleven voor we weer teruggingen naar Deventer.
Eind ’42, vlak voor de kerst, kwam er een einde aan het verblijf in Deventer en gingen we weer naar Eerbeek.
Ik ben niet helemaal zeker van de volgorde en het is best mogelijk dat ik een paar adressen vergeten ben. Maar dat doet er voor het verhaal niet zoveel toe.
Een groot deel ligt in ieder geval in Gelderland. Of het toeval is weet ik niet maar de Jansentak is van oorsprong afkomstig uit deze streek. Het was mijn grootvader, BerendJan Jansen die de grote stap naar Amsterdam waagde.

Hoe ik dat weet is bijna een verhaal apart maar ik vind het te aardig om niet hier te vertellen.
Ik ben dus in het bezit van een stamboom van de Jansens, die teruggaat tot omstreeks 1750. Min of meer toevallig kwam ik daar ruim tien jaar geleden aan doordat m’n zwager benaderd werd door Anton Vedders, een heel ver familielid, die bezig was met het uitpluizen van de stamboom van de Jansens.
Anton woonde in Arnhem en was via een achterneef aan het adres van m’n zwager gekomen. Hij verzocht hem om de familiegegevens van onze tak op te sturen. Waarom de Jansens zou je kunnen zeggen, hij heeft toch een heel andere naam? Het antwoord hierop is simpel, zijn moeder was een Jansen uit een andere tak en omdat hij niet van half werk hield had hij de gehele boom maar even (wat heet even, hij was er al een jaar of tien mee bezig) uitgezocht.
Toen m’n zwager merkte dat ik geïnteresseerd was droeg hij deze taak met een zichtbaar gevoel van opluchting aan mij over. Op deze wijze kwam ik op een wel heel gemakkelijke wijze in het bezit van een stuk familiehistorie.
In 2004 heeft Anton Vedders zelfs een website van de stamboom van z’n familie gemaakt die je via internet kunt bekijken. Mick, mijn oudste zoon, vond dat zo interessant dat hij vanaf die tijd ook bezig is met de herkomst van mijn moeder en de ouders van Lia. Stapje voor stapje groeit de boom en zo nu en dan belt hij me enthousiast omdat hij weer een ver familielid heeft ontdekt.
Vedders is erin geslaagd om onze afkomst terug te vinden tot de trouwdatum van Willem Jans(en), een jongeman, die afkomstig was uit Twello. Hij trouwde in 1766 met Derkjen Lamberts Stegeman, een jongedochter uit het Hul onder Epe.
Hoewel uit het huwelijk 8 kinderen werden geboren is er in de mannelijke tak dan alleen een voortzetting via Hendrik, geboren in 1779 in Epe. De andere mannelijke leden overlijden jong behalve een die bij de invoering van de Burgelijke Stand rond 1812 de naam Willigenhof aannam. Dat werd ook gedaan door een dochter. Hendrik, die de familienaam Jansen behield, oefende het eerbare beroep uit van dagloner en trouwde in 1806 in het plaatsje Gorssel met Gerritje Paalman. De reden dat hij de naam Wilgenhof (of Willigenhof) niet aannam is onbekend. Er was echter een praktische reden dat hij zich in 1812 niet met die naam liet inschrijven. Hij overleed namelijk in 1811. Op jonge leeftijd dus waardoor het aantal kinderen gering was. Dochter Jenneken geboren in 1811, werd maar één jaar oud. Hendrik lag bij de geboorte al ziek ‘te bedde’ waardoor de vroedvrouw aangifte van de geboorte deed. Moeder Gerritje Jansen Paalman vond aanname van de naam Willigenhof in 1812 kennelijk niet nodig. Geen tijd, vergeten misschien waarop de gemeentesecretaris maar Jansen had ingevuld.
Merkwaardig genoeg hertrouwde zij later, weer met een Jansen die echter geen familie was. Zoon Willem, geboren in 1806, bereikte de mooie leeftijd van 78 jaar.
Willem, die het beroep van bouwman beoefende, trouwde in 1835 in Diepenveen met Osina Meeuwenberg. Ik vraag me trouwens af wat een bouwman is. Zou het een bouwvakker zijn of een boer? Hij schijnt overigens ook klompenmaker te zijn geweest
Hoe het ook zij, hij zorgde samen met Osina voor 6 kinderen.
Belangrijk voor onze tak was BerendJan, geboren in 1849. M’n opa, die overigens al overleed voor ik geboren was. Opa trouwde met Johanna Jacoba Naves.
Jammer genoeg heb ik geen foto van hem, wel van z’n broer Derk., een krijgshaftig baasje.

De broers van opa hielden zich bezig met de uitoefening van eerzame beroepen als molenaar, bakker en boer. Opa zelf was timmerman en verhuisde in 1882 naar Amsterdam waar hij een timmermansbedrijfje begon.
Ja, en dan m’n oma. Waar kwam die vandaan? Dat is een beetje duister. Oma was de onechte dochter van Johanna Jacoba Schwarze. De echte vader zou een Duitse textielfabrikant zijn geweest, die echter andere plannen had waarin Johanna waarschijnlijk niet paste. Ze trouwde daarom later maar met Hendrik Jan Naves, die grootmoedig het wichtje als dochter erkende
Opa BerendJan was een man die niet van stilzitten hield en hij zorgde samen met oma Johanna Jacoba voor 9 kinderen, 5 zonen en 4 dochters. Ook oma had gebrek aan zitvlees wat zich uitte in een gebrek aan honkvastheid. Bijna ieder jaar verhuisde de familie naar een andere woning en ze woonden daardoor ondermeer in de Buitenbrouwerstraat, Haarlemmerstraat, Roomolenstraat, Oldenbarneveltstraat, Heerenstraat, Haarlemmer Houttuinen, Spuistraat, Prinsengracht, Nieuwendijk, N.Z. Voorburgwal, Fagelstraat, de Wittenstraat, Orteliussteeg, Lindenstraat en de Prinsenstraat.

De oudste broer van m’n vader, Wilhelm, was 22 jaar ouder. Ook timmerman. Hij werkte ondermeer een aantal jaren in Zuid Afrika. Als gevolg van een val van een bouwsteiger overleed hij al in 1906.
Na Wilhelm kwam in 1880 Johanna Osina, die al in 1923 overleed als gevolg van een nierziekte. Johanna trouwde in 1909 met Johan Willem Grote, die later een vooraanstaande rol in de NSB zou spelen. Hij overleed in 1958.
Eind 1881 werd Osina Maria geboren. Werd ook al niet oud en overleed aan kanker in 1926.
Catharine Jacoba (tante Koosje), geboren in 1883 is de eerste in het rijtje, die ik nog gekend heb. Zij trouwde in 1911 met Willem Haages, waarvan ze later gescheiden is. Haar twee kinderen, Ellie en Wim, heb ik ook na de oorlog nog verscheidene keren bij ons thuis gezien.
Berend Jan, oom Jan, is van 1885. Had het bedrijf van z’n vader overgenomen samen met z’n broer Gerit. Oom Jan was getrouwd met Geertruida Kok. Na haar overlijden (ze pleegde zelfmoord) trad hij in het huwelijk met Hiltje Mantel, die overleden is in 1948. Er waren drie kinderen in deze familietak, twee zonen uit z’n eerste huwelijk en een dochter uit z’n tweede. Van de zonen is er een in Duitse dienst aan het Oostfront gesneuveld .

Zoals ik al schreef werden er in het huwelijk van m’n opa en oma 9 kinderen geboren. In 1889 zag Gerrit Hendrik het levenslicht. Hij maakte het niet lang en overleed kort voor z’n tweede verjaardag.
De daarop volgende Maria in 1890 werd maar twee maanden oud.
Eind 1892 volgde er weer een Gerrit Hendrik, die in 1920 trouwde met Sentina Geertruida Prent. Oom Gerrit overleed in 1984. Hun zoon Gerrit Hendrik,(Gé) trouwde met Alida Cornelia Bloem. Twee zonen waarvan één de bekende acteur Tom Jansen is.
Mijn vader ten slotte, Louis, was de jongste van het stel kinderen (een nakomertje eigenlijk) en werd op 28 maart 1900 geboren. Anders dan z’n broers, die net als hun vader het beroep van timmerman uitoefenden, was hij voorbestemd om te leren.
Overigens verliet opa in datzelfde jaar 1900 de familie, het werd hem kennelijk allemaal wat teveel. Volgens de overleveringen hield hij van een borrel, had dat gemeen met een aantal andere leden van de familie en overleed in 1914. Overleden aan een hartaanval wil een verhaal. In een dronken bui boven het toilet gestikt toen hij aan het overgeven was een ander.
Tante Naatje zoals oma werd genoemd bleef alleen achter.

Wat de drinkgewoontes van de familie betreft heb ik mijn moeder wel eens horen verkondigen, dat al die Jansens dronkelappen waren. Maar ze overdreef graag. In onze kring heeft m’n oudste broer er in ieder geval nooit iets van willen weten. En de rest drinkt wel eens een glaasje, net als de meeste Nederlanders.
Oma overleefde opa maar niet zo lang. In 1920 blies ook zij de laatste adem uit.

Uit ongeveer 1910 dateert bovenstaande foto met oma, m’n vader, m’n oom Gerrit en m’n oom Jan.

Overigens bleven de broers en zusters van opa de Veluwe trouw. Het ging de familie voor de wind en een paar kregen zelfs landelijke bekendheid als bakker en molenaar. Ze brachten vele kinderen voort waarvan er een aantal naar Canada en Australie is geëmigreerd.

Van m’n moeder weet ik veel minder.

Links: onduidelijke foto uit 1933 waarin ze met mij poseert
Rechts: deze foto dateert van 1942 en is genomen in Apeldoorn

M’n moeder was de dochter van een kleine schipper uit Friesland en had niet een echt leuke jeugd. Het vrachtscheepje van haar vader had namelijk geen motor en dat betekende dat ze al op heel jonge leeftijd voor het dagelijks werk werd ingeschakeld. Zo heeft ze me wel eens verteld dat ze al op negen- of tienjarige leeftijd mee moest helpen om de boot te trekken als er geen wind stond. Moeizaam lopend in een trektuig, samen met haar vader en haar broer, op het jaagpad langs de vele kanalen in Friesland, Groningen en Drente. Naar school gaan schoot er meestal bij in vandaar dat ze altijd problemen heeft gehouden met schrijven.

Zo rond haar zestiende had ze genoeg van het leven op de boot bij haar ouders. Ze werd dienstmeisje bij familie in Leeuwarden die echter na een jaar naar Limburg verhuisde. Groningen met het schip van haar zwager was haar volgende bestemming. Hoe lang ze daar is gebleven weet ik niet. Ze heeft me wel eens verteld dat ze een baantje had als dienstmeisje bij een familie in Sneek. Dat heeft ze een aantal jaren volgehouden totdat ze op haar twintigste tot de conclusie kwam dat ook dat leven niet overeenkwam met haar dromen. Samen met een vriendin zou ze Friesland gedag hebben gezegd en naar Amsterdam zijn gefietst waar het geluk wachtte. Dachten ze maar zonder schoolopleiding kwam je ook in die tijd niet zo ver. Bovendien was ze in verwachting geraakt en kreeg ze een zoon die de naam Fimme kreeg. Vader onbekend en datzelfde geldt voor het meisje dat ruim een jaar daarop werd geboren hoewel de familieverhalen in dat geval over de joodse zoon van de familie spreken waar zij als dienstmeisje in huis was.
Uiteindelijk heeft ze in Amsterdam m’n vader ontmoet die de twee kinderen als de zijne accepteerde. Ze woonde daarna samen met m’n vader een tijdje in Bussum maar keerde daarna weer met hem terug naar Amsterdam waar ze eerst een paar jaar inwoonden in de van Spilbergenstraat. Vervolgens een jaartje in de Orteliusstraat en vanaf 1927 in de Jan van Galenstraat. In 1933 verhuisde de familie naar de Mercatorstraat waar ze bleven tot het uitbreken van de oorlog.
Kinderen kwamen er ook. Vier waardoor het totaal op vijf kwam. Fimme, haar eerste kind, was eind 1925 overleden.
Hierbij was ik het gevolg van een kortstondige verhouding van mijn moeder met een andere man. Zie hoofdstuk 6. De afgebroken eeuw van mijn vader.

8. Eerbeek.

Eerbeek is een dorp in Gelderland. Het grenst aan het Nationale Park Veluwe met de Onzalige Bossen en de Imbos. De plaats is bekend als toeristische trekpleister en er staan een paar grote papierfabrieken. Het aantal inwoners bedraagt ongeveer tienduizend.
Er zijn op de Veluwe tientallen van dergelijke plaatsen maar Eerbeek neemt in dit verhaal een bijzondere plaats in. Wij hebben daar namelijk drie maal een vrij lange periode doorgebracht; in het huis van een bijzondere vrouw die daardoor een belangrijke rol heeft gespeeld in ons leven.
Calluna Alba – witte heide – was de naam van de woning waarin we tijdelijk woonden. Een kleine villa die een eind buiten het dorpscentrum lag. Aan een zandweg, tegen de rand van een uitgestrekt bosgebied. Niet helemaal eenzaam en verlaten; in de naaste omgeving stonden nog wat andere huizen en een paar boerderijen.
In deze omgeving moet de familie Jansen op een dag in november 1940, beladen met bagage, zijn uitgestapt op het stationnetje van de plaats. Er bestaan geen familiefoto’s van die gebeurtenis maar via het onvolprezen Internet vond ik toch een plaatje van het station Eerbeek met trein. In de website van een spoorwegenthousiasteling waaruit ik ook leerde dat het station al in 1887 was gebouwd. De halte Eerbeek was een van de stations op de lijn Dieren – Apeldoorn, waarop in 1947 echter de laatste passagiers werden vervoerd.

(meer…)

9. Deventer, het begin.

Appelscha, Eerbeek, Apeldoorn, Epse, Deventer, Barchem, Deventer, als in een Aardrijkskundeles van vroeger trekken de plaatsen in een lange rij aan me voorbij. Epse mag niet ontbreken en Deventer zeker niet.
Deventer, wanneer gingen we daar eigenlijk de eerste keer naar toe? Ik weet het niet meer. In ieder geval nadat we in Appelscha en Apeldoorn waren geweest. En als ik me goed herinner ook na ons eerste verblijf in Eerbeek. Maar zat er nog een plaats tussen? Moet dan in ieder geval in de provincie Gelderland hebben gelegen.
In Deventer brachten we net als in Eerbeek twee perioden door. De eerste van ongeveer augustus 1941 tot maart 1942. De tweede van juni 1942 tot december 1942. Beide keren woorden we daar aan de Schoutenweg 2, een vrijstaand huis in een buitenwijk van de stad. Met een kleine tuin voor en achter stond het in een straat met meer soortgelijke huizen.
Het leven verliep er wel op een andere wijze dan in Eerbeek met z’n bossen en heide. Geen lange wandelingen meer en de rust van het platteland ontbrak er natuurlijk.
Achteraf bekeken verwonder ik me dat deze plaats als onderduikadres was gekozen. Een familie met vijf kinderen die daar onverwacht uit de lucht kwam vallen. Een vader die vervolgens vaak weg was terwijl de rest van de familie de dagen in volledige ledigheid doorbracht, dat wil zeggen niet naar school ging of een baantje had. Je zou toch zeggen dat zoiets wel moest opvallen. Met buren aan alle kanten – statistisch gezien moeten er een aantal NSB-ers in de buurt gewoond hebben – moet de kans op ontdekking toch heel wat groter zijn geweest dan op het platteland. Aan de andere kant kan je zeggen dat je daardoor gemakkelijker opging in de massa.
Het bijzondere van het huis in Deventer was dat we er niet alleen woonden maar net als in Eerbeek deelden met de hoofdbewoner. Het huis in Deventer was door Bertus Webeling in opdracht van het verzet gehuurd om er periodiek onderduikers te kunnen huisvesten.
Bertus en Reina met hun dochtertje Tineke van een jaar of vier oud waren voormalige buren uit Amsterdam en lid van – of sympathiserend met de CPN. Hij was zowel timmerman als kunstschilder maar ook fotograaf. Om die reden was er een donkere kamer op de zolder van het huis gemaakt. De fotografische bezigheden hadden waarschijnlijk alles te maken met het vervalsen van persoonsbewijzen en andere documenten.
Die zolder van het huis was een ideale plaats voor allerlei activiteiten, temeer omdat alle andere kamers volbezet waren. Ik had er bijvoorbeeld met m’n jongste broer een afgeschermd speelhol gemaakt en verder werd de ruimte door Bertus en m’n oudste broer gebruikt voor oefeningen, die je tegenwoordig tot body building zou rekenen. Elke dag waren die twee er wel een half uurtje bezig met boksoefeningen op een grote zandzak. En om hun arm-en schouderspieren sterker te maken hadden ze een stel trekveren aangeschaft.
(meer…)