10. Deventer, over spanningen en de angst voor ontdekking.

Intermezzo
Soms is het verstandig om bij het schrijven van een boek de hoofdstukken die je al hebt gemaakt, nog eens terug te lezen. Dat heb ik nu ook gedaan en ik realiseer me dat het gecreëerde beeld wel erg veel weg heeft van een heerlijke onbezorgde tijd. Niet naar school, lekker wandelen door de bossen, min of meer doen wat ik leuk vond.
Ik vraag me af of dat wel overeenkomt met de werkelijkheid van toen. Was het inderdaad uitsluitend één langgerekte vakantie?
Het antwoord op die vraag kan natuurlijk alleen maar nee zijn. Bij die herinneringen aan vroeger zitten wel degelijk ook minder leuke gebeurtenissen. De angst voor ontdekking door de Duitse bezetters bijvoorbeeld die altijd aanwezig was. Die hing gedurende de hele onderduikperiode als een schaduw boven ons.
Wat dat allemaal voor gevolgen had wordt hierna beschreven.
(meer…)

11. Toontje en Riekie

De tweede maal dat we in Eerbeek waren vond ik het daar zo mogelijk nog leuker dan de eerste keer. Dat kwam omdat ik bevriend raakte met twee kinderen van m’n leeftijd.
Toontje en Riekie woonden een paar minuten lopen van de villa Calluna Alba in een vrijstaand huis aan de Harderwijkerweg, die toen nog niet verhard was. Bij hun huis hoorde een groot stuk grond waarop twee kippenhokken en een varkenshok stonden. En er was natuurlijk een moestuin met groente en fruit. Daar weer achter begon het bos.
De ouders van Toontje en Riekie waren overigens geen boeren maar net zoals de meeste mensen in die buurt hielden ze er voor eigen gebruik wat kippen op na en een varken. Hun vader werkte als chauffeur bij één van de papierfabrieken.
Tijdens die periode maakte ik kennis met een wereld die volkomen nieuw voor me was.
(meer…)

12. Over honger en brand.

Iedereen heeft wel eens over de hongerwinter gehoord, de laatste fase van de oorlog waarbij er bijna niets meer te eten was. Geen elektriciteit, geen gas, nauwelijks brandstof, in een winter die al vroeg inviel en wekenlang vorst en ijs bracht.
Die situatie was langzaam zo gegroeid. In het eerste oorlogsjaar was er nog betrekkelijk weinig aan de hand maar doordat de Duitsers op grote schaal voedsel en kleding vorderden voor hun eigen land ontstond er geleidelijk schaarste aan allerlei zaken.
Om de beschikbare hoeveelheden zo eerlijk mogelijk te verdelen werd daarom al vrij snel de distributie ingevoerd. Dat betekende dat allerlei artikelen alleen nog maar “op de bon” verkrijgbaar waren. Behalve voor voedsel en kleding gold het voor sigaretten, surrogaatkoffie, brandstof en nog veel meer.

(meer…)

13. De laatste etappe.

Dit is een kop waar ik niet vrolijk van word. Hij dateert uit een periode halverwege de oorlog en het einde is nog lang niet in zicht.
Hoe ging het met het verzet in Nederland? Helaas niet zo goed. Ondanks alle voorzorgen die men nam om uitschakeling door de bezetters te voorkomen, had de Duitse Sicherheitsdienst, de beruchte SD, tegen het einde van 1942 steeds meer succes bij hun pogingen om in de verzetsbeweging te infiltreren. Nederlandse verraders speelden daarbij een belangrijke rol en mede door hun werk werden honderden mensen gearresteerd.
Ook de illegale Communistische partij slaagde er niet in om zich aan deze ontwikkeling te onttrekken en hun organisatie werd systematisch schakel voor schakel opgerold. Het zal m’n vader natuurlijk niet ontgaan zijn dat het net geleidelijk om hem werd dichtgetrokken maar of hij wist hoe ernstig de situatie was weet ik niet.
Wij waren in die tijd voor de tweede maal neergestreken in Eerbeek. Omdat daar ook nog een jonge vrouw uit het verzet (Bep) tijdelijk was ondergedoken waren m’n zussen ondergebracht bij een alleenstaande vriendin van tante Mieke in Velp.
Ondanks alles werd Sinterklaas gevierd met cadeautjes voor iedereen en Kerstmis met een klein kerstboompje uit de tuin. ’s Avonds speelden we met de hele familie Monopoly.
Zo werden trouwens vele avonden doorgebracht. Met bridgen, sjoelen en andere spelletjes. Televisie bestond nog niet en om je te amuseren was eigen activiteit nodig.
Ik heb in een van de eerste hoofdstukken al iets verteld over de vrouw, die ons in Eerbeek onderdak verschafte. Een bijzondere vrouw die we tante Mieke noemden hoewel ze geen familie was. Haar echte naam was Rita Versteegh.
Al schrijvend aan dit boek ben ik een aantal malen op het waarom van sommige dingen gestuit en dit is er ook weer zo een. Waarom bracht zij wel de moed op om de dingen te doen die ze nodig achtte en anderen niet? Ze deed het zeker niet voor persoonlijk gewin. Hoe dan ook, als je de risico’s van haar handelen beschouwt moet er veel moed, overtuiging en een hekel aan alles wat Duits was, nodig zijn geweest.
Tante Mieke dus. Ze was de weduwe van een architect en woonde in haar eentje in de villa Calluna Alba. Ze was gelovig, lidmaat van een afgescheiden katholieke groep, en had daarvoor een klein kerkje laten bouwen, dat op een minuut of tien lopen van haar huis in het bos stond. In die kerk werden wekelijks diensten gehouden en van mijn zuster heb ik gehoord dat de drogist uit het dorp daarbij als voorganger optrad.
Naast de rol die ze in het kerkje speelde was ze sympathiserend met het verzet en het communistische verzet in het bijzonder. Dat ging zo ver dat ze onderdak verschafte aan talrijke ondergedoken leden van die partij. Een wonderlijke combinatie al met al.

(meer…)

14. Het einde.

Over de rol van de illegale CPN en de arrestatie van de leiding in het voorjaar van 1943 is veel geschreven. Uiteraard in de geschiedschrijving van Dr. L. de Jong maar daarnaast ook in andere boeken en artikelen die naar aanleiding van de gebeurtenissen tijdens de jaren ’40-’45 zijn uitgegeven. Zo verscheen er in Elseviers Magazine in 1986 een uitgebreid artikel onder kop “Hoe de Duitsers de CPN oprolden”. In een ander tijdschrift een artikel waarin werd beschreven hoe die gebeurtenissen na de oorlog onder invloed van Paul de Groot werden herschreven.
Ik bezit een kleine verzameling van deze uitgaven en bovendien diverse fotoboeken, die een beeld geven van Nederland en de Nederlanders tijdens vijf bezettingsjaren. Bij het schrijven van dit verhaal waren ze een welkome hulp om de feiten en gebeurtenissen in de juiste volgorde te plaatsen.
Hoewel de inhoud dus niet nieuw voor me was vond ik het ook dit keer weer boeiende lectuur om door te nemen. Toch groeit m’n verwondering nog steeds. Dat is overigens al jaren het geval en neemt toe naarmate de oorlog zich verder in de tijd verwijdert. Wat er toen allemaal is gebeurd, hoe het is gebeurd, hoe men het heeft laten gebeuren, het heeft voor mij steeds meer weg van een film met een bijna ongeloofwaardig scenario.

(meer…)

15. Het huis Eerbeek.

Het vorige hoofdstuk sloot ik af met onze aankomst bij huis Eerbeek, een veertiende eeuws landhuis dat dienst deed als opvang voor ongeveer veertig kinderen, die afkomstig waren uit het Scheveningse kinderhuis ”de Vluchtheuvel”. Deze kinderen, die in leeftijd varieerden van twee tot dertien jaar, arriveerden in het voorjaar van 1943 in Eerbeek. Er waren een paar redenen voor hun evacuatie. In de eerste plaats dat de veiligheid in Scheveningen onvoldoende gewaarborgd kon worden. Een tweede reden was de verslechterende voedselsituatie in het westen en in het bijzonder in de grote steden.
De Vluchtheuvel was een instelling op gereformeerde grondslag. Naar school gingen de kinderen op de christelijke Tjark Riksschool aan de Dericxkamp in Eerbeek.
Ik denk dat onze komst voor de leiding van het tehuis wel een probleem zal zijn geweest maar dat weigeren niet tot de mogelijkheden behoorde. Ander punt was natuurlijk of ze dat wilden, twee kinderen weigeren die nergens anders terecht konden. In ieder geval nam iemand van de leiding ons na een kort gesprek met de zwartjassen onder haar hoede. Zij zorgde ervoor dat we een slaapplaats kregen op een zolderkamertje, apart van de andere kinderen. Daarna maakte ze ons wegwijs in het huis en vertelde wat over de tijden waarop er gegeten werd en andere huisregels.
Met de oudere kinderen maakten we pas ’s middags kennis omdat die naar school waren. Als ik me niet vergis arriveerden m’n broertje en ik op een woensdag en waren zij ’s middags vrij. De kennismaking ging heel vlot. Zij wilden natuurlijk weten wie we waren en waar we vandaan kwamen en daarna werden we probleemloos in de groep opgenomen. De wijze waarop m’n broertje en ik gekomen waren werd kennelijk als normaal beschouwd.
Op deze manier liepen we voor de vaste dagelijkse gebruiken in het huis zoals naar bed gaan, opstaan en eten meteen vanaf onze intrede zonder problemen met de rest mee. Alleen het bidden voor en na het eten was de eerste keer volledig nieuw voor me maar na een korte uitleg door een van de leidsters deed ik mee met de anderen en deed op tijd m’n ogen open of dicht.
(meer…)

16. Het einde van m’n verblijf in het kinderhuis.

Zoals ik in het vorige hoofdstuk al schreef ontvingen we tijdens ons verblijf in het kindertehuis geen enkel teken van leven van m’n moeder of andere leden van de familie. Ook van de buren van tante Mieke hoorden we niets. De enigen die een keertje kwamen kijken waren Toontje en Riekie. Ik zag ze op een middag bij het toegangshek van het landgoed staan maar toen ik naar ze toeliep schrokken ze om de een of andere reden zo dat ze haastig de benen namen. Ondanks m’n geroep gingen ze er van door.

Foto uit de tijd dat wij er ook waren. Ik ben het jongetje op de derde rij, tweede van links.

(meer…)

17. Terug naar Amsterdam.

Met de onverwachtse komst van m’n moeder kwam er een einde aan ons verblijf in het kinderhuis. We hebben daarna nog een aantal maanden in Eerbeek gewoond.
Er was natuurlijk wel wat veranderd in onze situatie. We waren niet langer ondergedoken, onze illegale status was veranderd in een legale, het was niet meer nodig om ons te verbergen en we konden gaan en staan waar we wilden, dat wil zeggen voor zover dat toegestaan was. Nederland was tenslotte bezet.
Dat was even wennen maar na een paar dagen ging ik al weer met de kinderen uit de buurt om alsof er niets gebeurd was. En ik moest ook weer naar school in het dorp.
Het was echter duidelijk dat ons verblijf in Eerbeek van tijdelijke aard zou zijn en m’n moeder ging daarom al na een paar weken naar Amsterdam om een huis te zoeken.


Scheldestraat omstreeks 1935

(meer…)

18. De februaristaking.

Er is in Amsterdam niet veel meer over van de vooroorlogse Jodenbuurt, een gebied waar ruim vijftigduizend mensen woonden waarvan de helft van Joodse afkomst. Het meeste is onherkenbaar veranderd, gesloopt maar de indeling van de buurt is voor een belangrijk deel in stand gehouden en daardoor komen de belangrijkste straten nog steeds uit op het Jonas Daniël Meijerplein. De Portugese synagoge aan één zijde van dit plein en het gebouw van de Hoogduitse synagoge waarin het Joods Historisch Museum is gevestigd herinneren aan de tijd van weleer. Tussen deze twee gebouwen staat de Dokwerker, een beeld van Mari Andriessen. Het is daar neergezet als symbool van dat massale protest in 1941, de Februaristaking, en de reactie daarop in de rest van Nederland.

(meer…)

19. Niet bij brood alleen?

September 1943 keerden we dus terug naar Amsterdam. Terug naar een normaal leven maar mede door de andere buurt waar we kwamen te wonen was het verschil met de tijd voor de oorlog groot. In uiterlijk opzicht doordat de Duitsers een deel van het stadsbeeld waren geworden en verder door de hele sfeer, die je gevoeld moet hebben om te begrijpen wat ik bedoel.
Dat laatste werd veroorzaakt door een optelsom van allerlei zaken. Onzekerheid over de plannen van de Duitsers met Nederland, hoop en twijfel over de afloop van de oorlog, het wegvoeren van de Joodse bevolking, de manier waarop de mannelijke bevolking soms opgepakt werd om te werken in Duitse fabrieken, de groeiende schaarste aan kleding en voedsel. Drieëneenhalf jaar was de oorlog al bezig en stapje voor stapje werd er geknabbeld aan het rantsoen dagelijks brood. Ik ben een liefhebber van brood en kom er niet onderuit om daarover iets te vertellen.
Laat ik maar meteen flink inzetten met de kwaliteit van het huidige brood. Uitzonderingen daargelaten vind ik het meeste brood van vaderlandse bodem tegenwoordig maar een smakeloze homp deeg. Als het een halve, nou ja een hele dag in de broodtrommel heeft gelegen, is alle sjeu er af. De smaak lijkt nog het meest op die van karton, wit of bruin karton naar keuze.
Net zoiets geldt trouwens voor tomaten en aardbeien maar laat ik voorkomen dat ik buiten de opdracht van dit boek beland, ik wilde wat over brood vertellen en dan in het bijzonder over brood in samenhang met de oorlog. Brood waarover we toen minder kieskeurig waren maar het spreekwoord zegt niet voor niets dat honger zelfs rauwe bonen zoet maakt.
Vier broodherinneringen worden het, ga er dus maar even rustig voor zitten.

Dat heerlijke brood in Eerbeek
Het eerste verhaal is maar kort en handelt over het tarwebrood – of was ’t nou boerenweit?- dat we in Eerbeek aten. Toch wel jammer dat ik dat vergeten ben. Het waren in ieder geval grote broden met als gevolg grote sneden, die maar net op een bord pasten. Dat klopt met de omschrijving die ik op internet vond. Boerenweit is zwaar volkorenbrood waarvan je boterhammen snijdt die bijna twee keer zo groot zijn als een normale snee brood.
Die broden haalde je gewoon bij de bakker in het dorp. Oh, de smaak van dat brood, als ik er aan terugdenk komt het water me in de mond.
“Nog een boterhammetje met boter en zelfgemaakte worst van Toontje z’n moeder, Rudie?”
Daar kon ik geen nee op zeggen. Nooit meer zo’n lekker brood geproefd daarna.
Ik kan me voorstellen dat je m’n beschrijving overdreven vindt en de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik het een beetje heb aangedikt maar dat moet je maar voor lief nemen. Alle gebeurtenissen in Eerbeek nemen nu eenmaal een bijzondere plaats bij me in en brood maakt daarop geen uitzondering

   brood2

Het legendarische Zweedse wittebrood
De tweede broodherinnering gaat over het Zweedse wittebrood. Ergens in het vroege voorjaar van 1945 zond Zweden een lading meel naar het nog bezette en hongerende deel van Nederland. Voedsel was schaars zoals je hierboven ziet, er gingen vele mensen dood door kou en ondervoeding.
Achteraf beschouwd was deze zending van het Zweedse Rode Kruis niet veel meer dan de bekende druppel op de gloeiende plaat maar dat was het toch niet alleen. Het was ook het duwtje in de rug dat iedereen nodig had om nog even vol te houden. Een teken dat de oorlog op z’n eind liep.
Abusievelijk wordt er nog wel eens beweerd dat de Zweden hele broden stuurden maar dat is onjuist. Geloof me, ze stuurden meel en daarvan werd in Nederland brood gebakken.
Tegen inlevering van de nodige bonnen kon daarna per gezinslid een hoeveelheid wit brood worden gehaald. Als ik ’t me goed herinner was er ook een beetje boter bij maar dat kan net zo goed margarine geweest zijn.
We aten dat brood op een avond. Oh, die smaak, als gebak. Nog beter, hemelse cake.
Nooit meer zulk lekker wit brood gegeten. Afgezien van het brood in Eerbeek natuurlijk maar die smaak. Nee, die komt nooit meer terug.

Uit de mond gespaard brood
Diezelfde hongerwinter werden de voedselrantsoenen steeds meer teruggebracht en op een gegeven ogenblik kreeg ik ’s middags nog maar één sneetje brood.
Als beleg werd daar wat zelfgemaakte stroop van suikerbieten op gekrabd.
Je kon zo’n boterhammetje natuurlijk in een paar happen naar binnen schrokken maar ik deed dat anders. Om er lang en volledig van te kunnen genieten sneed ik ‘m in vieren en elk partje dan ook weer in 4 stukjes. Als je de daardoor ontstane 16 stukjes vervolgens in alle rust opat was je mooi een kwartier bezig en kreeg je toch het idee van verzadiging.
Voor de moeders overigens een zalige tijd in dat opzicht. Nooit opmerkingen te hoeven maken als “Ruud, eet je bord nou eens leeg”.
Ja, Ruud deed er wel lang over maar dat had een heel andere reden. Door het zo te verdelen leek het meer.

Zemelbrood
Het laatste verhaal gaat over brood dat je bij de bakker kon laten bakken als je maar meel inleverde.
Het speelt zich ook af tijdens de hongerwinter.
In het vorige hoofdstuk vertelde ik over de periode die we in Eerbeek doorbrachten na de arrestatie van m’n vader. Het was de zomer van 1943 met prachtig weer en met een vooruitziende blik verzamelden we, bevoorrecht gezin in dat opzicht, een flinke hoeveelheid tarwe en rogge.
Hoe we dat deden? Heel eenvoudig, door “aren te lezen”. Als de boeren hun graan maaiden bleven er nadat ze de graanschoven van het land hadden gehaald, altijd koren- of tarwearen achter. Het was een ongeschreven regel dat de bewoners uit de omgeving die mochten verzamelen en meenemen. Als je dat deed en er daarna de korrels uit haalde bleef er op die wijze een aardige hoeveelheid tarwe of rogge over. Samen met m’n broers heb ik heel wat middagen zoekgebracht met het verzamelen van dit achtergelaten ‘goud’.
Eén keer kwamen we van een koude kermis thuis omdat de boer ons verbood op z’n land te komen. Hij had mij met Toontje de week daarvoor betrapt toen we probeerden een paar appels uit z’n boomgaard mee te nemen.
Het resultaat na afloop van ons oogstseizoen mocht er zijn en we namen bij de verhuizing naar Amsterdam drie jutezakken met graan mee. Zoals ik al zei, we hadden een vooruitziende blik gehad.
Nou doe je met korrels niet zoveel. Je moet ze eerst malen en dat gebeurde in de Scheldestraat met een oud handkoffiemolentje. Dat ging dus niet vlug, nee. ’t Was ook geen leuk werk en dat betekende dat iedereen een beurt kreeg om te malen.
Van het aldus verkregen meel werd met water meestal pap gekookt. Aangezoet met een beetje bietenstroop smaakte dat redelijk.
Maar er was ook een mogelijkheid om tegen inlevering van een hoeveelheid meel bij de bakker om de hoek een brood te laten bakken. Dat vonden we, en wij niet alleen, toch een beetje zonde. Dat mooie meel inleveren, je moest maar zien wat je ervoor terugkreeg. Daarom werd het zelf gemalen graan eerst gezeefd. Het mengsel dat voor de bakker om de hoek bestemd was bestond uit een hoeveelheid mooi wit meel en een onevenredig grote hoeveelheid zemelen.
Het gevolg laat zich raden. Het brood dat je er voor terugkreeg, leek nog het meest op gebakken kokosmat.

Eten was verschrikkelijk belangrijk in die dagen.
Ik schreef het al eerder, de zwaksten en de meest kansarmen overleefden de hongerwinter niet.
Maar daarover later meer als ik over de gaarkeuken vertel.