14. Het einde.

Over de rol van de illegale CPN en de arrestatie van de leiding in het voorjaar van 1943 is veel geschreven. Uiteraard in de geschiedschrijving van Dr. L. de Jong maar daarnaast ook in andere boeken en artikelen die naar aanleiding van de gebeurtenissen tijdens de jaren ’40-’45 zijn uitgegeven. Zo verscheen er in Elseviers Magazine in 1986 een uitgebreid artikel onder kop “Hoe de Duitsers de CPN oprolden”. In een ander tijdschrift een artikel waarin werd beschreven hoe die gebeurtenissen na de oorlog onder invloed van Paul de Groot werden herschreven.
Ik bezit een kleine verzameling van deze uitgaven en bovendien diverse fotoboeken, die een beeld geven van Nederland en de Nederlanders tijdens vijf bezettingsjaren. Bij het schrijven van dit verhaal waren ze een welkome hulp om de feiten en gebeurtenissen in de juiste volgorde te plaatsen.
Hoewel de inhoud dus niet nieuw voor me was vond ik het ook dit keer weer boeiende lectuur om door te nemen. Toch groeit m’n verwondering nog steeds. Dat is overigens al jaren het geval en neemt toe naarmate de oorlog zich verder in de tijd verwijdert. Wat er toen allemaal is gebeurd, hoe het is gebeurd, hoe men het heeft laten gebeuren, het heeft voor mij steeds meer weg van een film met een bijna ongeloofwaardig scenario.

Het verzet.
Na de capitulatie in de meidagen van 1940 werd er al vrij snel op individuele basis verzet tegen de bezetters geboden. De Duitse politie sloeg dat aanvankelijk waarschijnlijk geamuseerd gade. Een van de opmerkelijke zaken was daarbij dat ze vaak op vrijwillige hulp van de Nederlandse politie kon rekenen. De basis voor die samenwerking was al jaren voor de oorlog gelegd. Voor de Haagse politie werd bijvoorbeeld al vanaf 1935 door een aantal personen met de politie in Wuppertal samengewerkt waarbij dossiers werden aangelegd van personen die de NSB en het Duitsland van Hitler niet vriendelijk gezind waren.
Tijdens de bezetting traden verschillende van deze Hagenaars in Duitse dienst. Zij betrokken hun Nederlandse collega’s in het opsporingswerk naar communisten, geallieerde agenten en verzetsgroepen.
De illegale CPN stond vanaf het begin van z’n oprichting onder leiding van een driemanschap: Paul de Groot, Jan Dieters en m’n vader. Deze leiding richtte onder meer een organisatie op voor sabotagewerk. Deelnemers werden gerekruteerd uit oud dienstplichtige leden, oud Spanjestrijders en andere leden. In groepjes van vijf personen probeerde deze sabotagegroepen strijd te leveren tegen de bezetters. Om ontdekking te voorkomen moest daarbij onder zo groot mogelijke veiligheidsmaatregelen worden geopereerd.
In Amsterdam dat een belangrijk centrum was in het verzet, bleek de SD aanvankelijk niet tegen z’n taken opgewassen. Voorjaar 1941 kwam daar verandering in toen de beruchte Willy Lages arriveerde om orde op zaken te stellen. Onder zijn leiding werden bijvoorbeeld na de Februari-staking honderden mensen door de Gestapo gearresteerd.
Daarna vorderde de SD maar langzaam bij hun werk om achter de namen en de verblijfplaatsen van  de diverse verzetsgroepen te komen. Toch slaagden ze erin om met behulp van infiltranten in de illegale organisatie door te dringen. Op deze manier viel op 1 april 1943 Piet Vosveld, die koerier was tussen de organisatie van de illegale CPN in Amsterdam en het bovenvermelde driemanschap, in handen van de Gestapo in Amsterdam.
De Duitsers slaagden er in, met ondermeer dreigementen om zijn echtgenote en kinderen naar een concentratiekamp te zenden, om zijn weerstandsvermogen te breken en kwamen zo achter een afspraak die hij voor 3 april had gemaakt met Jan Dieters. In gezelschap van de SD reisde hij daarna op de bewuste datum naar Apeldoorn waar in hotel Ruimzicht de ontmoeting zou plaatsvinden.
Zoals afgesproken kwam Dieters op de afgesproken tijd aanlopen. Vosveld zag hem komen maar deed niets. De Duitsers wel en op deze manier viel Dieters in hun handen.
Het toeval wilde dat de Groot op deze dag onverwacht met Dieters was meegekomen. Als standaard veiligheidsmaatregel had hij Dieters echter niet vergezeld maar deze op een ruime afstand gevolgd. Niet opgemerkt door de Gestapo was hij er daardoor getuige van hoe Dieters overweldigd werd.
Uiteraard vluchtte hij en schijnt daarna via de bossen naar Zutphen gelopen te zijn. De schrik zat er daarna zo bij hem in dat hij zich gedurende de rest van de oorlog onbereikbaar voor iedereen verborgen heeft gehouden. Op een of andere wijze heeft hij legaal, uiteraard onder een andere naam, in Zwolle het einde afgewacht.
Maar de slag die de Duitsers toebrachten werd door de volgende nalatigheid van de Groot nog groter dan hij al was. Hij verzuimde namelijk om het derde lid van hun driemanschap te waarschuwen; een ongeschreven plicht in dergelijke gevallen.
Afspraak was dat in het geval dat één van de drie opgepakt zou worden, deze gedurende minstens drie dagen geen informatie over de verblijfplaats van de anderen zou prijsgeven. Drie dagen was de termijn die ze voor de anderen voldoende hadden geacht om te ontkomen. Dieters doorstond de ondervragingen en verstrekte het adres van m’n vader pas na drie dagen in de veronderstelling dat deze tijdig had kunnen vluchten.

Het bevolkingsregister Amsterdam. Verwoest na een aanslag van het verzet..

Hoe de Gestapo toesloeg in Eerbeek
De Gestapo kwam in het holst van de nacht. Zoals ik al vertelde in het vorige hoofdstuk, woonden we voor de tweede keer bij tante Mieke in Eerbeek. Ik sliep licht want ik hoorde hun stemmen vanaf het moment dat ze binnenkwamen. Later hoorde ik dat tante Mieke nog heeft geprobeerd om ze weg te sturen maar de heren waren zeker van hun zaak en drongen zonder veel omhaal het huis binnen. Waar m’n vader er nog bijna in was geslaagd om te ontkomen maar hij werd in een geopend venster gepakt
Was ik bang? Dat was ik zeker. Eigenlijk lag ik angstig te wachten tot ze m’n slaapkamertje zouden binnenkomen en dat gebeurde na een minuut of tien. Twee kwamen er naar binnen, gekleed in lange zwarte leren jassen. Eén vertrok al vrij gauw, de ander, een Nederlander begon te vragen hoe m’n broer heette en wie er nog meer in huis waren.
Instructies aan de jongsten voor dit soort gevallen waren nooit gegeven. Ik wist alleen dat ik m’n oudste broer Ferdinand moest noemen. M’n twee zusters zaten al een tijd bij een “tante” in Velp en daar moest dus niet over gesproken worden. In het huis in Eerbeek waren we op dat ogenblik dus maar met 5 Jansens, tante Mieke en Bep, een jonge vrouw van een jaar of vijfentwintig uit Arnhem.
Wat m’n achternaam was wilde de zwartjas weten. Dat wist ik niet. Dat wil zeggen, ik wist niet onder welke illegale achternaam we door het leven gingen en ik deed dus maar of ik het echt niet wist. En die Ferdinand die heette echt zo? Ja, Ferdinand, dat wist ik heel zeker.
Ik weet niet meer hoe lang dit gesprek heeft geduurd maar meer dan vijf minuten zal het niet geweest zijn. Daarna verdween de zwartjas weer en bleef ik een beetje angstig bibberend achter.
Na zo ongeveer een half uurtje moest ik me aankleden en werden alle bewoners van het huis weggevoerd. M’n moeder, Bep, m’n jongste broer en ik maakten per auto een nachtelijke rit door de donkere bossen. Zo nu en dan werd het grote licht van de auto even aangedaan omdat het zicht bijna nul was. Waar we naar toe gingen wist ik niet.

Okkie of Piggelmee in het huis van bewaring
De uiteindelijke bestemming bleek het huis van bewaring in Arnhem te zijn, waar we in een vrij grote kamer werden ondergebracht. Ik herinner me nog goed het stinkende toiletemmertje en de bewakers of bewaaksters, die zo nu en dan binnenkwamen. En natuurlijk het wat angstig en gespannen wachten op de gebeurtenissen die zouden komen.
Slapen hebben we gedurende de rest van die nacht nog maar nauwelijks gedaan door alle opgedane emoties. Wonderlijk genoeg gedroegen m’n moeder en Bep zich heel rustig en kalm.
De ochtend daarna gebeurde er nog niets. Ik kreeg van een bewaakster een paar boekjes van Piggelmee of Okkie. In m’n herinnering waren ze van Leonard Roggeveen maar ik vraag me af of die toen al schreef. Nou ja, misschien waren ze wel van een ander. Maar dat mannetje Piggelmee dat in een ton leefde, zie ik nog heel goed voor me.
Boekjes van Okkie en Daantje (die zijn zeker van Roggeveen) roepen na die tijd bij mij altijd onmiddellijk associaties op met stinkende toilettonnetjes en huizen van bewaring.

‘s Middags werden m’n jongste broer en ik weggehaald. Tijd om afscheid te nemen van m’n moeder werd ons nauwelijks gegund. ‘Die Kinder’ werden met een koffertje kleding meegenomen door drie  zwartjassen.
Paniekgevoelens natuurlijk, wat ging er met ons gebeuren? Buiten moesten we instappen in een gereedstaande auto en met een van de drie als chauffeur reden we weg.
Onderweg waren die drie druk met elkaar in gesprek in een mengeling van Duits en Nederlands. Een paar keer ving ik iets op over ‘de kinderen’ maar het meeste bleef abacadabra voor me.
De plaats van bestemming bleek na een klein uurtje rijden tot m’n verrassing Eerbeek te zijn. De rit eindigde na enig zoeken bij een groot landhuis dat aan de rand van het dorp lag. Het huis Eerbeek waarin een grote groep kinderen uit Scheveningen was ondergebracht, werd kennelijk ons nieuwe onderdak. Maar dat wist ik op dat ogenblik natuurlijk nog niet.
Hoe het ons daar verging is een verhaal apart en houd ik nog even onder de roos.

Verhalen Reacties »


Laat een bericht achter



* Verplicht

*
Type het woord wat hier rechts staat.
Click to hear an audio file of the anti-spam word

Naar boven