17. Terug naar Amsterdam.
Met de onverwachte komst van m’n moeder kwam er een einde aan ons verblijf in het kinderhuis. We hebben daarna nog een aantal maanden in Eerbeek gewoond.
Er was natuurlijk wel wat veranderd in onze situatie. We waren niet langer ondergedoken, onze illegale status was veranderd in een legale, het was niet meer nodig om ons te verbergen en we konden gaan en staan waar we wilden, dat wil zeggen voor zover dat toegestaan was. Nederland was tenslotte bezet.
Dat was even wennen maar na een paar dagen ging ik al weer met de kinderen uit de buurt om alsof er niets gebeurd was. En ik moest ook weer naar school in het dorp.
Het was echter duidelijk dat ons verblijf in Eerbeek van tijdelijke aard zou zijn en m’n moeder ging daarom al na een paar weken naar Amsterdam om een huis te zoeken.

In September 1943 was het zover en namen we afscheid van tante Mieke. Met de trein gingen we terug naar Amsterdam. Een vijfkamerwoning met een grote hal en een badkamer in de Scheldestraat, vlak bij het Scheldeplein, aan de rand van de stad, werd ons nieuwe adres. Niet zo maar een etage ergens in de stad maar door het wegvoeren van de Joodse bewoners een van de vele woningen, die in Zuid werden aangeboden.
Tot een aantal maanden voor onze komst had er een Joodse kleermaker gewoond, die met z’n gezin door de Duitsers naar Westerbork was gedeporteerd. Zoals gebruikelijk waren huisraad en andere eigendommen van de familie geconfisqueerd en was de woning leeggehaald.
Dat er een kleermaker had gewoond was goed te merken omdat we nog maanden na onze komst spelden ontdekten en ook na de oorlog nog post voor hem ontvingen. Brieven met reclameboodschappen voor kamgaren, naaimachines en andere kleermakersbenodigdheden.
In ieder geval moest het huis eerst geschikt gemaakt worden voor bewoning, er moest vloerbedekking komen, bedden, meubelen, kortom al die dingen die nodig zijn om ergens te wonen. Daarom logeerden m’n broertje en ik eerst een week bij m’n oom Jan op de Hoofdweg in Amsterdam West. Pas toen de rest van de familie klaar was met de inrichting gingen wij daar ook naar toe.
Nummer 101, waar we woonden, telde drie woonetages. Helemaal boven was een verdieping met zolderkamers en beneden ons een winkel met een banketbakker, die z’n zaak de fraaie naam van maison Verhaak had gegeven. De Scheldestraat was trouwens een winkelstraat maar lag aan de rand van de stad. Wij keken uit op een stuk opgespoten land voor toekomstige woningbouw. Daarachter lag de ringdijk en daar weer achter de polder Buitenveldert.
Wij woonden op de eerste etage, boven ons mevrouw Venema met haar dochter en op drie hoog woonde de familie Karelsen. Eddie Karelsen was Joods, net als de vorige bewoner van onze etage, maar getrouwd met een niet Joodse vrouw. Dat redde hem het leven omdat de Duitsers voor gemengde huwelijken en uitzonderingsregel hadden ingesteld. Mits er in het gezin kinderen waren mochten de mannen in Nederland blijven. Pas tegen het einde van de oorlog werd hij toch op transport gesteld naar een kamp ergens in Nederland. Daar is hij tot de bevrijding gebleven, net als z’n eveneens gemengd gehuwde broer Dolf, die tot 1940 leider was van een AVRO-dansorkest.
Samen maakte ze deel uit van de kleine groep mensen van Joodse afkomst in Amsterdam Zuid, die de zogenaamde Endlösung overleefde.
Na het overlijden van m’n moeder vond ik tussen haar papieren het huurcontract dat werd opgemaakt op 31 augustus 1943. De huur van de woning was vijftig gulden vermeerderd met vijfenzeventig cent watergeld. Een flink bedrag voor die tijd.

Eddie en Rini Karelsen hadden drie kinderen, een meisje en twee jongens van zo ongeveer mijn leeftijd en we werden door deze mensen met warmte opgevangen. Dolf en Robbie werden onze vriendjes en speelden een belangrijke rol in de tien jaar na onze komst in de Scheldestraat.
Bij de familie Karelsen waren twee Joodse mannen ondergedoken. Omdat in het najaar van 1943 de laatste overgebleven Joodse mensen uit Zuid naar Westerbork werden gedeporteerd verhuisde er eentje, Elie Fränkel, naar een veiliger onderduikadres. Hij had geluk en overleefde de vijf oorlogsjaren. Na de bevrijding pakte hij de draad van z’n vooroorlogse bestaan weer op en maakte naam als leider en organisator van showballetten.
De tweede gast, een uit Duitsland gevluchte rechter, sliep op één van de zolderkamers. Hij heeft het einde van de oorlog helaas niet mogen meemaken en overleed in de winter van ’44-’45. Deze vriendelijke, gebroken Nederlands sprekende man, die we herr Biemar noemden, kon een beetje schaken en probeerde ons daarvan de eerste beginselen bij te brengen. Maar hij had altijd iets tragisch over zich wat niet zo verwonderlijk was. Na z’n vlucht uit Duitsland had hij het contact met de rest van z’n familie verloren. Zonder enig verder houvast had het leven hem nog maar weinig te bieden en zoals al gezegd overleed hij bij het begin van de hongerwinter.
Zo begon dus het leven in de stad. De overgang van het platteland was in het begin oneindig groot maar wende snel.
Ik moest weer naar school, eigenlijk was de Dongeschool die gevestigd was in een groot scholencomplex vlak bij huis onze eerste keus omdat de kinderen Karelsen daar ook op zaten. Het hoofd van de school verklaarde nadat hij de C.V. van onze familie had aangehoord echter dat hij geen plaats had. Vreemd omdat er door het vertrek van talrijke Joodse families in de buurt heel wat kinderen van school waren verdwenen. Gelukkig was er nog een tweede lagere school in het complex gevestigd en die deden minder moeilijk. Ik begon dus op de Meerhuizenschool, in de vierde klas bij meneer Bloksma. Lekker dicht bij huis maar daar kwam al na een half jaar verandering in. Een door de Duitsers gevorderd schoolgebouw op het Meerhuizenplein waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen, werd weer door de bezetter ontruimd. Die hadden het ruim drie jaar gebruikt als onderkomen voor een groep soldaten.
De verhuizing betekende dat ik in plaats van vijf minuten een klein half uur nodig om naar school te lopen. Veel kan ik me er niet meer van herinneren. Wel dat ik een paar keer ‘s ochtends groepjes Joodse mensen zag lopen, op weg naar een tramhalte bij de Rijnstraat vanwaar ze naar de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middellaan gebracht werden. Voorportaal van Westerbork en uiteindelijk Auschwitz.

Het proces tegen Jan Dieters en m’n vader
M’n vader was eind augustus overgebracht naar de gevangenis in Scheveningen die de bijnaam droeg van het Oranjehotel. Op 24 augustus 1943 vond het proces tegen hem en Jan Dieters plaats in een bijzondere zitting van een Duitse rechtbank. Hierbij waren zowel de rechters als de advocaten Duitsers. Beiden werden ze veroordeeld tot de doodstraf. Die handelwijze van de bezetter om enerzijds mensen uit het verzet door een rechtbank te laten veroordelen en aan de andere kant mensen zonder enige vorm van proces naar een concentratiekamp te voeren heb ik nooit goed kunnen begrijpen.
De Telegraaf van die dagen sprak na de uitspraak van de rechtbank in een artikel op de voorpagina z’n voldoening uit over het vonnis. Maar dat was nauwelijks verwonderlijk van een blad dat de bevolking van ons land al op 11 mei 1941 opriep om de bezetting door de Duitsers op een waardige wijze te accepteren. Wat de Duitsers betreft zal het standpunt van m’n vader dat hij in 1935 in de gemeenteraad van Amsterdam verwoordde geen goed aan zijn zaak gedaan hebben. Hij protesteerde toen tegen een voorval in de stad waarbij de gemeentepolitie werd ingezet om tegenstanders van NSB-propagandisten te arresteren. Zijn woorden dat Nederland waarachtig niet zat te wachten op de invoering van concentratiekampen, dwangarbeid en het pogrom dat in Duitland tegen de Joodse bevolking plaatsvond werden echter weggelachen door de rest van de gemeenteraad. De algemene mening was dat het zo’n vaart niet zou lopen.
Verwonderlijk was dat achteraf gezien niet. Duitsland was een bevriende natie en voorkomen moest worden dat die door woord of daad geprikkeld werd. Met betrekking tot de vele Joodse vluchtelingen uit Duitsland was het beleid dat die alleen toegelaten werden als er sprake was van levensgevaar. Bovendien mochten ze de staat geen geld kosten. Voor de opvang kwam in 1939 op kosten van de Joodse Gemeenschap een opvangkamp gereed in Westerbork. Zo ver mogelijk verwijderd van de bewoonde wereld zodat de vluchtelingen acht kilometer te voet moesten afleggen om het te bereiken. Door de Duitse bezetters werd dat kamp later uitgebreid tot het Durchgangslager van die naam. De Nederlandse Spoorwegen werkten mee door de aanleg van een spoorweg die tot de ingang liep.
Het zijn niet de fraaiste bladzijden uit onze geschiedenis.

Dat m’n vader en Jan Dieters voorafgaand aan het proces onder druk zijn gezet om een bekentenis af te leggen, lijkt me aannemelijk. De verklaringen die ze tijdens het proces aflegden zijn zodanig dat ik me nauwelijks kan voorstellen dat ze vrijwillig zijn afgelegd. Misschien is het zo gespeeld op advies van hun advocaten om op deze wijze de doodstraf te ontlopen. In ieder geval verscheen in 1943 de volgende verklaring.
Twee communisten ter dood gebracht
Maandag 18 okt. 1943 – De door het Duitse Obergericht op 24 augustus uitgesproken doodvonnissen tegen de communisten Louis Jansen Jan Dieters zijn thans, na onderzoek van de kwestie van de gratieverlening, ten uitvoer gebracht. Jansen en Dieters waren vooraanstaande communisten, die in 1938 werden benoemd op het partijsecretariaat.
Toen in 1940 de CPN enkele maanden na de bezetting werd verboden, zijn de veroordeelden doorgegaan met een illegale communistische organisatie, die de aanwijzingen rechtstreeks uit Moskou bleef ontvangen, zo hebben beiden bekend. Hun organisatie riep op tot staking, “een ophitsing, die in de dagen van 25 en 26 februari ook enig succes had.”
Nadat Duitsland de oorlog verklaarde aan Rusland, hebben de twee op aanwijzing van Moskou zogeheten moordcentrales opgericht, die minstens zestig aanslagen hebben uitgevoerd. Naarmate de oorlog vorderde kregen Jansen en Dieters aanwijzingen van Moskou, dat Nederland rijp gemaakt moest worden voor een bolsjewistisch bewind en dat personen die hier niet in pasten verwijderd dienden te worden. De twee communisten waren gewetenloos genoeg om zich de houding van bepaalde Nederlanders, die meenden dat zij hun sabotage uit vaderlandsliefde pleegden, te laten welgevallen.
Het proces kreeg tenslotte een dramatische wending, toen Jansen en Dieters verklaarden het communisme ondertussen afgezworen te hebben. Zij hadden afschuw van hun eigen leven gekregen en duidelijk ingezien, dat er langs hun weg in geen geval een betere toekomst voor het Nederlandse volk en in het bijzonder de Nederlandse arbeiders zou ontstaan. Toen ook waren zij er zeker van, dat de eenmaal ingeslagen misdadige weg onherroepelijk henzelf in het verderf moest storten.
Tot zover het officiele verslag van de rechtszitting.
Drie brieven, die hij tijdens zijn gevangenschap heeft geschreven, zijn in mijn bezit. Ik heb in dit verhaal een paar delen daaruit opgenomen.
Wat me opviel was dat er twee met inkt zijn geschreven op officieel gevangenispapier. De afscheidsbrief, gedateerd op de dag van zijn dood, is op gewoon papier geschreven. In potlood.
Bovenstaand detail komt uit de brief die hij schreef na de uitspraak van de Duitse rechtbank.
Aan het slot van deze brief komt hij nog een keer terug op de mogelijkheid om gratie aan te vragen door ondermeer familieleden en noemt daarbij de naam van Jo Grote. Het bijzondere daaraan is dat deze man, z’n zwager en getrouwd met één van z’n zusters, een min of meer vooraanstaande rol in de NSB speelde. M’n oom Gerrit heeft daarop met loden schoenen de tocht naar Jo Grote gemaakt om te vragen of die niet iets kon doen om de strafmaat te wijzigen. Deze reageerde daar echter afwijzend op met als motivering geen invloed in dit soort zaken te kunnen uitoefenen omdat hij maar een klein schakeltje in het geheel was.
De gratieverzoeken werden uiteindelijk op 6 oktober 1943 door Seyss Inquart afgewezen.
Op 9 oktober werd ‘s morgens vroeg aan beiden meegedeeld dat hun verzoeken om gratie waren afgewezen. Als laatste wens mochten ze een afscheidsbrief schrijven en een sigaret roken. Het vonnis werd om half acht door een Duits vuurpeloton op de Waalsdorpervlakte voltrokken.
Geruime tijd na afloop van de oorlog verhuisden ze van hun laatste rustplaats op een kleine begraafplaats in Wassenaar naar de erebegraafplaats in het Gelderse Loenen. Naast elkaar liggen ze daar onder een eenvoudige witte steen.
M’n vader met de vermelding van ’Drager van het verzetskruis’. Hiervan zijn er na afloop van de oorlog een beperkt aantal door koningin Wilhelmina uitgereikt aan de nabestaanden van vooraanstaande mensen in het verzet.
Over de wijze waarop dat kruis tot stand is gekomen vertel ik wat meer in een volgend hoofdstuk.

Met de executie van m’n vader kwam voor m’n gevoel het echte einde van onze onderduikperiode. Tijdens het schrijven van deze hoofdstukken heb ik me een paar keer afgevraagd of ik de gebeurtenissen in die drie jaar niet te nuchter heb weergegeven. Of ik er wel in geslaagd ben om duidelijk te maken dat het een periode betrof met verschrikkelijke gebeurtenissen tijdens een vreselijke oorlog. Ik heb er geen echt antwoord op. Je moet natuurlijk in ogenschouw nemen dat er sindsdien zestig jaren verlopen zijn.
Het verwerkingsproces na zijn dood is in ieder geval in stappen gegaan. Buiten de directe familiekring ben ik over onze oorlogsgeschiedenis nooit echt mededeelzaam geweest. Oorzaak daarvan was dat de rode ideologie al vrij snel na de bevrijding onder vuur kwam te liggen met in de daar op volgende jaren de ontwikkelingen in Rusland, Hongarije en OostDuitsland.
Als gevolg daarvan telde de familie maar een betrekkelijk korte periode één praktiserend aanhanger van de club van Jozef S. De houding van de naoorlogse leiding van de CPN die de gebeurtenissen in 1943 en de rol daarbij van Paul de Groot in de doofpot had gestopt, zal daarbij wel een rol hebben gespeeld. Alleen m’n oudste broer is na de oorlog lid geweest van de CPN. Voor zover ik me details uit die tijd kan herinneren een periode van ongeveer vijftien jaar. Daarnaast was hij ook een aantal jaren actief in deze partij. Hoe lang dat heeft geduurd kan ik niet meer nagaan – hij is overleden – maar het zal tussen de vijf en tien jaar zijn geweest. Hij probeerde om daarmee aan het verlangen van zijn vader te voldoen. De partij had echter om een aantal redenen geen behoefte aan hem. Hij wist misschien te veel van bepaalde gebeurtenissen die tijdens de oorlog waren voorgevallen.’ Toen ik merkte dat ik werd tegengewerkt ben ik er dan ook mee gestopt,’ heeft hij me in de laatste fase van z’n leven verteld. Daarnaast speelde misschien een rol dat Dieters en Jansen al snel na de oorlog niet meer werden genoemd als gevolg van de verklaringen die ze in ’43 voor en tijdens hun proces hadden afgelegd. Ze waren door de partij als het ware geschrapt van de lijst met personen die als voorbeelden van het verzet werden genoemd.
Wat mezelf betreft kan ik me nog goed die eerste maanden na de bevrijding herinneren waarbij de jongens van Karelsen aan jan en alleman het verhaal over onze verzetsdaden kwijt wilden met de rol die mijn vader daarbij had gespeeld. Ze scoorden er niet echt mee. Het Nieuwe Zuid van die tijd telde maar weinig aanhangers van de rode religie en zo kreeg ik zelfs een keer de verwensing mee dat ze ons allemaal hadden moeten ombrengen. En dat terwijl ik er juist behoefte aan had om gewoon een normaal leven te leiden. Pas de laatste tien vijftien jaar wil ik aan bekenden en vrienden nog wel eens iets vertellen over die gebeurtenissen
Bij het schrijven van dit verhaal heb ik uiteindelijk een beetje houvast gevonden in de afscheidsbrief van m’n vader. Die is in potlood geschreven op dun papier, alsof dat op het laatste moment nog in haast moet gebeuren.
Hij schrijft daarin dat wij tijdens de bezettingsjaren nog een gelukkige tijd hebben doorgemaakt dank zij de hulp van vrienden, waarbij hij vooral aan tante dacht. Ik heb het betreffende deel van de brief hieronder afgedrukt. Met tante bedoelde hij uiteraard tante Mieke.
Zo nuchter als ik die periode probeer te bekijken krijgt de ontroering me toch elke keer weer te pakken als ik die brief lees.
Ik denk wel eens dat wij, de mensheid in z’n algemeenheid, maar weinig opsteken van zulke perioden in de geschiedenis. Een korte blik op de dagelijkse krantenpagina’s met ellende laat alleen maar herhaling zien van gebeurtenissen, waarvan ik er dan toevallig ook een paar heb meegemaakt.
Wat dat betreft was m’n vader een stuk optimistischer dan ik.

Meer over de familie Karelsen
Zo’n enkele keer komen de gebeurtenissen uit het verleden weer heel dichtbij. Zo ontving ik begin 2010 van een van mijn kennissen een document dat hij bij toeval was tegengekomen in het Archief van de gemeente Amsterdam. Het was een rapport van de politie opgemaakt eind 1942.
Uit dat rapport blijkt dat de familie Karelsen uit de Scheldestraat 101 (ook ons huisadres) hulp heeft verleend aan Joseph Cohen, van beroep concert-pianist. De betreffende man was op 2 december 1942 aangehouden in de Tolstraat omdat hij geen jodenster droeg en bovendien in het bezit was van een vervalst persoonsbewijs op naam van Carel Jenssen uit Rotterdam. Cohen die tot midden ’42 in Groningen had gewoond was gevlucht uit het werkkamp in Staphorst waar hij te werk was gesteld. Hij was daarna opgenomen in het gezin van de familie Karelsen, kennissen van zijn ouders tegen betaling van pensionkosten van Fl. 17,50.
Cohen is overgedragen aan de chef van het bureau Joodsche Zaken. Hij zal daarna waarschijnlijk naar Westerbork zijn gestuurd en vervolgens naar een van de Vernichtungslager.
Het lot van een van de joodse Nederlanders in een notendop.