16 februari 2010 — 22:46
De gaarkeuken
In het vijfde oorlogsjaar werd het tekort aan voedsel in het westen van het land echt nijpend. De rantsoenen werden van maand tot maand kleiner. Bovendien werd op een gegeven ogenblik de gastoevoer afgesloten.
Ergens in het vroege najaar van 1944 werden er daarom centrale keukens geopend die voedsel moesten verstrekken aan de bevolking. Gaarkeuken kregen die als naam en gaar was het.
Aanvankelijk bestond dit eten nog uit stamppot van aardappelen en biet of kool, later werd de kwaliteit geleidelijk slechter en er werd ten slotte nog hoofdzakelijk dunne soep van aardappelen en bloembollen uitgedeeld of smerige stamppotten, waarvan suikerbieten het hoofdbestanddeel vormden.
Lees verder »
Reacties » | Verhalen
16 februari 2010 — 22:47
Het kan niet zo slecht gaan in een land of er zijn altijd wel een paar handige jongens die geld weten te verdienen aan de behoeften van de rest. Onder het uitroepen van de slogan ‘handel is handel’ duiken ze in een van de vele gaten die in de markt zijn ontstaan.
Zo gebeurde het in het laatste of voorlaatste oorlogsjaar dat in een winkeltje of een woonhuis op de Amstelkade, vlak bij mijn school, plotseling een zoete ‘lekkernij’ werd verkocht die bestond uit een tot schuim geklopte massa. Qua uiterlijk had het nog het meeste weg van geklopt eiwit. Of dat het geval was weet ik niet. Het is best mogelijk dat er eieren voor gebruikt waren, misschien wel in combinatie met het afkooksel van suikerbieten. Voorzien van een kleurtje en gezoet met sacharine of iets dergelijks maakte het in ieder geval snel opgang onder de naam ‘slagcreme’.
Vraag me niet hoe de ondernemende neringdoenden aan het idee en de grondstoffen voor deze versnapering kwamen in die jaren; ze hadden in ieder geval hun kans geroken en alle kinderen van mijn school en nog een aantal naburige scholen verdrongen zich voor en na schooltijd om er een portie van te kopen. Ik heb het maar eenmaal geprobeerd, een klodder van die zoetigheid in een papieren puntzakje, maar vond het niet lekker, lustte de weeïge smaak van de zoetstof niet.
Maar goed, het was de enige lekkernij in die periode en een kinderhand was snel gevuld.
Er viel naarmate de oorlog vorderde, toch weinig te snoepen. Als ik me goed herinner was er in ’43 nog wel ijs. Waterige ijslollies van een man die regelmatig met een ijskarretje door de buurt kwam en verpakt ijs bij de Jamin op de hoek van de Scheldestraat en de Noorder Amstellaan (nu Churchilllaan).
Van die Jaminijsjes heb ik er heel wat gegeten. Meestal installeerden we ons dan op een schuilkelder, die ze daar in het plantsoen hadden gebouwd. Het ijs leek niet echt op het ijs van tegenwoordig. Het was een soort bevroren vanillepap met een papiertje eromheen maar wist je veel. Kostte in ieder geval maar een gering bedrag. Zoiets van 5 cent of een dubbeltje. Ik weet het niet precies meer maar ik zal er niet ver naast zitten.
Lees verder »
1 reactie » | Verhalen
16 februari 2010 — 22:48
De hongerwinter ’44-’45 werd niet alleen gekenmerkt door honger zoals de naam trouwens al aangeeft, maar ook door kou. Dat wil zeggen extreme kou waardoor deze winter in het rijtje van vorst en sneeuw een hoge klassering inneemt.
Er waren geen kolen meer, het gas was teruggebracht tot een laag pitje en werd op een gegeven ogenblik zelfs helemaal afgesloten. Hetzelfde gold voor elektriciteit. Gelukkig was er wel water. Als dat ook was afgesloten waren de gevolgen nog veel erger geweest.
Hoe zijn we die winter dan doorgekomen vraag ik me achteraf af. Het wonderlijke was dat ik me evengoed ruimschoots overgaf aan zaken als schaatsen en sleeën. Maar misschien was het wel zo dat je de kou het minst voelde als je bezig was.
Kou en sneeuw. Op de een of andere wijze moest er dus brandstof komen. De jacht op brandstof was al in de herfst voorafgaande aan de hongerwinter begonnen. Bomen vielen het eerst als slachtoffer.
De boom bij ons voor de deur liet dank zij gezamenlijke inspanningen al gauw het leven. Een deel werd door de familie Karelsen, onze buren van drie hoog, buitgemaakt. Het vervoer naar de zolder ging niet zonder problemen. Toen ze hun deel van de zware stam bijna boven hadden konden ze hem niet meer houden en viel deze vanaf driehoog door het trapgat loodrecht naar beneden om met een geweldige dreun bij ons op het trapportaaltje te belanden. Als een speer ging hij daarna door de houten vloer en het plafond van de benedenwoning heen om ten slotte in een slaapkamer, waar gelukkig niemand aanwezig was, te belanden. Ik zie in m’n herinnering nog de woedende bakker van beneden naar boven stormen.
Lees verder »
Reacties » | Verhalen
16 februari 2010 — 22:50
Volgens een goed Nederlands gezegde komt aan alles een end. Dat gold dus ook voor de winter van 1944-1945. Er kwam een einde aan de kou en de eerste tekenen van de lente kondigden zich aan. Maar wat niet verdween was de voedselschaarste. De honger bleef en ook leek het of er nooit een einde aan de oorlog zou komen.
Dat gold in ons land echter alleen voor de provincies Utrecht en Noord- en Zuid-Holland. De rest van het land was al kortere of langere tijd bevrijd. Het wachten was op de val van Berlijn en de overgave van de Duitsers.

Lees verder »
Reacties » | Verhalen
16 februari 2010 — 22:51
Is dit alles?
Bijna bij het einde van m’n verhaal over de oorlog gekomen kan ik de verleiding niet weerstaan om terug te bladeren in de voorgaande hoofdstukken. Foto’s met tekst, veel tekst maar toch dringt onweerstaanbaar de vraag zich bij me op of dit nou alles is wat ik me van die vijf jaar kan herinneren.
Is dit alles, zing ik zachtjes voor me heen. Is dit alles, wat er is?
Genoeg, jongen, spreek ik mezelf vermanend toe. Dit boek moet gewoon verder. De bevrijding komt eraan, het tempo moet omhoog. This is 2004, man, die mensen van nu hebben helemaal geen tijd voor jouw gemijmer. Als je vindt dat er nog meer te vertellen is doe dat dan. Je doet net de radio aan. Hoe zat het daar bijvoorbeeld mee in 1944? Of met de TV? Verschenen er nog kranten? Is de situatie van toen te vergelijken met die van nu? Met onze radio, televisie met nieuws en muziek, nog meer nieuws en nog meer muziek. Over vijf, zes, tien zenders. Waarbij je er bij de geringste gebeurtenis in de wereld bovenop zit?
Kortom, we gaan gewoon verder.
Lees verder »
Reacties » | Verhalen
21 februari 2010 — 22:35
In de maanden na hun intocht werden de Canadezen een vertrouwd gezicht in het stadsbeeld. Vlak bij ons huis, op het Scheldeplein, werd een groep ingekwartierd in de garage waarin tegenwoordig een bowlingcentrum is gevestigd. Die konden natuurlijk op belangstelling van de hele buurt rekenen. Iedereen probeerde wat te bietsen bij de soldaatjes. Eten, chocola, sigaretten. Heel gewild bij de jeugd waren militaire onderscheidingstekens. De belangstelling van de soldaten ging uiteraard vooral uit naar het vrouwelijk schoon.

Lees verder »
2 reacties » | Verhalen
23 februari 2010 — 07:03
Na afloop van de oorlog 40-45 ontstond er al snel behoefte om een onderscheiding toe te kennen aan burgers, die in het verzet tegen de Duitse bezetter op bijzondere wijze hun moed hadden getoond. Hoewel er al civiele onderscheidingen bestonden evenals militaire onderscheidingen achtte de regering de instelling van een bijzonder decoratiestelsel voor het verzet nodig. In een aantal andere landen dat in een soortgelijke situatie verkeerde, was men er inmiddels al toe overgegaan om voor verzetsdaden een bijzondere dapperheidonderscheiding uit te reiken.

Er werd daarom een Raad voor Onderscheiding en Eerbetoon opgericht die als opdracht kreeg om een voorstel voor een bijzondere civiele onderscheiding uit te werken, die naast de Militaire Willemsorde, de Bronzen Leeuw, het Bronzen Kruis, het Kruis van Verdienste en het Vliegerkruis zou bestaan. Dat gebeurde dus, in overleg met veel instanties waaronder de Grote Adviescommissie der Illegaliteit.
Het heeft daarna heel wat voeten in aarde gehad voordat tot de instelling van een Verzetskruis werd besloten. Vooral de keuze om deze onderscheiding zowel aan nog levende personen uit te reiken als aan mensen die gevallen waren in het verzet, was een breekpunt.
Hoe het ook zij, op 29 april 1946 deed de regering een daartoe strekkend voorstel aan koningin Wilhelmina toekomen en ondanks verzet van onder meer de top van de Landelijke Knokploegen (LKP) tekende zij dit besluit. Hierbij werd het Verzetskruis met de Militaire Willemsorde de hoogste dapperheidonderscheiding die Nederland kent.
Toen de regering op deze wijze dus had besloten tot de instelling van het verzetskruis, kwam het probleem van de voordrachten aan de orde. Volgens goed Nederlands gebruik moest daarover een brede commissie beslissen die in z’n voorstel daarover het volgende aan de regering rapporteerde:
“Bij de voordracht is getracht alle aspecten van het verzet te betrekken. Zo vindt men naast geestelijken, hoogleraren en medici, drukkers en uitgevers; ook een koerierster op de lijst, terwijl naast de verzorgingsgroepen en de grote verzetsorganisaties, ook de meer specifieke groepen als de persoonsbewijscentrale, kunstenaarsverzet, verzet onder politieke gevangenen, niet zijn vergeten. Ook de verschillende schakeringen van de illegale pers komen op de lijst voor”.
Ik ben in het bezit van een boekje waarin het bovenstaande uitgebreid staat beschreven. Bovendien is daarin een lijst opgenomen van alle personen waaraan deze onderscheiding werd toegekend met een korte beschrijving van hun levensloop.
In totaal werd het verzetskruis 94 maal uitgereikt waarvan 93 maal postuum.
Bij het schrijven van dit hoofdstuk heb ik het boek weer eens doorgebladerd. Ik moet bekennen dat de meeste namen me weinig meer zeiden maar bij mensen als Campert (vader van Remco), Bernard IJzerdraat, Wiardi Beckman, Johannes Post en nog wat anderen was daar meteen weer de flits van herkenning.
Van het communistisch verzet werden drie personen voorgedragen te weten L. Jansen, G.W. Kastein en J.J.(Hannie) Schaft.
De onderscheiding werd voor de laatste maal toegekend in 1955 aan Bernard IJzerdraat, de grote man van het Geuzenverzet.
De uitreiking van de eerste serie onderscheidingen vond plaats in het Paleis op de Dam op 9 mei 1946. Als directe nabestaande was m’n moeder daar uitgenodigd en samen met een vijftigtal anderen kreeg zij het kruis overhandigd door koningin Wilhelmina.
Ik heb een paar afdrukken van de correspondentie uit die dagen bijgevoegd.

2 reacties » | Verhalen
23 februari 2010 — 15:58
De erebegraafplaats Loenen
Na de oorlog heeft de Nederlandse overheid zich veel moeite getroost om al diegenen die als gevolg van het verzet het leven lieten, een waardige laatste rustplaats te bezorgen. Het ging daarbij zowel om mensen die overleden waren in een concentratiekamp als degenen die gefusilleerd waren als gevolg van een doodsvonnis.

Het terugvinden van de stoffelijke resten was in talloze gevallen moeilijk en in sommige gevallen, wanneer de betrokkene in één van de Duitse concentratiekampen was gecremeerd, onmogelijk.
In Nederland waren de lichamen van gefusilleerden soms gecremeerd in Westerveld. Maar het was ook voorgekomen dat de slachtoffers in massagraven werden begraven, zoals op de fusillade-plaatsen op de Waalsdorpervlakte in Scheveningen en bij het concentratiekamp Vught.
Wat m’n vader betreft wist m’n moeder dat hij in 1943 was gefusilleerd maar ze had nooit te horen gekregen wat er met zijn lichaam was gebeurd.
De Dienst Identificatie en Berging was de instantie die na afloop van de oorlog als taak kreeg al het mogelijke te doen om de stoffelijke resten van de gevallenen op te sporen, te identificeren, te bergen en te begraven. Daarbij werd in overleg met de nabestaanden een plaats voor de herbegrafenis vastgesteld.

De resten van Jan Dieters en mijn vader zijn toen teruggevonden in een massagraf op de Waalsdorpervlakte.
Mijn vader is eerst herbegraven in Wassenaar en later op de Erebegraafplaats van de Oorlogsgravenstichting in Loenen op de Veluwe. Een beetje terug naar de roots van z’n familie. Die was tenslotte in deze streek opgegroeid.
Hij ligt daar naast z’n makker in de strijd Jan Dieters. Op nummer 486 van vak A, onder een kleine witte steen, net als alle andere slachtoffers van de oorlog die daar hun laatste rustplaats gevonden hebben.
Het Louis Jansenplein
Slotermeer is één van de tuinsteden in Amsterdam West die in de jaren vijftig in de naoorlogse woningnood moesten voorzien. Een deel van de straten in die wijk werd bij het gereedkomen van de bouw genoemd naar verzetshelden uit de jaren 40-45, een gebeurtenis die zonder veel ophef heeft plaatsgevonden. Op deze manier ontstond het Louis Jansenplein.
Zo’n veertig of vijfenveertig jaar na de oorlog kwamen ‘het verzet’ en ‘de helden uit die tijd’ door publicaties in kranten en tijdschriften weer meer in de belangstelling te staan. Ik kan niet meer nagaan welke instantie of vereniging het initiatief heeft genomen maar in Amsterdam werd besloten om het eerbetoon uit de vijftiger jaren met enig ceremonieel te herbevestigen.
De familie van alle naamgevers werd daartoe voor een feestelijke bijeenkomst uitgenodigd in hotel Slotania. Na afloop van de bijeenkomst werd er gezamenlijk een rondje door de betreffende straten gemaakt waarbij nieuwe straatnaamborden werden onthuld die naast de naam een korte beschrijving van de betrokken personen vermelden.
En zoals de foto op de volgende bladzijde laat zien werd er ook een bloemetje gelegd.
Reacties » | Verhalen
24 februari 2010 — 16:02
In het boek ‘De eeuw van mijn vader’ van Geert Mak beschrijft deze ‘het schip met geld’ waarop zijn moeder na afloop van de oorlog 40-45 haar hoop stelde in tijden dat het de familie niet zo voor de wind ging. Ze doelde daarbij op het salaris dat zijn vader tegoed had van de Nederlandse staat over de jaren die hij in het voormalige Indië in krijgsgevangenschap had doorgebracht.
Deze achterstallige salarissen werden na hun repatriëring naar Nederland echter almaar niet uitbetaald, eerst uit ambtelijke traagheid, later omdat de Nederlandse regering bij de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesie alle baten, lasten, vorderingen en schulden van het voormalige KNIL had overgedragen aan de nieuw gevormde republiek.
Volgens de Haagse normen was dat allemaal prima in orde. Een hoge ambtenaar verklaarde dat uitbetaling ook niet nodig was omdat de door de Japanners geïnterneerden in die tijd niet voor hun eigen kost hadden hoeven te zorgen, geen huur hadden betaald, geen personeel hoefden te onderhouden enz. Ze hadden nota bene ook geen belasting betaald.
Na veel touwtrekken werd er zesendertig jaar later, in 1981, alsnog een genoegdoening uitbetaald van fl. 7500,-. Zijn vader lag toen al geruime tijd in het ziekenhuis maar het stelde z’n moeder in ieder geval in staat om de vele bezoeken aan het ziekenhuis te betalen.
Bij de teruggekeerde Joodse overlevenden uit Auschwitz en al die andere vernietigingskampen zien we een identieke situatie. Ook in hun geval was er nauwelijks sprake van een financiele tegemoetkoming en voor zover dat wel het geval was moest die wel zo snel mogelijk worden terugbetaald.
Er is verleden jaar een boekje verschenen over de wijze waarop Joodse Nederlanders na hun terugkomst uit de vernietigingskampen werden ontvangen en opgevangen. De haren rijzen je te berge bij het lezen over de botheid waarmee dat heeft plaatsgevonden. Het heeft daarna in hun geval zelfs tot 2000 geduurd voor er sprake was van terugbetaling van door banken en overheid geconfisqueerde tegoeden en eigendommen van Joodse Nederlanders, die de Endlösung niet hadden overleefd.
De nabestaanden van verzetsstrijders hebben niet zo lang hoeven wachten. Niet dat het geld meteen binnenstroomde maar in de papieren van mijn moeder kon ik nagaan dat met name het verzetspensioen in 1949, vier jaar na afloop van de oorlog, definitief geregeld was.
Hoe ze voor die tijd geld ontving en in de laatste twee oorlogsjaren kan ik niet nagaan.
Vier jaar moest er dus over een regeling gepraat worden. Als je ziet hoe die in bovenvermelde gevallen tot stand kwam zou het me nauwelijks verwonderd hebben als het als volgt was gegaan.
“Uw man was verzetsstrijder? En hij had daartoe op eigen initiatief besloten? Juist ja, en nog ondergedoken ook. Begrijp ik goed dat u over die drie jaar dus geen belasting heeft betaald?”
Gelukkig heeft de toekenning niet op deze wijze plaatsgevonden. Hoe ging het dan wel? Voor de nieuwgierigen heb ik de beschikking uit 1949 bijgevoegd. Als uitgangspunt bij de berekening van het pensioen werd het inkomen van de overledene bij het uitbreken van de oorlog genomen. Dat leverde voor m’n moeder na bijtelling van enige toeslagen een bedrag op van 4025 gulden. Per jaar wel te verstaan. Afgerond 335 gulden per maand. Je moet de hoogte van dat bedrag wel afmeten tegen het gemiddelde inkomen in die tijd. In m’n herinnering betekende het geen luxe maar ook geen bestaan op het randje van de armoedegrens. Je moet je tevens realiseren dat pas vijf jaar na de bevrijding het welvaartsniveau van voor de oorlog weer werd bereikt.
In de loop der tijd werd dat pensioen jaarlijks verhoogd en financieel kon ma later, toen wij allemaal op eigen benen stonden, er gelukkig prima van rondkomen.



Iets anders was de aanvraag die ze indiende vanwege geleden verzetsschade als gevolg van het onderduiken. Om dat vast te stellen had men wat meer tijd nodig maar in 1951 kwam uiteindelijk de beslissing van het Ministerie van Financiën af. Driehonderdeenenzeventig gulden bedroeg de vergoeding. Geen cijfers achter de komma, jammer maar dat 371 in plaats van een afgerond bedrag. Pfff, van een benauwende kleinheid.
Reacties » | Verhalen
24 februari 2010 — 16:02
Na ons bezoek aan Eerbeek en Deventer heb ik met Lia en m’n jongste zus in augustus 2000 een rondritje door noordelijk Nederland gemaakt en daarbij Appelscha en Apeldoorn bezocht. Door de polders, waar ooit de boot naar Lemmer dagelijks z’n baantje heen en weer trok, reden we via Almere, Leliestad en Emmeleroord naar Friesland.
De stilte en de weidsheid van het landschap onderweg was overweldigend. Wat een ruimte. De enige dissonant was het grote aantal windmolens waarmee groene elektriciteit wordt opgewekt. Nuttig en toekomstgericht maar dat moet toch anders kunnen. Natuurlijk moet je de wind gebruiken als energiebron maar ik maak me sterk dat zoiets minder horizonvervuilend en zonder die gigantische propellers op stalen masten kan.
Appelscha stond als eerste doel op ons programma. De plaats ligt aan de Opsterlandse Compagnonsvaart en ik kon me nog herinneren dat we een tijdje gewoond hebben in een boerderij aan het kanaal, een endje van de brug.

Toen we er arriveerden bleek al snel dat het niet eenvoudig zou zijn om die plaats terug te vinden. Niet alleen omdat er veel gebouwd is in dit voor vakantiegangers aantrekkelijke gebied. Er bleken inmiddels twee bruggen te zijn.
Maar goed, na een paar keer heen en weer rijden viel m’n keuze toch op één van de twee vanwege de schuin aflopende oever. M’n jongste broer is daar nog een keer dwars door de brandnetelbegroeiing naar beneden gerold.
Er stonden een paar boerderijen maar ze riepen geen enkele herinnering bij me wakker. En de riek waarmee ik mezelf ooit aan de grond had genageld was er uiteraard niet meer.
We hebben ook nog even naar de schoenenwinkel gezocht waar m’n jongste zus haar Robinson-sandalen had gekocht? Maar die was met het merk Robinson verdwenen.

Niets herinnerde ook meer aan het lokale stoomtrammetje dat aan de overkant had gereden. Zelfs de rails waren weg. En stond dat hoge silogebouw aan de overzijde er al tijdens ons korte verblijf in 1940? Ik wist het niet meer.
Het grappige was dat het, toen ik ‘s avonds in bed alles nog eens aan m’n oog voorbij liet trekken, plotseling terug kwam als element dat ik me herinnerde. Even waande ik me terug in 1940 en zat aan de kant van het kanaal te kijken naar m’n vader die met m’n broer aan het vissen was. In de verte floot de stoomtram en bij het silogebouw aan de overzijde reden wagens af en aan om hun lading te lossen.

Maar van dat beeld was dus niet veel overgebleven. En het weggetje dat naar het bos en het natuurbad liep was veranderd in een brede straatweg met links en rechts woonhuizen en bungalows.
We hebben bij het café op de hoek wat gegeten en geprobeerd om daar wat informatie over vroeger los te peuteren. Maar dat leverde niets op, kon ook niet want de eigenaar en z’n vrouw waren dertigers die de zaak pas een paar jaar geleden hadden overgenomen.
Verder naar Apeldoorn
Nadat we wat gegeten hadden reden we tijdens de rit van Appelscha naar Apeldoorn eerst langs één van de vele kanalen, die zowel Friesland als Drente doorsnijden. Misschien had m’n moeder daar een kleine 90 jaar geleden wel gelopen. Op het jaagpad, zwoegend met haar vader en haar broer in een tuigwerk om het vrachtschip van de familie voort te trekken; omdat er geen wind was op zo’n dag en omdat de boot geen motor had.
Die kanalen zijn gebleven maar worden al lang niet meer gebruikt om vracht te vervoeren. Nu varen er alleen nog maar tientallen plezierjachten.
Apeldoorn beloofde meer succes omdat het adres van onze tijdelijke verblijfplaats in die plaats bij m’n zuster in het geheugen gebeiteld zat. Badhuisweg 86, dat moest niet kunnen missen.
Met de plattegrond in de hand hadden we niet veel moeite om het te vinden. Alles klopte, ook de straten in de omgeving. Er was niet zoveel veranderd tot we voor nummer 86 stopten. Een huis in een rij van vrijstaande huizen. Sloeg de flits van herkenning toe? Nee dus en dat kon ook moeilijk omdat nummer 86 zichtbaar afweek van de rest. Wat wij zagen was een huis dat er veel nieuwer en daardoor moderner uitzag dan de andere. Naar schatting was het niet ouder dan tien jaar.
Uitgerekend het enige huis dat was vervangen door nieuwbouw.

Herinneringen ophalen
Een beetje teleurgesteld reden we wat later in de richting van Hoenderlo om daar wat bij te komen. Onderweg gaven we ons over aan het ophalen van herinneringen.
M’n zuster vertelde dat het aantal poezen van tante Mieke in Eerbeek minstens zeven was. Sommige mochten binnen eten, in de huiskamer bij de kachel. Dat moet een voorstelling op zich zijn geweest omdat er dan ook twee of drie muizen tevoorschijn kwamen die mee kwamen eten. Een voorstelling van Tom en Jerry die mij niet bij is gebleven.
In haar herinnering had ze m’n jongste broer en mij een paar keer bezocht tijdens ons verblijf in het kinderhuis in Eerbeek. Ik twijfel aan haar verhaal omdat het geen enkele herkenning bij me oproept. Maar misschien heeft ze een keer bij het hek staan te kijken of ze ons kon ontdekken hoewel het haar niet duidelijk was hoe ze aan het adres was gekomen.
Wat zij zich ook goed voor de geest kon halen was het wekelijkse bezoek in Eerbeek van een aantal dames en een heer. Laatstgenoemde trad op als voorganger in het kerkje dat dicht bij het huis van tante Mieke stond. Ze bleven meestal eten en wij werden dan geacht ons terug te trekken tot ze weer vertrokken waren.
Bijna onvermijdelijk gingen we tijdens deze tocht zo nu en dan op de bespiegelende toer.
Dat het eigenlijk merkwaardig was dat die oorlogstijd ons en onze leeftijdgenoten nog steeds zo bezig hield. Tenslotte was het maar een periode van vijf jaar en wat stelt dat in de tijd gemeten nou helemaal voor? In ons geval was de impact echter groot door de dood van m’n vader. En zo zijn er misschien nog wel een aantal andere argumenten op te noemen waarbij de onderduikperiode een extra dimensie aan het geheel verleent.
Hoe het ook zij, het opvallende is dat er pas sinds een jaar of vijftien – twintig zo intensief over die tijd gesproken wordt. Dat geeft de indruk dat die oorlogsperiode nooit goed is afgesloten en dat bepaalde zaken nooit besproken of uitgesproken zijn.
Maar misschien is het alleen maar nostalgie naar het verleden.
Ik weet het niet.
Reacties » | Verhalen