05 Jul 2018

18. Terug naar Amsterdam incl. onze buren van drie hoog

0 Reacties

Aan dit hoofdstuk is het verhaal over onze buren van drie hoog in de Scheldesraat als Naschrift toegevoegd.

Met de onverwachtse komst van m’n moeder kwam er een einde aan ons verblijf in het kinderhuis. We hebben daarna nog een aantal maanden in Eerbeek gewoond.
Er was natuurlijk wel wat veranderd in onze situatie. We waren niet langer ondergedoken, onze illegale status was veranderd in een legale, het was niet meer nodig om ons te verbergen en we konden gaan en staan waar we wilden, dat wil zeggen voor zover dat toegestaan was. Nederland was tenslotte bezet.
Dat was even wennen maar na een paar dagen ging ik al weer met de kinderen uit de buurt om alsof er niets gebeurd was. En ik moest ook weer naar school in het dorp.
Het was echter duidelijk dat ons verblijf in Eerbeek van tijdelijke aard zou zijn en m’n moeder ging daarom al na een paar weken naar Amsterdam om een huis te zoeken.


Scheldestraat omstreeks 1935

In September 1943 was het zover en namen we afscheid van tante Mieke. Met de trein gingen we terug naar Amsterdam. Een vijfkamerwoning met een grote hal en een badkamer in de Scheldestraat werd ons nieuwe adres. In de Rivierenbuurt, een gewilde buurt in die tijd waar door het wegvoeren van de Joodse bewoners veel etages te huur stonden.
Tot een aantal maanden voor onze komst had er een Joodse kleermaker gewoond, die met z’n gezin door de Duitsers naar Westerbork was gedeporteerd. Zoals gebruikelijk waren huisraad en andere eigendommen van de familie geconfisqueerd en was de woning leeggehaald.
Dat er een kleermaker had gewoond was goed te merken omdat we nog maanden na onze komst spelden ontdekten en tot de jaren na de oorlog post voor hem ontvingen. Brieven met reclameboodschappen voor kamgaren, naaimachines en andere kleermakersbenodigdheden.
In ieder geval moest het huis eerst geschikt gemaakt worden voor bewoning. Er moest vloerbedekking komen, bedden, meubelen, kortom al die dingen die nodig zijn om ergens te wonen. Daarom logeerden mijn broertje en ik eerst een week bij mijn oom Jan op de Hoofdweg in Amsterdam West. Pas toen de rest van de familie klaar was met de inrichting gingen wij ook naar ons nieuwe huis.
Nummer 101 in de Scheldestraat telde drie etages. Wij woonden op de eerste, helemaal boven was een verdieping met zolderkamers en beneden ons een winkel met een banketbakker, die z’n zaak de fraaie naam van Maison Verhaak had gegeven.
Ik heb me achteraf wel eens afgevraagd of we geen risico liepen op die plaats. In juli waren in Amsterdam-Noord de Fokkerfabrieken door de geallieerden gebombardeerd. Geen precisie bombardement, voor zover dat bestaat, en daarbij waren ruim honderd bewoners van de buurt waar de fabriek stond, om het leven gekomen.
In onze buurt werd ook aan opdrachten van de Duitse Krijgsmacht gewerkt. Een van de plaatsen was de garage op het Scheldeplein waar constant een of ander onderdeel op draaibanken werd gefabriceerd. Een tweede was het hallencomplex van de oude RAI aan de Ferdinand Bolstraat. Daar heb ik meermalen bij het passeren gezien dat er buiten vleugels en rompen van vliegtuigen stonden. Wat daar mee moest gebeuren weet ik niet. Het was in ieder geval iets wat in de hallen plaatsvond. Om te bombarderen leken ze me een aantrekkelijk aanvalsobject. Ik ben er achteraf niet spijtig om dat dat niet is gebeurd

scheldestraat 5-5-03
Nr. 101 boven restaurant Redjeki omstreeks 2003

De Scheldestraat was toen wij er kwamen wonen een winkelstraat die eindigde bij een plein waarvan de naam voor de hand ligt. Het Scheldeplein dus, een echt plein met een grasveldje in het midden. Gras was in die dagen nog een soort heilige koe. Het was bijna overal verboden gebied wat inhield dat je er niet op mocht lopen, zitten of liggen. Spelen en voetballen was helemaal uit de boze. Voor de zekerheid had de Gemeente er lage, ijzeren hekjes omheen geplaatst. Niet alleen bij ons pleintje maar ook bij alle andere plantsoenen en parken in de stad. Om de paar jaar kregen die een onderhoudsbeurt met groene verf. Hoe ze het gras maaiden weet ik niet meer. Best mogelijk dat het nog met een zeis werd gedaan.
Onze straat lag aan de rand van de stad. Er was in die tijd nauwelijks doorgaand verkeer, de Utrechtse brug bestond nog niet en de verkeersweg daar naartoe evenmin. Verkeer van Amsterdam-Oost naar West of visa versa liep via de Noorder-Amstellaan. Zoals bij de meeste straten in Amsterdam Zuid was de middenweg geplaveid met kinderhoofdjes. Grote keien die op de bekende kasseienstroken in Noord Frankrijk niet misstaan zouden hebben.
Vanuit ons huis keken we op het plein uit. Daarachter lag een stuk opgespoten land dat bestemd was voor toekomstige woningbouw. Uiteindelijk is daar echter in de vijftiger jaren het RAI-complex gebouwd. Nog weer verder lagen de ringdijk en de polder Buitenveldert.
Van de winkels is me weinig bijgebleven. Naast ons zat de groenteman, daarnaast Simon de Wit, de bakker zat om de hoek, de slager halverwege ons huis en de Amstellaan en er was een drogisterij met een postkantoortje waarvan de eigenares vanwege haar geprononceerde neus en kin als bijnaam ‘hamer en nijptang’ werd genoemd. Op de hoek met de Deurlostraat zat de apotheek. Op de hoek tegenover ons een café dat er ook nu nog steeds zit. De melkboer had een winkel om de hoek maar kwam nog ’s ochtends aan de deur om melk te brengen.
Huisdokters waren kennelijk ondervertegenwoordigd in de buurt. Wij moesten voor een bezoek naar dokter Cuperus die op de Ceintuurbaan woonde en praktijk hield.
In gedachten zie ik de vaste voorbijgangers in onze straat voor me. ’s Ochtends en ’s middags de kinderen uit het nabij gelegen weeshuis op weg naar school, op woensdagmiddag een groep katholieke schooljongens die met hun zwartgejaste fraters op weg waren naar de voetbalterreinen aan de Zuidelijke Wandelweg, die leuke tweeling waarvan het ene meisje zwart haar had en de andere blond, om half vijf altijd dat kleine kelnertje dat ging werken in het café op de hoek, die zonderlinge man die twee keer per dag een vos aan de lijn uitliet op het opgespoten land.
Zoals ik al schreef wonden wij op de eerste etage, boven ons mevrouw Venema met haar dochter en op drie hoog woonde de familie Karelsen. Eddie Karelsen was Joods, net als de vorige bewoner van onze etage, maar getrouwd met een niet-Joodse vrouw. Dat redde hem het leven omdat de Duitsers voor gemengde huwelijken een uitzonderingsregel hadden ingesteld. Mits er in het gezin kinderen waren mochten de mannen in Nederland blijven. Voorjaar 1944 werd hij toch op transport gesteld naar Westerbork waar hij op 12 januari 1944 arriveerde. Eddie is daar tot de bevrijding gebleven en behoorde tot de kleine groep Joodse inwoners van Amsterdam Zuid die de Endlösung overleefde.
Z’n eveneens gemengd gehuwde broer Dolf die tot 1940 als arrangeur en componist bij de AVRO werkte, was al in 1942 naar Westerbork getransporteerd en daar vandaan naar Auschwitz. Dolf is voorjaar 1944 in een van de vernietigingskanmpen in Polen overleden.

Na het overlijden van m’n moeder vond ik tussen haar papieren het huurcontract van ons huis dat werd opgemaakt op 31 augustus 1943. De huur van de woning was vijftig gulden vermeerderd met vijfenzeventig cent watergeld. Een flink bedrag voor die tijd.

Eddie en Rini Karelsen hadden drie kinderen, een meisje en twee jongens van zo ongeveer mijn leeftijd en we werden door deze mensen met warmte opgevangen. Dolf en Robbie werden onze vriendjes en speelden een belangrijke rol in de tien jaar na onze komst in de Scheldestraat.
Bij de familie Karelsen waren twee Joodse mannen ondergedoken. Omdat in het najaar van 1943 de laatste overgebleven Joodse mensen uit Zuid naar Westerbork werden gedeporteerd verhuisde er eentje, Elie Fränkel, naar een veiliger onderduikadres. Hij had geluk en overleefde de vijf oorlogsjaren. Na de bevrijding pakte hij de draad van z’n vooroorlogse bestaan weer op en maakte naam als leider en organisator van showballetten.
De tweede gast, een uit Duitsland gevluchte rechter, sliep op één van de zolderkamers. Hij heeft het einde van de oorlog helaas niet mogen meemaken en overleed in de winter van ’44-’45. Deze vriendelijke, gebroken Nederlands sprekende man, die we herr Biemar noemden, kon een beetje schaken en probeerde ons daarvan de eerste beginselen bij te brengen. Maar hij had altijd iets tragisch over zich wat niet zo verwonderlijk was. Na z’n vlucht uit Duitsland had hij het contact met de rest van z’n familie verloren. Zonder enig verder houvast had het leven hem nog maar weinig te bieden en zoals al gezegd overleed hij bij het begin van de hongerwinter.

Zo begon dus het leven in de stad. De overgang van het platteland was in het begin oneindig groot maar wende snel. Met uitzondering van mijn oudste zuster – zij begon aan haar eerste baan bij een atelier – gingen we allemaal weer naar school. M’n oudste broer naar de ETS, m’n jongste zuster naar de MULO en m’n jongste broer en ik naar de lagere school.
De Dongeschool, die gevestigd was in een groot scholencomplex vlak bij huis, was onze eerste keus omdat de kinderen Karelsen daar ook op zaten. Met m’n jongste zuster ging ik ‘sochtends naar deze school om me aan te melden. De ontvangst door het hoofd van de school was niet echt vriendelijk te noemen. Nadat m’n zuster had verteld dat we drie jaar op verschillende plaatsen in het land ondergedoken waren geweest gaf hij hoofdschuddend te kennen dat er geen plaats voor mij was. Ik vond dat maar raar omdat er door het vertrek van talrijke Joodse families in de buurt heel wat kinderen van school waren verdwenen. We moesten ons maar aanmelden bij de andere school op het scholencomplex. Daar was de ontvangst een stuk vriendelijker en ik kon gelijk beginnen in de vierde klas bij meneer Bloksma. De Meerhuizenschool zoals mijn nieuwe school heette was Lekker dicht bij huis maar daar kwam al na een half jaar verandering in. Een door de Duitse Wehrmacht gevorderd schoolgebouw op het Meerhuizenplein waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen, werd weer door de Duitsers ontruimd. Die hadden het ruim drie jaar gebruikt als onderkomen voor een groep soldaten.
Een van de scholen in de Dintelstraat, tegenover de Grafische School, werd tot het einde van de oorlog ook als kazerne door Duitse soldaten gebruikt. Als je er met kerstmis langs kwam hoorde je er altijd kerstmuziek en er werd door de soldaten gezongen. Oh Tannenbaum stond als nummer 1 op hun lijstje van favoriete nummers.
Periodiek kreeg de commandant van deze groep het op z’n heupen en moesten de manschappen marcheren of oefenen op het opgespoten land waarbij met losse flodders werd geschoten. Na afloop van zo’n oefening zochten wij altijd het terrein af op zoek naar patroonhulsen die ze hadden vergeten mee te nemen.
De verhuizing van mijn school betekende dat ik in plaats van vijf minuten een klein half uur nodig had om naar school te lopen. Ik zou de route vanaf de Scheldestraat ook vandaag nog blindelings kunnen afleggen. Beginnend bij de Geulstraat, langs de Dongeschool, de Grafische School en de MTS tot de Maasstraat. Daar even een tweestrijd hoe ik verder zal gaan. Linksaf langs de sportzaak van Ko Klotz of rechtdoor? Zat Klotz daar al in 1943? Nee, die kwam pas in 1948 en ik loop dus rechtdoor de Jekerstraat in tot het poortje naar de Noorder Amstellaan. Onderweg hier en daar gekalkte opschriften op de muren. Geen graffiti maar teksten als  ‘V is Victorie want Duitsland wint op alle fronten’ en ‘Mussert of Moskou’. Die kwamen dus duidelijk uit de NSB-hoek. Met op lantaarnpalen en muren geplakte illegale krantjes probeerde het verzet om de twijfelaars onder de bevolking over te halen om de goede kant te kiezen.
Ik ben bijna halverwege en een paar honderd meter verder steek ik de Waalstraat over. Aan de andere kant van de weg, in het middenplantsoen, staat de vrouwenfiguur op het Wilhelmina Drucker monument al op me te wachten. Met gespreide armen alsof ze me wil opvangen maar ik moet verder. Meneer Bloksma houdt niet van laatkomers en ik neem het stuk met die lage trappetjes langs de huizen in looppas. Met een sprong de drie treden op, een tussenstap en daarna in een stap er weer af, verder naar het volgende portiek. Acht negen keer achter elkaar. Ik heb het gevoel alsof ik vlieg en zweef bij de wolkenkrabber over de tramrails naar de overkant. Onder de galerij door, langs de kantoorboekhandel met die begeerlijke tekenspullen in de etalage. Ik wil eigenlijk even blijven staan om te kijken maar geen tijd, ik moet de Rijnstraat nog oversteken. De Amstellaan ligt voor me. Honderd meter verder ga ik linksaf de Vechtstraat in, daarna rechtsaf bij de Meerhuizenstraat en daar is het Meerhuizenplein al. Iedereen is al naar binnen maar de deur van m’n school staat nog open. Nederlandse taal staat vandaag op het programma. Het verschil tussen de beperkende en de uitbreidende bijzin. Pff, ik moet morgen toch wat vroeger van huis gaan.

Zo ging dat dus twee keer per dag. In het begin heb ik ’s ochtends een of twee keer groepjes Joodse mensen zien lopen, op weg naar een tramhalte bij de Rijnstraat vanwaar ze naar de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middellaan gebracht werden. Voorportaal van Westerbork en uiteindelijk Auschwitz.

Het proces tegen Jan Dieters en m’n vader
M’n vader was eind augustus overgebracht naar de gevangenis in Scheveningen die als bijnaam het Oranjehotel genoemd werd. Op 24 augustus 1943 vond het proces tegen hem en Jan Dieters plaats in een bijzondere zitting van een Duitse rechtbank. Daarbij waren zowel de rechters als de advocaten Duitsers. Beiden werden ze veroordeeld tot de doodstraf. Die handelwijze van de bezetter om enerzijds mensen uit het verzet door een rechtbank te laten veroordelen en aan de andere kant mensen zonder enige vorm van proces naar een concentratiekamp te voeren heb ik nooit goed kunnen begrijpen.
De Telegraaf van die dagen sprak na de uitspraak van de rechtbank in een artikel op de voorpagina z’n voldoening uit over het vonnis. Maar dat was nauwelijks verwonderlijk van een blad dat de bevolking van ons land al op 11 mei 1941 opriep om de bezetting door de Duitsers op een waardige wijze te accepteren. Wat de Duitsers betreft zal het standpunt van m’n vader dat hij in 1935 in de gemeenteraad van Amsterdam verwoordde, geen goed aan zijn zaak gedaan hebben. Hij protesteerde toen tegen een voorval in de stad waarbij de gemeentepolitie werd ingezet om tegenstanders van NSB-propagandisten te arresteren. Zijn woorden dat Nederland waarachtig niet zat te wachten op de invoering van concentratiekampen, dwangarbeid en het pogrom dat in Duitland tegen de Joodse bevolking plaatsvond werden echter weggelachen door de rest van de gemeenteraad. De algemene mening was dat het zo’n vaart niet zou lopen.
Verwonderlijk was dat achteraf gezien niet. Duitsland was een bevriende natie en voorkomen moest worden dat die door woord of daad geprikkeld werd. Met betrekking tot de vele Joodse vluchtelingen uit Duitsland was het beleid dat die alleen toegelaten werden als er sprake was van levensgevaar. Bovendien mochten ze de staat geen geld kosten. Voor de opvang werd in 1939 op kosten van de Joodse Gemeenschap een opvangkamp gereed gemaakt in Westerbork. Zo ver mogelijk verwijderd van de bewoonde wereld zodat de vluchtelingen acht kilometer te voet moesten afleggen om het te bereiken. Door de Duitse bezetters werd dat kamp later uitgebreid tot het Durchgangslager van die naam. De Nederlandse Spoorwegen werkten mee door de aanleg van een spoorweg die tot de ingang liep.
Het zijn niet de fraaiste bladzijden uit onze geschiedenis.

Dat m’n vader en Jan Dieters voorafgaand aan het proces onder druk zijn gezet om een bekentenis af te leggen, lijkt me aannemelijk. De verklaringen die ze tijdens het proces aflegden zijn zodanig dat ik me nauwelijks kan voorstellen dat ze vrijwillig zijn afgelegd. Misschien is het zo gespeeld op advies van hun advocaat om op deze wijze de doodstraf te ontlopen. In ieder geval verscheen in 1943 in alle kranten de volgende verklaring.

Twee communisten ter dood gebracht
Maandag 18 okt. 1943 – De door het Duitse Obergericht op 24 augustus uitgesproken doodvonnissen tegen de communisten Louis Jansen Jan Dieters zijn thans, na onderzoek van de kwestie van de gratieverlening, ten uitvoer gebracht. Jansen en Dieters waren vooraanstaande communisten, die in 1938 werden benoemd op het partijsecretariaat.
Toen in 1940 de CPN enkele maanden na de bezetting werd verboden, zijn de veroordeelden doorgegaan met een illegale communistische organisatie, die de aanwijzingen rechtstreeks uit Moskou bleef ontvangen, zo hebben beiden bekend. Hun organisatie riep op tot staking, “een ophitsing, die in de dagen van 25 en 26 februari ook enig succes had.”
Nadat Duitsland de oorlog verklaarde aan Rusland, hebben de twee op aanwijzing van Moskou zogeheten moordcentrales opgericht, die minstens zestig aanslagen hebben uitgevoerd. Naarmate de oorlog vorderde kregen Jansen en Dieters aanwijzingen van Moskou, dat Nederland rijp gemaakt moest worden voor een bolsjewistisch bewind en dat personen die hier niet in pasten verwijderd dienden te worden. De twee communisten waren gewetenloos genoeg om zich de houding van bepaalde Nederlanders, die meenden dat zij hun sabotage uit vaderlandsliefde pleegden, te laten welgevallen.
Het proces kreeg tenslotte een dramatische wending, toen Jansen en Dieters verklaarden het communisme ondertussen afgezworen te hebben. Zij hadden afschuw van hun eigen leven gekregen en duidelijk ingezien, dat er langs hun weg in geen geval een betere toekomst voor het Nederlandse volk en in het bijzonder de Nederlandse arbeiders zou ontstaan. Toen ook waren zij er zeker van, dat de eenmaal ingeslagen misdadige weg onherroepelijk henzelf in het verderf moest storten.
Tot zover het officiele verslag van de rechtszitting.

Drie brieven, die hij tijdens zijn gevangenschap heeft geschreven, zijn in mijn bezit. Ik heb in dit verhaal een paar delen daaruit opgenomen.
Wat me opviel was dat er twee met inkt zijn geschreven op officieel gevangenispapier. De afscheidsbrief, gedateerd op de dag van zijn dood, is op gewoon papier geschreven. In potlood.
Bovenstaand detail komt uit de brief die hij schreef na de uitspraak van de Duitse rechtbank.
Aan het slot van deze brief komt hij nog een keer terug op de mogelijkheid om gratie aan te vragen door ondermeer familieleden en noemt daarbij de naam van Jo Grote. Het bijzondere daaraan is dat deze man, z’n zwager en getrouwd met één van z’n zusters, een min of meer vooraanstaande rol in de NSB speelde. M’n oom Gerrit heeft daarop met loden schoenen de tocht naar Jo Grote gemaakt om te vragen of die niet iets kon doen om de strafmaat te wijzigen. Deze reageerde daar echter afwijzend op met als motivering geen invloed in dit soort zaken te kunnen uitoefenen omdat hij maar een klein schakeltje in het geheel was.
De gratieverzoeken werden uiteindelijk op 6 oktober 1943 door Seyss Inquart afgewezen.
Op 9 oktober werd ’s morgens vroeg aan beiden meegedeeld dat hun verzoeken om gratie waren afgewezen. Als laatste wens mochten ze een afscheidsbrief schrijven en een sigaret roken. Het vonnis werd om half acht door een Duits vuurpeloton op de Waalsdorpervlakte voltrokken.
Geruime tijd na afloop van de oorlog verhuisden ze van hun laatste rustplaats op een kleine begraafplaats in Wassenaar naar de erebegraafplaats in het Gelderse Loenen. Naast elkaar liggen ze daar onder een eenvoudige witte steen.
M’n vader met de vermelding ‘Drager van het verzetskruis’. Hiervan zijn er na afloop van de oorlog een beperkt aantal door koningin Wilhelmina uitgereikt aan de nabestaanden van vooraanstaande mensen in het verzet.
Over de wijze waarop dat kruis tot stand is gekomen vertel ik wat meer in een volgend hoofdstuk.

Met de executie van m’n vader kwam voor m’n gevoel het echte einde van onze onderduikperiode. Tijdens het schrijven van deze hoofdstukken heb ik me een paar keer afgevraagd of ik de gebeurtenissen in die drie jaar niet te nuchter heb weergegeven. Of ik er wel in geslaagd ben om duidelijk te maken dat het een periode betrof met verschrikkelijke gebeurtenissen tijdens een vreselijke oorlog. Ik heb er geen echt antwoord op. Je moet natuurlijk in ogenschouw nemen dat er sindsdien bijna zeventig jaren verlopen zijn.
Het verwerkingsproces na zijn dood is in ieder geval in stappen gegaan. Buiten de directe familiekring ben ik over onze oorlogsgeschiedenis nooit echt mededeelzaam geweest. Oorzaak daarvan was dat de rode ideologie al vrij snel na de bevrijding onder vuur kwam te liggen met in de daar op volgende jaren de ontwikkelingen in Rusland, Hongarije en OostDuitsland.
Als gevolg daarvan telde de familie maar een betrekkelijk korte periode één praktiserend aanhanger van de club van Jozef S.  De houding van de naoorlogse leiding van de CPN, die de gebeurtenissen in 1943 en de vlucht daarbij van Paul de Groot in de doofpot had gestopt, zal daarbij wel een rol hebben gespeeld. Alleen m’n oudste broer is na de oorlog lid geweest van de CPN. Voor zover ik me details uit die tijd kan herinneren een periode van ongeveer vijftien jaar. Daarnaast was hij ook een aantal jaren actief in deze partij. Hoe lang dat heeft geduurd kan ik niet meer nagaan – hij is overleden – maar het zal tussen de vijf en tien jaar zijn geweest. Hij probeerde om daarmee aan de wens van zijn vader te voldoen. De partij had echter om een aantal redenen geen behoefte aan hem. Hij wist misschien te veel van bepaalde gebeurtenissen die tijdens de oorlog waren voorgevallen.
‘Toen ik merkte dat ik werd tegengewerkt ben ik er dan ook mee gestopt,’ heeft hij me in de laatste fase van z’n leven verteld. Daarnaast speelde misschien een rol dat Dieters en Jansen al snel na de oorlog niet meer werden genoemd als gevolg van de verklaringen die ze in ’43 voor en tijdens hun proces hadden afgelegd. Ze waren door de partij als het ware geschrapt van de lijst met personen die als voorbeelden van het verzet werden genoemd.
*Over mijn oudste broer moet opgemerkt worden dat zijn weduwe bezwaar maakte tegen de vermelding van zijn activiteiten bij de CPN in de websiteversie van dit verhaal. Zijn kinderen zouden daar mogelijk problemen door kunnen ondervinden. Bovendien zou het niet waar zijn. Haar was over een lidmaatschap van de CPN niets bekend noch zou over dat onderwerp in hun gezin ooit gesproken zijn.

Wat mezelf betreft kan ik me nog goed de eerste maanden na de bevrijding herinneren waarbij de jongens van Karelsen aan jan en alleman het verhaal over onze verzetsdaden kwijt wilden met de rol die mijn vader daarbij had gespeeld. Ze scoorden er niet echt mee. Het Nieuwe Zuid van die tijd telde maar weinig aanhangers van de rode religie en zo kreeg ik zelfs een keer de verwensing mee dat ze ons allemaal hadden moeten ombrengen. En dat terwijl ik er juist behoefte aan had om gewoon een normaal leven te leiden. Pas de laatste tien vijftien jaar wil ik aan bekenden en vrienden nog wel eens iets vertellen over die gebeurtenissen.

Bij het schrijven van dit verhaal heb ik uiteindelijk een beetje houvast gevonden in de afscheidsbrief van m’n vader. Die is in potlood geschreven op dun papier, alsof dat op het laatste moment nog in haast moet gebeuren.
Hij schrijft daarin dat wij tijdens de bezettingsjaren nog een gelukkige tijd hebben doorgemaakt dank zij de hulp van vrienden, waarbij hij vooral aan tante dacht. Ik heb het betreffende deel van de brief hieronder afgedrukt. Met tante bedoelde hij uiteraard tante Mieke.
Zo nuchter als ik die periode probeer te bekijken krijgt de ontroering me toch elke keer weer te pakken als ik die brief lees.
Bijzonderheden over het proces in 1943 en de reden waarom m’n vader en Jan Dieters na 1945 uit de publiciteit verdwenen staan beschreven in de website ‘de wereld van gajus’.
Zie www.dewereldvangajus.nl  hoofdstuk ‘Verhalen’  artikel ‘De Zaak Vosveld’.
Ik denk wel eens dat wij, de mensheid in z’n algemeenheid, maar weinig opsteken van zulke perioden in de geschiedenis. Een korte blik op de dagelijkse krantenpagina’s met ellende laat alleen maar herhaling zien van gebeurtenissen, waarvan ik er dan toevallig ook een paar heb meegemaakt.
Wat dat betreft was m’n vader een stuk optimistischer dan ik.

Meer over de familie Karelsen
Zo’n enkele keer komen de gebeurtenissen uit het verleden weer heel dichtbij. Zo ontving ik begin 2010 van een van mijn kennissen een document dat hij bij toeval was tegengekomen in het Archief van de gemeente Amsterdam. Het was een rapport van de politie opgemaakt eind 1942.
Uit dat rapport blijkt dat de familie Karelsen uit de Scheldestraat 101 (ook ons huisadres) hulp heeft verleend aan Joseph Cohen, van beroep concert-pianist. De betreffende man was op 2 december 1942 aangehouden in de Tolstraat omdat hij geen jodenster droeg en bovendien in het bezit was van een vervalst persoonsbewijs op naam van Carel Jenssen uit Rotterdam. Cohen die tot midden ’42 in Groningen had gewoond was gevlucht uit het werkkamp in Staphorst waar hij te werk was gesteld.  Hij was daarna opgenomen in het gezin van de familie Karelsen, kennissen van zijn ouders, tegen betaling van pensionkosten  van Fl. 17,50.
Cohen is overgedragen aan de chef van het bureau Joodsche Zaken. Hij zal daarna waarschijnlijk naar Westerbork zijn gestuurd en vervolgens naar een van de Vernichtungslager.
Het lot van een van de joodse Nederlanders in een notendop.
 
 
NASCHRIFT bij hoofdstuk 17 d.d. 1-7-2019

Onze buren van driehoog in de Scheldestraat
Van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork ontving ik in 2014 een mailtje met het verzoek om mee te werken aan een project dat de naam Bevrijdingsportretten zou dragen.
De bedoeling was dat met behulp van korte omschrijvingen/beelden/herinneringen een gezicht werd gegeven aan de kleine groep overlevenden die op 12 april 1945 door de Canadese bevrijders in het kamp werd aangetroffen. Eén van hen heette Elie Karelsen en tijdens hun vooronderzoek hadden de initiatiefnemers van het project ontdekt dat hij tijdens de oorlog onze bovenbuurman was. Ze waren zijn naam tegen gekomen in mijn website ‘De wereld van Gajus’.
Aan hun verzoek om mee te werken aan het bevrijdingsportret gaf ik natuurlijk gehoor. Het werd een zoektocht in het verleden die het volgende verhaal opleverde.


 Elie Karelsen dus. Wie was hij, hoe zag hij eruit, wat was zijn beroep, was hij getrouwd?
Om met dat laatste te beginnen, ja, hij was getrouwd. Het was een gemengd huwelijk, Mischehe werd dat door de Duitsers genoemd. Daarbij was Elie joods, zijn echtgenote Rinie niet. Elie liet zich Eddy noemen en ik gebruik die naam in de rest van het verhaal.
De familie Karelsen woonde in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Op de derde etage van een woning in de Scheldestraat, huisnummer 101. De Scheldestraat was een winkelstraat aan de rand van de stad met in die tijd ‘kinderhoofdjes’ als bestrating. Je keek vanaf hun huisnummer uit op het Scheldeplein. Daarachter lag een stuk opgespoten land. Nog verder weg liepen de Zuidelijke Wandelweg en de Ringdijk. Dat uitzicht is in de jaren na 1958 verdwenen. Door de bouw van het RAI-complex, de aanleg van de Nieuwe Utrechtseweg en de stadsuitbreiding Buitenveldert.
Het gezin Karelsen bestond uit vijf personen. Eddy, zijn vrouw en drie kinderen. Een meisje, Lony, en twee jongens, Dolf en Robbie, die ongeveer even oud waren als m’n jongste broer en ikzelf. Lony was een paar jaar ouder dan de jongens. En er was een hondje dat de naam Poko droeg.
Wij waren na een onderduikperiode van drie jaar in augustus 1943 naar Amsterdam teruggegaan. De eerste etage van de Scheldestraat 101 werd ons nieuwe adres. Het huisnummer waar ook de familie Karelsen woonde.
Bij het kennismaken werden we met open armen door ze ontvangen. M’n jongste broer en ik werden daarna in snel tempo wegwijs gemaakt door de twee jongens in de familie, onze vrienden voor de erop volgende jaren.
Hun vader, Eddy dus, was toen 37 jaar. In m’n herinnering een man met een flink postuur en al aardig kalend. Als enige van de familie moest hij een Jodenster op zijn kleding dragen.
Wat hij precies voor werk deed weet ik niet. Ik denk dat hij van alles aanpakte voor zover dat door de bezetter was toegestaan. Ik kan me nog wel herinneren dat hij met een bakfiets in de weer was om dingen weg te brengen naar adressen in de buurt of verder weg. Hij huurde die bij een fietsenstalling in de buurt. Met zijn zonen hebben we die wel eens teruggebracht naar de stalling. Die lag een paar straten verder, vlak bij de ijssalon die in het Achterhuis van Anne Frank wordt genoemd. Oase, al vanaf 1936.
Lang heb ik Eddy tijdens de oorlogsperiode niet meegemaakt. Volgens de gegevens van het Stadsarchief vertrok hij op 30 april 1944 naar kamp Westerbork. Ik denk niet dat ik die naam tijdens de oorlog kende. Ook niet of ik wist dat het als doorgangskamp functioneerde voor Joodse Nederlanders die vanaf die plaats naar de kampen in Duitsland, Polen en Tsjechië werden getransporteerd.
Uit de gegevens op zijn kampkaart, waarvan het herinneringscentrum me een kopie stuurde, blijkt dat Eddy daar op 12 januari 1944 arriveerde. Daarop was als beroep Expediteur en Musiker vermeld.

Terug naar z’n beroep. Robbie en Dolf, vertelden na onze komst in de Scheldestraat dat hun vader voor de oorlog musicus was geweest en in een dansorkest had gespeeld waarvan hun oom Dolf de dirigent was. Ik neem aan dat ze net als alle andere Joden in Nederland in de loop van 1940 door hun werkgever werden ontslagen.
Zijn broer Dolf, ik weet niet of hij ook gemengd getrouwd was, was ook naar Westerbork gebracht. Begin van de oorlog was hij tijdens een bezoek aan een bloemenwinkel in Hilversum door twee mannen aangehouden die aanmerkingen hadden op het ontbreken van de Jodenster op zijn kleding. Met de opdracht om zich de volgende dag op het politiebureau te melden in de door de bezetter voorgeschreven kleding met ster mocht hij naar huis. Van dat bezoek is hij nooit meer teruggekomen. Na een verblijf van een nacht op het politiebureau werd hij naar het huis van bewaring aan de Havenstraat in Amsterdam gebracht. Daarvandaan naar kamp Amersfoort en op 7 november 1942 naar kamp Westerbork.

Op 10 november werd hij op transport gesteld naar Auschwitz. Waarschijnlijk als gevolg van de dwangarbeid die hij moest verrichten overleed hij op 31 maart 1944 in één van de kampen in Centraal-Europa.
 
De familie Karelsen had oorspronkelijk op de Hemonylaan in Amsterdam gewoond en was op 14-7-1939 naar de Scheldestraat verhuisd. Eddies broer Dolf woonde in ieder geval in Hilversum. Ik herinner me vaag dat Dolf en Robbie wel eens over hun vroegere huis in Hilversum spraken.

Het verhaal is verder niet compleet zonder de twee Joodse mannen die bij de familie Karelsen inwoonden. Of ze daar officieel woonden of als onderduiker weet ik niet. Van een herinner ik me dat hij Elie Fränkel heette of Frenkel. Die vertrok al kort na onze komst naar een ander adres en overleefde de oorlog. In mijn geheugen komt hij in de naoorlogse periode voor als succesvol leider van showballetten in het amusementsgebeuren. Ik heb zijn naam wel eens gegoogeld maar niets gevonden tot ik bij toeval op een affiche stuitte voor een ijs show in de Apollohal begin 1948. Onder leiding van E. Frankly. Een zoektocht onder die naam in het nationale krantenarchief leverde de volgende gegevens op. Elie Frankly was al voor de oorlog actief als balletmeester in het Floratheater en ging daar nadat hij de oorlogsperiode op diverse onderduikadressen had overleefd mee door met Bob Peters in revues, shows en de eerste Nederlandse ijsrevue. Hij overleed in1964.
De tweede logé bij de familie Karelsen noemden we herr Biemar en zou volgens mijn oudste broer een Joodse rechter zijn geweest die uit Duitsland was gevlucht. Een vriendelijke man die ons in gebroken Nederlands schaken probeerde te leren. Hij overleed vrij plotseling, in mijn herinnering midden 1944.

Recent vond ik via internet dat hij inderdaad uit Duitsland kwam. Leopold Samuel Israël van Bierma was op 2 oktoberr 1880 geboren in Hannover. Hij was getrouwd met Hedwig Bracht die we in de Scheldestraat nooit hebben gezien. Leopold was rechter gewest in Hildesheim. Ongetwijfeld was hij na de machtsovername in 1933 als rechter ontslagen en naar Nederland gevlucht. Vanuit Hilversum was hij op 22 juli 1942 in de Scheldestraat gearriveerd.
Leopold van Bierma, der Richter gewesen was, verhungerte auf der Flucht ins Holländischen Exil, vermeldt een tekst in een Joods herdenkingwerk.
Voor zover ik weet overleed hij op 8 februari 1945 in de Scheldestraat.
Er heeft bij de familie Karelsen nog een derde logé ingewoond. Dat was de 25 jaar oude, uit Groningen afkomstige, Joseph Cohen, die voor pianist studeerde. Joseph had tot midden 1942 in Groningen gewoond maar was daarna opgeroepen voor een werkkamp in Staphorst. Joseph was uit het kamp gevlucht en naar Amsterdam gegaan waar kennissen van zijn ouders woonden. De familie Karelsen. Daar vond hij onderdak tegen betaling van fl. 17,50 pensionkosten.
Tijdens een wandeling in de buurt werd hij op 2 december 1942 aangehouden door de beruchte Jodenjager-politieagent Stenvert omdat hij geen jodenster op zijn kleding droeg. Zijn persoonsbewijs was vervalst en stond op naam van Carel Jensen uit Rotterdam. Cohen werd overgedragen aan de chef van het bureau Joodse Zaken. Vermoedelijk is hij daarna naar Westerbork overgebracht en vervolgens naar één van de Vernichtungslager in Polen.

Eddy Karelsen

 Eddy Karelsen keerde na de oorlog weer terug naar de Scheldestraat. Of hij daarna weer volledig voor het beroep van musicus heeft gekozen weet ik niet. Ik kan me nog wel herinneren dat m’n jongste broer en ik een keer met de jongens Karelsen naar Hecks Victoria Lunchroom op de Nieuwendijk zijn geweest waar Eddy in een orkest speelde. Uitgenodigd door hun vader zaten we daar prinsheerlijk op een zondagmiddag en werden verwend met drinken en gebak. Dat moet ergens in 1947 of 1948 zijn geweest. Net als de grote Heck op het Rembrandtplein was deze zaak in die tijd mateloos populair omdat er livemuziek werd gespeeld.
Eddy en Rini gingen een paar jaar na zijn terugkomst uit Westerbork uit elkaar. Hij verhuisde op 9-1-1948 naar de Tolstraat. Hij overleed in 1955.
Mevrouw Rini Karelsen bleef in de Scheldestraat wonen. Of ze een nieuwe partner vond weet ik niet. Wel beviel ze op 11-4-1949 van een baby, een meisje dat de naam Katharina kreeg. Haar roepnaam, Rinie, net zoals die van haar moeder, veranderde zij later in Anita.
Moeder Rinie overleed in 2000.

 Herinneringen, herinneringen. Wat kan nog meer bijdragen aan het geschetste beeld? Zoals alle jongens van hun leeftijd mochten de jongens Karelsen graag opscheppen over hun vader. Hoe ze voor de oorlog in Hilversum hadden gewoond, hoe hun vader een groot voetballer was geweest en in Ajax had gespeeld. Dat laatste heb ik niet kunnen terugvinden in de jubileumboeken van Ajax.
Toen z’n zonen en wij op een gegeven ogenblik na de oorlog lid werden van TIW, in die tijd een Amsterdamse derde klasser, heeft Eddy daar ook nog een paar seizoenen gevoetbald. Hij speelde in het zaterdag team en wat m’n broer en ik ons er van herinneren was hij een verdienstelijk voorhoedespeler met een goed schot. M’n broer vertelde me dat hij ook nog een tijdje elftalbegeleider was geweest van een aspirantenteam.

Nog niet tevreden met deze summiere herinneringen ben ik het internet ingedoken om meer over Eddy te vinden en kwam toen op een gegeven moment de familiestamboom tegen.
Eddy (Elie) was een zoon van Jacques Adolph Karelsen die in 1880 in Brussel was geboren. Deze was in 1904 getrouwd met Essie Blocq, geboren in 1875 in het Nederlandse Blokzijl. Er was al eerder – in 1905 – een zoon uit het huwelijk geboren die de namen Adolph Jacques (Dolf) had mee gekregen. Eddy was hem een jaar later op 12 juni 1906 gevolgd. Het huwelijk had overigens geen standgehouden. Op 2 maart 1916 gingen de beide echtelieden uit elkaar. Van vader Jacques Adolph Karelsen weten we dat hij diamantzetter was. Later werd hij caféhouder in Brugge.
Eddy trouwde op 24 september 1931 met de in 1909 geboren Katharina de Bruin. Zijn broer Dolf op 3 september 1933 met Johanna Maria Meijer.
Van wie ze hun aanleg hadden geërfd weet ik niet maar ze stortten zich beiden op de muziek. Adolph Jacques die zich Dolf liet noemen koos daarbij piano als instrument, Eddy klarinet, saxofoon en viool. Ik vond de nodige aanwijzingen dat Dolf op een gegeven moment in vaste dienst was getreden bij de AVRO. Hij speelde daar in een dansorkest maar maakte vooral naam als arrangeur en componist. De naam van Eddy kwam ik ook tegen in drie orkesten, die de populaire muziek van die tijd speelden. Een daarvan was het orkest van Kovacs Lajos (Louis Schmidt) waarin hij genoemd wordt met zowel saxofoon als klarinet en viool bij zijn naam. Op internet kwam ik een foto tegen van dat orkest. Jammer genoeg te onduidelijk om de leden van het orkest goed te kunnen onderscheiden.
Ook in kranten uit de jaren 1925 tot 1940 kwam ik de namen van de broers tegen.
Oud zijn ze beiden niet geworden. Dolf overleed zoals eerder vermeld in een kamp in Midden-Europa. Eddie overleed op 11 augustus 1955 aan de gevolgen van een hartaanval.

Het contact met Robbie en Dolf verwaterde gaandeweg. Een paar jaar geleden kwam ik via internet in contact met Sylvia Glasius Paardje, een dochter van Lony Karelsen en Ruben Paardje. Later kwam ik op dezelfde wijze in contact met Anita Alink Karelsen. Zij vertelden me dat de beide broers betrekkelijk jong waren overleden. Rob in 1993. Lony was overleden in 2015.
Van hun ontving ik een aantal foto’s van de familie waaronder een van Eddie Karelsen. Het gaf me de mogelijkheid om het verhaal voor Westerbork af te maken en met hun toestemming heb ik een kopie van Eddie naar Westerbork gestuurd.  

 


[begin]