Inleiding

Inleiding

In Voordat ik het Vergeet vertel ik de geschiedenis van mijn familie tijdens de tweede wereldoorlog. Over het leven in de jaren die eraan voorafgingen, het onverwachte begin van de oorlog, de drie jaren dat we ondergedoken waren, de afloop en de bevrijding.
Op initiatief van mijn jongste zoon is mijn verhaal in 2014 in boekvorm verschenen.
In de jaren daarna ontving ik van meerdere kanten gegevens die mijn verhaal aanvulden. Om ze niet verloren te laten gaan heb ik het gedrukte boek in een webversie van Voordat ik het Vergeet met bovengenoemde aanvullingen bijgewerkt. Ze zijn als Naschrift aan betreffende hoofdstukken toegevoegd.
Tevens heb ik een aantal onderwerpen uitgebreid. De betreffende hoofdstukken heb ik als indicatie van de toevoeging ‘Intermezzo’ in de titel voorzien.

Ben ik daarmee klaar met mijn verhaal? In principe wel maar als ik eerlijk ben moet ik bekennen dat de gebeurtenissen tijdens de oorlogsjaren me nog geregeld bezig houden.

5-4-2021
Ruud Jansen

 

 

 

 

1. Herinneringen uit mijn kleutertijd.

Wat kunnen wij ons nog herinneren van onze eerste levensjaren? Bij welk jaar beginnen je eerste herinneringen?
Ik heb het er wel eens met leeftijdgenoten over gehad. Wat zij nog weten van hun jeugd. Bij de meesten bleek het begin van hun vierde levensjaar zo’n beetje de grens te zijn van bewaarde herinneringen. Mijn ervaring wijkt daar niet vanaf hoewel ik het vaak moeilijk vind om te bepalen in welk jaar bepaalde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden.
Laat ik daarom maar beginnen met iets wat een grote indruk moet hebben gemaakt. M’n eerste schooldag. Wonderlijk genoeg is me daar niets van bijgebleven
Wel dat er bij het Sinterklaasfeest in de eerste klas een goochelaar was die een konijn uit z’n hoed toverde. “Een echt levend konijn, mam, “vertelde ik later thuis. “En ook tien duiven die door het gymnastieklokaal vlogen.” M’n moeder was verstandig en liet me in de waan dat het echte levende dieren waren. Er kwamen nog jaren genoeg om te vertellen dat het een goochelaarstruc was.
Flitsen van andere gebeurtenissen dan. Sommige kan ik zonder moeite ophalen. Dat ik op de kermis een zuurstok kreeg en dat m’n tong door het zuigen helemaal ruw werd. Dat ik met de hele familie een dag naar het strand ging. Dat er op zondag altijd een mannetje door de straat liep met oliebollen. Dat hij een liedje zong,  “Bolletje bolletje bol, bij de koffie, bij de thee, pak een lekker bolletje mee, bolletje, bolletje, bol!” Dat mijn vader op vrijdag altijd Droste chocoladeflikken meenam.
Dat m’n oudste broer me tijdens de geboorte van mijn broertje leerde hoe ik een vliegtuig moest tekenen. Ik was toen bijna drie jaar. Ja, ik weet het. Normaal beginnen je herinneringen pas op je vierde.
Daar staat tegenover dat ik absoluut niet meer weet hoe ons huis in de Mercatorstraat er uitzag. Het aantal kamers, of er een badkamer was, of ik een eigen kamer had of die met mijn broertje moest delen? Geen idee. Het uitzicht aan de straatkant over de tuinderij, die door een brede sloot van de straat werd gescheiden weer wel. Dat kan ik bij wijze van spreken zo voor je uittekenen. We woonden in ieder geval in een huurwoning op de tweede etage van een flatgebouw. Er stond er nog een te koop met drie kamers voor 350.000 Euro las ik van het voorjaar.
Foto’s uit die tijd willen dan nog wel eens helpen maar het aantal is in mijn familie beperkt.
Er bestaan er twee van mij als baby bij m’n moeder. Nog zonder haar. En ook een waar ik met lang krullend blond haar op sta.
Ik was een jaar of vier en sta bij de kinderwagen waarin broertje lag.
Op de vraag of de hierboven genoemde herinneringen allemaal even zuiver zijn moet ik het antwoord schuldig blijven. Net als iedereen geef ik namelijk een eigen inkleuring aan mijn ervaringen.
Neem bijvoorbeeld het onderwerp van dit verhaal, de wereldoorlog van ’40-’45. Het kan haast niet anders of m’n herinneringen aan deze periode zijn beïnvloed. Aangevuld door kennis van anderen, door wat ik erover heb gehoord en gelezen. Hetzelfde geldt voor de jaren die aan de oorlog voorafgingen. Ik was bijna zeven toen het geweld losbarstte. Zou ik me zaken kunnen herinneren waardoor ik bijvoorbeeld toen wist dat er een oorlog op komst was? Ik weet het niet, denk haast van niet. Wist ik toen überhaupt wat oorlog was? Ook dat betwijfel ik.

(meer…)

2. Voorspel voor de oorlog

Ter inleiding
Weet waar je aan begint als je ooit jouw jeugdherinneringen wilt vastleggen. Na het eerste hoofdstuk heb ik het gevoel of ik bezig ben met een enorme puzzel. Het begin was simpel, bijna zonder nadenken kon ik me die eerste drie of vier verhalen uit hoofdstuk 1 voor de geest halen. Daar kwam er nog eentje bij en toen ik verder zocht kwamen er nog meer die bijna vanzelf op hun plaats vielen. Het was het beeld van een onbezorgde tijd en daarmee roep ik ongewild een verkeerd beeld op. Laat ik proberen om uit te leggen wat ik daarmee bedoel.
Als gevolg van de crash die in 1929 in Wallstreet plaatsvond, was er een economische chaos in de wereld ontstaan van ongekende omvang. Net als alle andere westerse landen had Nederland in de dertiger jaren een gigantische klap gekregen en het tobde nog steeds met de naweëen daarvan. Het aantal werkelozen naam grote vormen aan met armoede voor een groot aantal gezinnen.
Er was een conflict aan het groeien tussen Duitsland en de rest van Europa maar met het aanhouden van een strikte neutraliteit probeerde ons land daarbuiten te blijven. Net als tijdens de oorlog van 14-18 gaf men er de voorkeur aan niet in een oorlog verwikkeld te raken.
In de loop van 1939 nam de dreiging van een oorlog nog meer toe en op 3 september van dat jaar was het zo ver; als reactie op de  Duitse inval in Polen verklaarden Engeland en Frankrijk de oorlog aan het Duitsland van Adolf Hitler. Dit betekende niet dat daarmee het geweld tussen die grootmachten meteen losbarstte. Afgezien van wat kleine incidenten gebeurde er de eerste zeven maanden niets.
(meer…)

3. De Duitse inval op 10 mei

De oorlog, die centraal staat in dit boek, begon op 10 mei 1940 met een verrassingsaanval van onze oosterburen. Zonder enige waarschuwing trokken de Duitsers in de eerste uren van die dag met een overmacht aan vliegtuigen en legereenheden ons land binnen.

 

Het was mooi weer die vrijdag, het was al een aantal dagen mooi weer en het vrije weekend van Pinksteren stond voor de deur. Je zou je kunnen voorstellen dat iedereen al plannen had gemaakt om er op uit te gaan, naar het strand, naar de bossen, sporten. Lekker onbezorgd genieten.

(meer…)

4. De eerste maanden na de capitulatie.

Het moet een wonderlijke tijd zijn geweest, die eerste maanden na de capitulatie. Enerzijds was er het verdriet over de gesneuvelden en de verontwaardiging over de vernietiging van het centrum van Rotterdam, anderzijds kreeg de bevolking het advies van de overheid en besturen van organisaties en verenigingen om zich vooral ordelijk te gedragen en de draad van het dagelijkse bestaan weer op te pakken. Deze en soortgelijke berichten werden door diverse kranten gepubliceerd en het waren enkelingen, die het toen al waagden om hun stem te verheffen. Maar het officiële parool was ‘gewoon rustig doorgaan’.
Ik refereerde in een eerder hoofdstuk aan de problemen die een voetbalvereniging ondervond omdat een groot aantal spelers gemobiliseerd was en daardoor niet kon spelen in het weekend. Het blad van die vereniging verscheen na afloop van de korte oorlog in ons land weer op 30 mei.
‘Na den strijd’ was de kop van het hoofdartikel waarin ‘met voldoening kan worden geconstateerd dat alle 21 in militaire dienst zijnde clubgenoten als door een wonder voor den oorlogsdood zijn gespaard’. Het artikel eindigde met de namen van de 21 betrokkenen ‘teneinde deze in de geschiedenis van de vereniging te laten voortleven’.
Een bladzijde verder ging de redactie in op de gevolgen van de bezetting.
‘Alhoewel de oorlog slechts 5 dagen binnen onze grenzen heeft gewoed, zijn talloos velen door de gebeurtenissen volkomen uit het evenwicht geslagen. Niettegenstaande alle verdriet, is het de wensch der overheid en werkelijk ook het beste, dat het leven, zooveel als dat maar mogelijk is, weer zijn gewone gang gaat. Dat is dan ook de reden, dat de nog te spelen competitiewedstrijden zullen worden uitgespeeld. Na weken van nerveuze inspanning heeft onze geest ontspanning noodig en gaan we ons als ware enthousiastelingen weer op het voetbal werpen. Ik vertrouw echter, dat alle spelers, zonder uitzondering, de laatste wedstrijden nog zullen willen medewerken.”

(meer…)

5. Vertrek naar Appelscha.

Het vorige hoofdstuk sloot ik af met ons vertrek uit Amsterdam en de eerste tekenen van verzet tegen de Duitse bezetters. Hoewel ik de precieze datum niet weet kan ik toch wel nagaan wanneer we ongeveer vertrokken. Ik heb namelijk een aanknopingspunt.
Het moet in ieder geval een paar maanden na de capitulatie op 15 mei zijn geweest. Ik herinner me namelijk nog goed dat we de laatste schoolweken van de eerste klas allerlei werkjes voor de juffrouw mochten doen zoals boeken kaften en punten aan de potloden slijpen. Samen met het jongetje dat naast me zat, mocht ik de lettertjes van het leesplankje sorteren en ze met elastiekjes in kleine bundeltjes bij elkaar binden. Een verantwoordelijke taak die we met veel ijver en trots uitvoerden.
Heel kort daarna, in het begin van de zomervakantie, zijn we uit Amsterdam vertrokken. Ergens in het midden van juli dus. Het begin van de tweede klas heb ik niet meer meegemaakt.
Al schrijvend realiseer ik me nu dat ik nog niets heb verteld over de reden van dat onderduiken. Daarom geef ik eerst maar een korte weergave van de gebeurtenissen die aanleiding waren van onze verdwijning.

Appelscha in 2001
(meer…)

6. De eeuw van mijn vader. (intermezzo 1)

Er zijn van mijn vader niet veel foto’s om in dit verhaal te laten zien. De reden daarvan is dat ze tijdens de oorlog zijn verdwenen. Na zijn arrestatie door de SD in beslag genomen en waarschijnlijk opgeborgen in de archieven van de Gestapo.
De foto’s in dit hoofdstuk heb ik gekregen van de zoon van een van z’n broers en verder waren er nog wat kopieën van oude krantenfoto’s.

(meer…)

7. De familiestamboom. (Intermezzo 2)

Inleiding
Onderduiken maar voor de buitenwereld toch min of meer normaal functioneren, hoe doe je dat? Goede vraag, in ieder geval nooit lang op een adres blijven. Op een gegeven moment worden buren toch nieuwsgierig en als, om een voorbeeld te noemen, de kinderen niet naar school gaan, dan roept dat vragen op.
Na de eerste periode in Appelscha, eerst in een boerderij langs het kanaal, daarna gedurende een aantal maanden in een soort zomerhuisje of woonwagen, verhuisden we naar een andere plaats. Eerbeek was de bestemming, een vrijstaande villa van een dame, weduwe, aan de rand van het bos.
In het vroege voorjaar van 1941 verhuisden we vervolgens naar Apeldoorn, een vrijstaand huis aan de Badlaan. Daar zijn we een paar maanden gebleven tot we naar een huis in Epse (villa Zomerlust?) of Elslo vertrokken.
In het midden van de zomer verhuisden we naar Deventer. Een vrijstaand huis aan de Schoutenweg vlak bij de Ceintuurbaan. Daar zijn we vrij lang gebleven, zeker tot na de strenge winter van 41-42.
Voorjaar 1942 vertrokken we naar een grote vrijstaande villa in Barchem waar we tot het midden van de zomer verbleven voor we weer teruggingen naar Deventer.
Eind ’42, vlak voor de kerst, kwam er een einde aan het verblijf in Deventer en gingen we weer naar Eerbeek.
Ik ben niet helemaal zeker van de volgorde en het is best mogelijk dat ik een paar adressen vergeten ben. Maar dat doet er voor het verhaal niet zoveel toe. Een groot deel ligt in ieder geval in Gelderland.

De herkomst van de Jansens
Of de keuze van Gelderland als plaats om onder te duiken toeval was weet ik niet maar de Jansentak is van oorsprong afkomstig uit deze streek. Het was mijn grootvader, BerendJan Jansen die de grote stap naar Amsterdam waagde. (meer…)

8. Eerbeek.

Aan dit hoofdstuk is “Eerbeek 70 jaar later” als Naschrift toegevoegd.

Eerbeek is een dorp in Gelderland. Het grenst aan het Nationale Park Veluwe met de Onzalige Bossen en de Imbos. De plaats is bekend als toeristische trekpleister en er staan een paar grote papierfabrieken. Het aantal inwoners bedraagt ongeveer tienduizend.
Er zijn op de Veluwe tientallen van dergelijke plaatsen maar Eerbeek neemt in dit verhaal een bijzondere plaats in. Wij hebben daar namelijk drie maal een vrij lange periode doorgebracht; in het huis van een bijzondere vrouw die daardoor een belangrijke rol heeft gespeeld in ons leven.
Calluna Alba – witte heide – was de naam van de woning waarin we tijdelijk woonden. Een kleine villa die een eind buiten het dorpscentrum lag. Aan een zandweg, tegen de rand van een uitgestrekt bosgebied. Niet helemaal eenzaam en verlaten; in de naaste omgeving stonden nog wat andere huizen en een paar boerderijen.
In deze omgeving moet de familie Jansen op een dag in oktober 1940, beladen met bagage, zijn uitgestapt op het stationnetje van de plaats. Er bestaan geen familiefoto’s van die gebeurtenis maar via het onvolprezen Internet vond ik toch een plaatje van het station Eerbeek met trein. In de website van een spoorwegenthousiasteling waaruit ik ook leerde dat het station al in 1887 was gebouwd. De halte Eerbeek was een van de stations op de lijn Dieren – Apeldoorn, waarop in 1947 echter de laatste passagiers werden vervoerd.

(meer…)

9. Apeldoorn en Deventer.

Appelscha, Eerbeek, Apeldoorn, Epse, Deventer, Barchem, Deventer, als in een Aardrijkskundeles van vroeger trekken de plaatsen in een lange rij aan me voorbij. Epse mag niet ontbreken en Deventer zeker niet.
Deventer, wanneer gingen we daar eigenlijk de eerste keer naar toe? Ik weet het niet meer. In ieder geval nadat we in Appelscha en Eerbeek waren geweest. Als ik me goed herinner hebben we na Eerbeek een paar maanden in Apeldoorn gewoond. Van ons verblijf daar is me maar weinig bijgebleven. Het huis, een vrijstaand huis, stond in een rijtje villa’s in een stille straat. Ik weet nog hoe ’s ochtends altijd een groep duiven als bezetenen begonnen te koeren.
Op zondag haalde m’n vader altijd broodbeleg en vlees bij de Joodse slager een paar straten verder. Tot hij op een keer opgewonden terug kwam zonder boodschappen en aan mijn moeder vertelde dat de slager gesloten was en alle ruiten waren ingegooid. Door NSBers waarschijnlijk.
Hoe lang we in Apeldoorn bleven weet ik niet meer. Wel dat we er met Pasen nog waren omdat m’n jongste broer en ik daar een netje met chocolade eitjes hadden gekregen.
Voor we naar Deventer vertrokken brachten we een paar maanden in Epse door. Een vrijstaand huis waar ik me alleen van herinner dat ik ’s ochtends de krantenbezorger opwachtte omdat ik de strip van Tom Poes en heer Bommel wilde lezen.

In Deventer brachten we net als in Eerbeek twee perioden door. De eerste van ongeveer augustus 1941 tot maart 1942. De tweede van juni 1942 tot december 1942. Beide keren woorden we daar aan de Schoutenweg 2, een vrijstaand huis in een buitenwijk van de stad. Met een kleine tuin voor en achter stond het in een straat met meer soortgelijke huizen.
De dagen verliepen er wel op een andere wijze dan in Eerbeek met z’n bossen en heide. Geen lange wandelingen meer en de rust van het platteland ontbrak er natuurlijk. Maar het was een stad met een gezellig centrum en een grootstadspark. Je kon er wandelen langs de IJssel en over de schipbrug naar de overkant van de rivier.
Achteraf bekeken verwonder ik me dat deze plaats als onderduikadres was gekozen. Een familie met vijf kinderen die daar onverwacht uit de lucht kwam vallen. Een vader die vervolgens vaak weg was terwijl de rest van de familie de dagen in ‘volledige ledigheid’ doorbracht, dat wil zeggen niet naar school ging of een baantje had. Je zou toch zeggen dat zoiets wel moest opvallen. Met buren aan alle kanten – statistisch gezien moeten er een aantal NSB-ers in de buurt gewoond hebben – moet de kans op ontdekking toch heel wat groter zijn geweest dan op het platteland. Aan de andere kant kan je zeggen dat je daardoor gemakkelijker opging in de massa.
Het bijzondere van het huis in Deventer was dat we er niet alleen woonden maar net als in Eerbeek deelden met de hoofdbewoner. Het huis in Deventer was door Bertus Webeling in opdracht van het verzet gehuurd om er periodiek onderduikers te kunnen huisvesten.
Bertus en Reina met hun dochtertje Tineke van een jaar of vier oud waren voormalige buren uit Amsterdam en lid van – of sympathiserend met de CPN. Hij was zowel timmerman als kunstschilder maar ook fotograaf. Om die reden was er een donkere kamer op de zolder van het huis gemaakt. De fotografische bezigheden hadden waarschijnlijk alles te maken met het vervalsen van persoonsbewijzen en andere documenten.
Die zolder van het huis was een ideale plaats voor allerlei activiteiten, temeer omdat alle andere kamers volbezet waren. Ik had er bijvoorbeeld met m’n jongste broer een afgeschermd speelhol gemaakt en verder werd de ruimte door Bertus en m’n oudste broer gebruikt voor oefeningen, die je tegenwoordig tot body building zou rekenen. Elke dag waren die twee er wel een half uurtje bezig met boksoefeningen op een grote zandzak. En om hun arm-en schouderspieren sterker te maken hadden ze een stel trekveren aangeschaft.

(meer…)