16 mrt 2006

Maandag 12 december. We vliegen terug naar Addis, bezoeken in haast een paar musea en na het afscheidsdiner is het zover. We gaan terug naar Nederland.

Soms is het wel lekker om een beetje vroeg op te staan. Neem nou vandaag, onze voorlaatste dag in Ethiopië. Ik lig al uren wakker en ben blij dat ik er om zeven uur uit kan. Wat een nacht. Wat een herrie.
En het is een beetje m’n eigen schuld. Had ik gisteravond de ramen van onze kamer maar niet moeten open zetten. Maar ja, het was ook wel erg warm en het werd er in ieder geval iets koeler door zodat ik in slaap was gevallen tot ik om een uur of half drie wakker werd. Van een hond een paar huizen verder die begon te blaffen. Die kreeg prompt antwoord van een tweede hond, er kwam een derde bij en in no time blafte de hele stad en omgeving mee. Een oorverdovend concert.
Op een gegeven moment kwamen er hier en daar wat bazen naar buiten maar dat riep alleen nog maar meer lawaai op. En het geschreeuw tegen al die honden hielp ook niet echt.
Ten einde raad heb ik toen de ramen maar gesloten en daardoor drong de herrie alleen nog maar gedempt naar binnen. Tot een uur of half zes, toen namen de Imams het van de honden over.
Waarom die beesten zo tekeer gingen? Ik heb geen idee. Men zegt dat dieren een voorgevoel hebben voor naderende catastrofes in de natuur. Misschien is er een aardbeving op komst of gaat een vulkaan weer aan het werk.

Maar goed, het is nu zeven uur en ik vind dat de ‘nachtrust’ lang genoeg heeft geduurd. We moeten nog inpakken want het is de bedoeling dat we om half negen vertrekken om de middagvlucht naar Addis te halen. Geen ochtendvlucht dus waardoor het geplande bezoek aan Addis er grotendeels bij zal inschieten. De merkwaardige wijziging in het programma van FSTT waardoor we niet al gisteren naar de hoofdstad zijn gevlogen heeft heel wat ergernis in de groep opgeroepen maar we vliegen in ieder geval. Dat is beter dan de autorit die als tweede mogelijkheid voor deze dag was aangegeven. Dan waren we zeker de hele dag onderweg geweest en dat soort ritten heb ik voorlopig even gehad.
Overigens ligt Dire Dawa, de stad waar het vliegveld ligt, ook niet naast de deur. Daarom ontbijten we vlot en gaan na het inladen van de bagage om half negen op weg. Vaarwel Harar, je hebt me toch wel verrast met je Rimbaudhuis en die wonderlijke genezer in het huis van de vroegere keizer. Ik wens je veel succes toe bij je verdere ontwikkeling.
Onze chauffeur, die ons tot nog toe iedere keer heeft verrast met vriendinnen in de plaatsen waar we overnachtten, zal ook in Harar wel een adresje bezocht hebben. Daarnaast heeft hij het kennelijk druk gehad met shoppen want hij ziet er met een bezorgd gezicht op toe dat een paar dozen met elektronica – ik zie een DVD-speler- niet door onze bagage worden verpletterd.
Very cheap in Harar, verzekert hij me met het gezicht van een man die alles wat de moeite waard is op deze wereld, al gezien heeft.
Yes, but no Ceedees, geef ik hem als antwoord en ik vertel hem van onze vergeefse pogingen om een CD van zijn favoriet aan te schaffen.
Maar dat is helemaal no problem mengt de gids, die ook nu weer bij ons zit, zich in het gesprek. Als we in Addis zijn breng ik jullie naar een CDshop en kopen we er eentje.
Ik mag hem wel, onze jeugdige begeleider gedurende de laatste dagen. Pienter en voortdurend alert om z’n klasje van inmiddels wat vermoeid ogende reizigers voor onheil te behoeden.

Onderweg stoppen we een paar keer, ondermeer bij een qatmarkt. Qat zijn de bladeren van een snelgroeiende struik in Afrika en als je er op kauwt heeft het een stimulerend effect. Ik denk te vergelijken met het kauwen op cocabladeren. Dat laatste heb ik jaren geleden gedaan toen we tijdens onze reis in Peru Bolivia op vierduizend meter hoogte zaten. Het hielp mij niet echt en de bittere smaak was gewoon vies. Best mogelijk dat ik toen te weinig blaadjes in m’n mond had gepropt. De lokale gebruikers hadden echt een flinke pruim achter de kiezen.

Volgens de boeken heeft qat een licht hallucinogene werking waarbij de gebruiker in een milde euforische stemming raakt en gemakkelijk praat.

Op de markt is het geweldig druk en het kost de grootste moeite om door de mensenmenigte heen te komen. Op stalletjes en op een aantal plaatsen gewoon op de grond liggen grote bossen qattakken op liefhebbers te wachten. Ik probeer om een paar foto’s te maken maar dat wordt niet door iedereen op prijs gesteld. Daarom stop ik er maar mee. Een eindje verder is Lia met haar videocamera in de weer. Op een gegeven ogenblik zie ik dat ze een takje met blaadjes heeft gekregen. Of gekocht. Of ik een keertje wil proberen, roept ze me toe maar ik waag me er maar niet aan. Volgens diezelfde boekjes waaruit ik m’n wijsheid over de effecten van qat haal, krijgen regelmatige gebruikers last van maag- en darmirritaties. En aangezien ik vannacht al last had van de maaltijd van gisteravond wil ik het opgeblazen gevoel dat ik nog steeds heb, niet door een qatkuurtje verergeren.

Dire Dawa bereiken we tegen een uur of elf. Qua grootte is het de tweede stad van Ethiopië met ongeveer een kwart miljoen inwoners.

Het ziet er hier een stuk moderner uit dan in Harar. We blijken ruimschoots op tijd te zijn en brengen daarom eerst een bezoek aan de grote overdekte markt. Het is er zeer kleurig en daardoor een dankbaar doel om te fotograferen. Net zoals overal elders op de wereld zijn de verschillende verkoopobjecten naar soort bij elkaar gezet. Dat betekent dat de kramen van alle schoenenverkopers bij elkaar staan; datzelfde geldt een straatje verder voor de verkopers van rijst en dus ook voor de kruidenverkopers. In het straatje met de pepers is de lucht daardoor zelfs lichtprikkelend waardoor m’n ogen er van beginnen te tranen.

Je moet er overigens niet aan denken wat er hier gebeurt als er brand uitbreekt. Met een overdekking van lappen zeildoek en plastic, de houten kramen en overal stapels brandbaar materiaal is de ramp dan niet te overzien. En dan praat ik nog maar niet over de nauwe gangetjes en looppaden en het ontbreken van vluchtwegen. Ik weet het, de mens hij lijdt het meest onder het lijden dat hij vreest maar het gevaar ligt hier wel erg op de loer.
Maar voorlopig lachen de kindertjes me toe, de tomaten zien er prachtig rood uit en waar zie je zulke grappige kunstwerkjes van aardappels?

Na dit bezoek drinken we koffie op een groot terras in het centrum. Ook hier is het erg druk met drie meisjes in de bediening die de vraag nauwelijks aankunnen. Degene die ons helpt is waarschijnlijk vanochtend met haar verkeerde been uit bed opgestaan en doet me door haar kortaffe benadering even aan sommige Amsterdamse horecagelegenheden denken. De arbeidsvreugde straalt er niet af, de dienstbaarheid evenmin. Maar moet kunnen, ik denk dat het hier hard werken is voor een minimale beloning.

Om elf uur arriveren we daarna op het vliegveld. Ziet er allemaal nieuw uit. Druk is het niet, ik heb zo’n idee dat er maar een paar vluchten per dag aankomen en vertrekken.
Na het inchecken nemen we de eerste veiligheidscontrole. Ze hebben er hier zin in. Twee koffers moeten worden uitgepakt en ik mag m’n rugzak leegmaken. Alles wordt op werking gecontroleerd. Is dit een scheerapparaat? Yes, dit is een scheerapparaat. Wilt u het even aandoen? Dat wil ik wel. Bzzzzz. Thank you en wat heeft u daar? Dat is een muziekdoosje. Als ik de koptelefoon opdoe en dan op dat knopje druk komt er muziek uit. Yes, wilt u even luisteren?
No, dat hoeft niet van de vriendelijke mevrouw. Bergt u maar weer op en wat is dat?
Ik bedwing de lust om grapjes te maken want over het algemeen houden controleurs daar niet van. Trouwens, die mensen doen uiteindelijk goed werk. Voor hetzelfde geld wil er een malloot meevliegen die een bommetje in z’n Philishave heeft verstopt.
Daarna is het wachten geblazen. Beetje hangen op de zitbanken, een bezoekje aan de WC die op slot is. Na wat vragen blijkt dat ik de sleutel bij de souvenirshop kan ophalen. Bijna sluit ik daarna een man op die na mij is binnengekomen en zich op een van de toiletten heeft geïnstalleerd.
Geleidelijk druppelen er meer passagiers binnen waaronder twee jonge vrouwen, Noors of Deens. Die vallen niet alleen op door hun blonde haar maar ook doordat ze allebei een donkere Ethiopische baby bij zich hebben.
Zouden het hulpverleensters zijn? Door hun werk in aanraking gekomen met een leuke Ethiopische knul die de hulp zo letterlijk heeft opgevat dat er blijvende gevolgen zijn? De jonge moedertjes nu op weg naar huis. Even bijkomen, de baby’s aan opa en oma laten zien, van die dingen.
Het blijkt daarna allemaal toch wat simpeler te liggen. De twee meisjes zijn in dienst bij een of andere adoptieorganisatie en hebben de baby’s in Harar opgehaald om naar Addis te brengen waar de toekomstige adoptieouders al staan te wachten om ze mee te nemen.

Om half een mogen we naar de gate van vertrek maar daarvoor moet ook weer een controle gepasseerd worden. Weer moeten er koffertjes uitgepakt worden. Weer moet ik m’n rugzak uitpakken en deze keer ook m’n fototas. Verder broekriem af, schoenen uit, horloge af. Er kan bij de controlerende juffrouw geen lachje vanaf. Maar de mevrouw die me een half uurtje geleden alles liet uitpakken, heeft nu de supervisie en knikt me na afloop vriendelijk toe. Ik knik maar terug en begin met het verzamelen van m’n spullen die her en der verspreid liggen.
Gelukkig vliegen we netjes op tijd en drie over een zijn we los van de grond. De vlucht begint niet zo prettig omdat er nogal wat thermiek is maar als we hoger komen wordt het rustiger. Beneden me ligt het door de zon geblakerde Ethiopië, doorsneden met stoffige wegen en nog veel meer droge rivierbeddingen. Het gedeelte waar we overheen vliegen is dor en droog. Dat geldt overigens niet voor het hele land, we hebben onderweg ook groene stukken gezien en in de buurt van de meren was water voldoende aanwezig. Zouden hier beneden ook mensen wonen? Ongetwijfeld, we zijn tenslotte ook met de auto door deze droge delen van het land gereden en als ik goed kijk kan ik hier en daar wat hutjes onderscheiden. Vanuit het vliegtuig gezien zijn ze nauwelijks herkenbaar maar ik zie daarna ook overal zilveren puntjes in het landschap. Die zijn van de daken van golfijzer die oplichten in de felle zon.
Na een uurtje vliegen zijn we dan eindelijk in Addis. Het mooie weer waarvan we de hele reis hebben kunnen genieten, ontbreekt ook in Addis niet. De temperatuur is hier heerlijk omdat de stad een stuk hoger ligt dan Harar.
We worden verwelkomd door Tesfaye en ook Asnake, die de eerste helft van de reis bij ons was, is aanwezig. Veel tijd is er niet, want de bus die ons in de stad zal vervoeren, staat al klaar. Alles gaat vervolgens in racetempo want het is inmiddels half drie geworden en de bagage moet ook nog op de bus geladen worden.
Addis is een ruim opgezette grote stad met veel verkeer. Overigens niet echt oud zoals vele andere plaatsen in dit land. Ze werd pas gesticht in 1886. Met de omringende gemeenten biedt ze nu plaats aan veel mensen. Vier miljoen inwoners las ik in een boek, twee en een half in een ander. De naam komt uit het Amhaars en je kunt die vertalen als Nieuwe bloem.
Onze eerste bezoek geldt het Nationaal Archeologisch Museum. Een groot gebouw en om alles goed te bekijken zou je wel een halve dag nodig hebben. De wijze waarop het is ingericht doet wat armoedig aan en kan niet in de schaduw staan van bijvoorbeeld het museum in Leiden. Geldgebrek zal hier wel een rol spelen.

Absoluut hoogtepunt is de zaal waarin Lucy is ondergebracht. Van foto’s en TV-beelden ken ik de oude dame maar het is toch nog een verrassing als ik de zaal binnenkom. Daar staat ze, in een glazen vitrine, nauwelijks een meter lang, maar wel 3,18 miljoen jaar oud. Geen mens zoals wij maar wel de eerste – tenzij dit inmiddels is achterhaald – rechtopstaande voorouder van de huidige mens.

Lucy werd op 30 november 1974 gevonden door Donald Johansen en Tom Gray op een plaats die ongeveer 150 kilometer noordelijk van Addis ligt. Haar naam ontleende ze aan het liedje van de Beatles dat toen in de top zoveel stond en veel gedraaid werd in het kamp waarin de beide onderzoekers verbleven. De ontdekking veroorzaakte in de jaren daarna zowel opwinding als onenigheid in de kringen van deskundigen. Of de dames en heren hun meningsverschil inmiddels hebben bijgelegd weet ik niet. Haar aanwezigheid sluit in ieder geval niet helemaal aan bij Genesis 1 maar dat geldt voor meer zaken die de mens bezig houden.
Overigens heeft het Museum de oorspronkelijk resten zorgvuldig opgeborgen en zijn de tentoongestelde resten (knap) nagemaakte kopieën.

Daarna is het al weer tijd om verder te gaan. Het Institut of Ethopien Studies wacht met nog meer historie, vertrekken uit het paleis van Haile Selassie en er is een verdieping met moderne schilderkunst.  Ik maak voor de liefhebbers wat foto’s van een aantal schilderijen en daarna is het weer opschieten geblazen want de bus wacht.

De beroemde Mercatomarkt schiet er daarna bij in omdat niemand zin heeft om daar in een kwartier overheen te draven. Daarom brengen we maar gehaaste bezoeken aan een paar winkels om souvenirs voor thuis te kopen. En onze Hararbegeleider zorgt ervoor dat we alsnog een Cdeetje van Zeritu Kabede krijgen. Voor een bedrag van omgerekend nog geen 3 Euro. Zullen ook wel kopieën zijn maar vooruit.

Het begint al te schemeren als we naar het Lalibelahotel rijden. Nog even krijgen we zo gelegenheid om vanuit de bus wat van de sfeer in deze stad op te snuiven. In de binnenstad zitten de vele cafeetjes en eethuizen allemaal stampvol. De armoede van het platteland lijkt op deze plaats oneindig ver verwijderd. Het bruist hier van activiteit en ik realiseer me hoeveel we missen doordat SRC, de reisorganisatie voor deze reis, dit niet beter georganiseerd heeft. In deze stad zou je gemakkelijk twee dagen kunnen zoekbrengen om alles op je gemak te bekijken. De teleurstelling over deze gemiste kans wordt gelijk weer uit m’n hoofd verdreven omdat ik een grote groep geiten ontdek, die door twee jongetjes wordt voortgedreven. Midden in de stad, waar moeten die heen? In gedachten zie ik het Damrak in Amsterdam voor me, ’s avonds om half zeven met een plotseling opduikende groep koeien. Waar die vandaan kwamen? Uit de Kalverstraat natuurlijk dat wil zeggen, een eeuw of vier geleden.
Ik probeer er nog even bij Asnake achter te komen waar die geiten naar toe gaan maar hij twijfelt ook over een verklaring. Misschien staan ze ’s nachts bij iemand in de achtertuin, of in een park, of op het balkon.

Heb ik al verteld dat we vanavond een afscheidsdiner aangeboden krijgen? Nee denk ik. Maar eerst gaan we toch nog even naar het Lalibelahotel om ons een beetje op te knappen. Voor de liefhebbers is er zelfs gelegenheid om in twee daarvoor gereserveerde kamers te douchen en om te kleden. Iedereen is een beetje moe en de stemming is gelaten. Ik stel die douchebeurt maar uit tot morgen in Nederland en kom tot de ontdekking dat er nog een bodempje in m’n platvink zit. Kan ik natuurlijk meenemen naar Nederland maar dan loop ik de kans dat ik het flesje moet leegschenken bij de volgende vliegveldcontrole. Dat risico vind ik te groot en even later geniet ik van m’n laatste glaasje Ierse whiskey.

Het afscheidsdiner wordt daarna in hoog tempo afgewerkt in een groot restaurant met de naam laVille verde. Genoemd naar Addis dat inderdaad rijkelijk van groen in plantsoenen en parken voorzien is. Afgezien van een eenzame Europeaan is er nog geen mens aanwezig en we zoeken een plaatsje aan de lage tafeltjes die ons worden aangewezen. Als we net zitten en wat te drinken bestellen komt zowaar de directrice van Four Seasons Travel Tours binnen die zich wonderlijk genoeg niet aan het gezelschap voorstelt maar met Tesfaye en Wolter apart plaats neemt aan een tafeltje in een andere hoek van de zaal. Niet echt netjes van mevrouw Heran maar wel een methode om lastige vragen uit onze reizigersgroep over de vele afwijkingen in het reisprogramma te ontlopen.
Het eten is uiteraard Ethiopisch met Injera, er is een groepje dat muziek maakt en er worden dansen opgevoerd. Eigenlijk best leuk maar ook hier is de beschikbare tijd weer beperkt en als de avond net op gang begint te komen moeten we al weer weg. Naar het vliegveld waar we twee uur voor het vertrek om half twaalf, aanwezig moeten zijn.
Maar thuis trekt. En hoewel de vlucht allerminst plezierig dreigt te verlopen omdat Lufthansa de groep weer door elkaar heeft gehusseld waardoor iedereen apart zit, verloopt de nachtelijke reis toch nog beter dan ik gedacht had. Ik slaag er zelfs in om een paar uur te slapen. Ook de overstap in Frankfurt gaat vlot en zo staan we om negen uur ’s ochtends op een druilerig Schiphol.

Zo komt er dus een einde aan een reis door een land dat heel veel te bieden heeft. Het was jammer dat de reisorganisatie bij de uitvoering van deze reis nogal eens tekort schoot waardoor een aantal punten uit het programma niet uitgevoerd kon worden of domweg geschrapt waren. Ook dat de tweede helft van het programma niet goed in elkaar stak waardoor er veel te veel gereden moest worden waar door gebrek aan tijd (en kennelijk onvoldoende voorbereiding) bijna niets aan bezienswaardigheden tegenover stond. Reden in ieder geval voor mij en een aantal anderen om een klacht bij SRC in te dienen; en zonodig bij de geschillencommissie als we er niet uitkomen.
Afgezien van deze onvolkomenheden hebben wij geen spijt van onze keuze voor dit land. Niet voor niets wordt het ook wel als de bakermat van de mensheid aangeduid.
“Where the streets have no name” bedacht ik op een gegeven ogenblik toen we door zo’n gortdroge streek reden waar de dorpjes zelfs de benaming dorp maar nauwelijks verdienden.
Ik had het verhaal ook “Drie weken stofhappen in Ethiopië” kunnen noemen toen we een aantal dagen van die eindeloos lijkende ritten maakten.
Of “You never walk alone” omdat er altijd wel weer iemand opdook als we even stopten voor een foto of iets anders.
Terwijl ik dit schrijf zingt Zeritu op de achtergrond Hapte. Het favoriete nummer van onze chauffeur en daarna ook van Lia en mij. Prachtig. Lia heeft de CD net even voor me opgezet. En in gedachten zie ik weer flitsen van het land. Ik zou geen betere manier weten om afscheid te nemen. Dat doe ik dus nu. Bedankt voor het leesgeduld en wie weet, tot ziens bij m’n volgend reisverhaal.

Maart 2006

Ruud Jansen


[begin]